leesfragment

‘Dingen die we toevertrouwen aan de wind’ van Laura Imai Messina

Yui verloor bij de tsunami van 2011 haar moeder en haar dochtertje. Terwijl ze worstelt met haar verdriet, hoort ze dat een oude man een kapotte telefooncel in zijn tuin heeft gezet. Op die plek lukt het mensen die een geliefde zijn verloren om met hen te communiceren via de wind en zo enigszins om te gaan met hun verlies. Ook Yui besluit de reis te maken. Maar eenmaal daar, heeft ze niet de moed om de telefoon op te pakken. Toch blijft ze terugkomen, om de mensen te observeren die dat wel kunnen. Dan ontmoet ze Takeshi, een weduwnaar wiens dochtertje niet meer heeft gepraat sinds het overlijden van haar moeder…

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van het hartverwarmende roman Dingen die we toevertrouwen aan de wind van Laura Imai Messina.

‘Absoluut adembenemend.’ – Christy Lefteri, auteur van De bijenhouder van Aleppo

Proloog

Een werveling van lucht zwiepte tegen de planten in de grote, steile tuin van Bell Gardia.

Ter bescherming hield de vrouw instinctief haar elleboog voor haar gezicht en bolde haar rug. Maar onmiddellijk kwam ze weer bij haar positieven en ging rechtop staan.

Ze was nog voor de dageraad gekomen, ze had het licht steeds hoger zien klimmen, maar de zon bleef verborgen. Ze had de grote zakken uit de auto geladen; vijftig meter van het dikste plastic, opgerold tot een buis; rollen isoleertape, tien dozen ringspijkers om in de grond te bevestigen, en een hamer met een dameshandgreep. Bij Conan, de enorme ijzerwarensupermarkt, had een verkoper gevraagd of hij haar hand mocht zien; dat was om de greep op te meten, maar ze was ervan geschrokken.

Ze was snel naar de telefooncel gelopen en had gezien dat die heel broos was, als suikerspin en meringues, alsof er ontelbare vingers van hadden gesnoept. De wind ging al stormachtig tekeer, er was geen tijd meer.

Ze hadden zonder uit te rusten ruim twee uur gewerkt op de heuvel van Ōtsuchi: zij – om de telefooncel, het bankje, het bordje bij de ingang en de kleine boog die het begin van het pad aanduidde in de grote lappen te wikkelen – en de wind, die geen moment was opgehouden haar te geselen. Af en toe had ze zich onbewust in een zelfomhelzing gewikkeld, zoals ze dat al jaren deed als ze overmand werd door emoties, maar daarna was ze steeds weer overeind gekomen, had haar rug gestrekt en had zich uitdagend tegenover de wolkenbank geposteerd die de heuvel nu volledig bedekte.

Pas aan het eind, toen ze zelfs het idee had dat ze de smaak van de zee in haar mond had, alsof de lucht helemaal van beneden naar de top was opgestegen om de wereld te omhullen, was ze opgehouden. Ze was uitgeput op het bankje gaan zitten, ingesponnen als een zijderups, haar schoenzolen vol aangekoekte aarde.

Als de wereld viel, zei ze bij zichzelf, zou ze met hem mee vallen.
Als de wereld viel, zei ze bij zichzelf, zou ze met hem mee vallen; maar als er ook maar een kleine kans was om hem overeind te houden, al was het in wankel evenwicht, zou ze elk greintje energie dat ze nog overhad gebruiken om hem te helpen.

De stad beneden sliep nog. Er waren wel wat lampjes aangegaan die de ramen kleurden, maar vanwege de tyfoon die in aantocht was, hadden de meeste mensen de luiken dichtgehouden en de rolluiken gestut met houten stokken. Een enkeling had zandzakken voor de deuren gelegd om te voorkomen dat de bulderende wind ze uit hun sponningen zou rukken en de kamers onder water zouden lopen.

Yui leek zich geheel niet druk te maken om de regen, om de hemel die was neergedaald op haar schoenen. Ze bekeek haar werk: de zeilen van plastic en tape waarmee ze de telefooncel, het houten bankje, het rijtje tegels van het pad, de toegangsboog en het bordje met het opschrift de TELEFOON VAN DE WIND had ingepakt en vastgezet.

Alles was bedekt met aarde en waterdruppels. Als de tyfoon ook maar iets zou losrukken of afscheuren, zou ze daar blijven om het weer te repareren.

Het meest elementaire idee, namelijk dat de breekbaarheid niet zozeer in dingen school als wel in het vlees, het idee dat materiële spullen kunnen worden gerepareerd of vervangen maar dat het lichaam niet te repareren valt en dat het misschien dan wel sterker is dan de geest – want als die breekt is het voor altijd – maar altijd nog minder sterk dan hout, lood of ijzer, kwam niet bij haar op. Ze betrok het gevaar geen moment op haar eigen persoon.

‘Het is al september,’ fluisterde Yui, terwijl ze naar de zwarte lucht keek die vanuit het oosten dichterbij kwam. Nagatsoeki , de ‘maand van de lange nachten’, zoals de naam luidde die er in de oudheid aan gegeven was. Niettemin herinnerde ze zich dat ze diezelfde formulering elke maand had herhaald en haar had meegenomen naar november en december. ‘Het is al april,’ had ze gezegd, en daarna mei enzovoort, bij het precieze aftellen van de dagen vanaf 11 maart 2011.

Elke week was een inspanning geweest, elke maand simpelweg tijd die op een stapeltje op zolder werd gelegd, voor een toekomstig gebruik dat misschien wel nooit zou komen.

Yui had lang, pikzwart haar, maar wel met blonde puntjes, als een uitgroei die onderaan begon om vanaf daar haar kruin te bereiken. Sinds haar moeder en dochter waren verzwolgen tijdens de zeeramp had ze het niet meer geverfd. Maar ze had het wel stukje bij beetje geknipt, zodat het op deze manier was uitgegroeid, als een afgezakt aureool. Haar haarkleur, het verschil tussen het vroegere geel en het oorspronkelijke zwart, vertelde uiteindelijk hoe lang haar rouw al duurde. Het was een soort kalender geworden van wat er gebeurd was.

Dat ze het had overleefd, had ze vooral te danken aan deze tuin, aan de witte cabine met de vouwdeur en de zwarte telefoon die op de plank naast het schrift stond. Haar vingers draaiden een willekeurig nummer, de hoorn werd bij haar oor gehouden en haar stem viel erin. Soms huilde ze, maar andere keren lachte ze, want het leven kan ook geestig zijn als er een tragedie plaatsvindt.

En nu kwam de tyfoon bijna over haar heen, Yui voelde hem aankomen.
En nu kwam de tyfoon bijna over haar heen, Yui voelde hem aankomen.

In dat gebied waren orkanen gebruikelijk, vooral ’s zomers. Ze raasden door het landschap, rukten aan de daken en strooiden de dakpannen op de grond alsof het zaadjes waren, en elke keer beschermde Suzuki-san, de bewaker van Bell Gardia, de tuin met zijn gebruikelijke liefdevolle zorg.

Maar deze keer werd voorspeld dat de tyfoon verschrikkelijk zou zijn, en Suzuki-san was er niet. Het gerucht dat hij ziek was, was als een lopend vuurtje rondgegaan. De aard van de ziekte was niet duidelijk, maar het was bekend dat hij in het ziekenhuis was opgenomen voor onderzoeken.

Als hij deze plek niet zou verdedigen, wie zou het dan doen? Yui vond de tyfoon net een kind dat met een boosaardige blik aanstalten maakte om een emmertje water over het zandkasteel van een ander kind heen te kieperen, een kind dat niet zo bijdehand was, naïever, en waar het van een afstandje naar keek, van achter een rots, klaar om toe te slaan.

De positie van de wolken veranderde voortdurend en het licht leek zich snel naar het westen te verplaatsen. Het kwam met de minuut dichter naar haar toe, het daalde als een hand op het voorhoofd van de heuvel neer om te voelen of die echt warm was of maar net deed alsof.

Toen het gebulder van de wind op de tuin neerstortte, leek alles in de razernij af te vlakken; doe me geen pijn, leek hij te fluisteren.

Yui’s haardos waaierde uiteen, werd bol als een kwal, splitste zich op diverse punten en maakte zich weer breder. Je hoefde alleen maar naar het hoofd van de vrouw te kijken om de partituur van de wind te begrijpen, het onheilspellende fluit je dat voorafging aan het ombuigen van de planten, van de higan- bana die scharlakenrood werd, de bloem van het nirwana, de bloem van de doden; de hortensia die was uitgebloeid en weer een gewone struik werd; de witte bloesem van de foesen-kazoera met zijn groene vruchten waar de kinderen muziek mee maakten alsof het klokjes waren.

Hoewel het haar inmiddels moeite kostte om op de been te blijven, voelde ze toch de drang om nog een keer te bukken om zich ervan te verzekeren dat alles beschermd was. Soms werd ze meegesleurd naar de grond, soms liet ze zich zwaar tegen die luchtstroom hangen en strekte haar voet uit op de laatste tegel van het pad. Ze controleerde opnieuw de haken waarmee ze de doeken van de telefooncel had verzekerd. Ze maaide met haar armen tegen de wind in, alsof ze zwom.

Eén tegel van het pad kraakte en Yui moest ineens weer denken aan de woorden van haar dochter, die de steentjes in de waterstroom van de afvoerbuis vlak bij huis altijd koekjes noemde.

Ze glimlachte, dankbaar dat ze die herinnering had teruggevonden.
Ze glimlachte, dankbaar dat ze die herinnering had teruggevonden.

Als kind ervaar je geluk als een ding. Een treintje dat uit een mand tevoorschijn komt, het huishoudplastic om een stuk taart. Of misschien ook als een foto waarop je zelf het middelpunt bent, waarop iedereen alleen maar oog voor jou heeft.

Als je groot bent, wordt alles ingewikkelder. Geluk is succes, werk, een man of een vrouw, allemaal vage, lastige zaken. Als het er is, en ook als het er niet is, wordt het vooral gewoon een woord.

Kijk eens aan, dacht Yui nu, de jeugd leerde je heel iets anders, namelijk dat je alleen je hand maar in de juiste richting hoefde uit te steken en het dan zo kon pakken.

Onder de grijze brij van de hemel bleef een vrouw van een jaar of dertig ondanks alles overeind staan. Ze peinsde over wat voor iets geluk zou zijn, ze ging in de gedachte op zoals ze vroeger in een boek op kon gaan, in verhalen van anderen, die haar al sinds haar kindertijd zonder uitzondering mooier toeschenen dan haar eigen verhaal. Ze vroeg zich af of dat nu niet precies de reden was dat ze bij de radio was gaan werken. Het fascineerde haar enorm om naar het leven van anderen te luisteren en op te gaan in hun verhalen.

Voor Yui ontstond het geluk al enkele jaren in dat zwarte, zware toestel waarop in een cirkel de cijfers 1 tot en met 0 stonden. Met haar oor tegen de hoorn gedrukt verloor ze de tuin, daar op die afgelegen heuvel in het noordoosten van Japan, uit het zicht. In de V-hals van de aarde zag ze ook de zee, ze kon zich de ziltige geur voorstellen. Daar droomde Yui ervan om met haar dochtertje te praten, dat nooit ouder was geworden dan drie, en met haar moeder, die het kind tot het eind toe in haar armen had gehouden.

En als het geluk een ding wordt, wordt elk ander ding dat de veiligheid ervan in gevaar brengt de vijand. Alsof die tastbaar was als de wind, alsof het de regen was die van bovenaf neerkletterde.

Yui zette haar leventje van niets op het spel om te voorkomen dat er iets ergs zou gebeuren met dat ding en de plek die de stem ervan bewaarde.

1

Ze had er voor het eerst over gehoord op de radio. Een luisteraar leverde aan het eind van het programma een bijdrage door te vertellen waardoor hij zich beter was gaan voelen na het overlijden van zijn vrouw.

Ze hadden er op de redactie uitgebreid over gesproken voordat ze het onderwerp van de aflevering vaststelden. Ze wisten het allemaal van haar, van de afgrond in haar binnenste. Maar Yui had volgehouden dat ze, wat er ook uit zou komen, beschermd zou zijn. Juist omdat ze zo geleden had, kon geen enkele verschrikking haar meer raken.

‘Wat heeft het voor jullie gemakkelijker gemaakt om ’s ochtends op te staan en ’s avonds naar bed te gaan na een groot verlies?'
‘Wat heeft het voor jullie gemakkelijker gemaakt om ’s ochtends op te staan en ’s avonds naar bed te gaan na een groot verlies? Waardoor blijven jullie op de been als jullie je verdrietig voelen?’

De aflevering was in elk geval veel minder somber dan verwacht.

Een vrouw uit Aomori had verteld dat ze ging koken als ze bedroefd was: ze maakte zoete en hartige taarten, macarons, confituren, kleine hapjes zoals kroketten of vis van de grill met suiker en sojasaus, gekookte groente om in de béintō te doen; ze had zelfs een aparte vriezer aangeschaft om dingen in te kunnen vriezen als ze daar zin in had. Voor Hina-matsoeri, het kinderfeest dat elk jaar op 3 maart gehouden werd en waaraan vroeger ook haar dochter had meegedaan, zorgde ze ervoor dat die nauwkeurig werd ontdooid. Ze wist zeker dat ze bij het zien van de tentoonstelling van de poppen in de woonkamer, de planken met de verschillende poppetjes die de keizerlijke familie voorstelden, de dringende behoefte zou voelen om te schillen, te snijden en te blancheren. Koken gaf haar een goed gevoel, zei ze, het hielp haar om weer grip op de wereld te krijgen.

Een jonge administratief medewerkster uit Aichi belde om te zeggen dat ze naar cafés ging om honden, katten en fretten te aaien, ja, vooral fretten. Ze hoefden maar met hun snuitjes tegen haar handen te wrijven en ze was meteen weer blij dat ze leefde. Een bejaarde man, die fluisterde zodat zijn vrouw in de slaapkamer zijn stem niet zou horen, biechtte op dat hij patsinko speelde; een kantoorman, die de breuk met zijn vriendin als rouw ervaarde, had de gewoonte aangenomen om koppen chocolademelk te drinken en séimbei te knabbelen. Iedereen lachte toen een huisvrouw uit Tokyo, een vrouw van een jaar of vijftig die haar beste vriendin was kwijtgeraakt bij een ongeluk, vertelde dat ze Frans was gaan studeren en dat alleen die andere stembuigingen, die keel-r en die ingewikkelde klemtonen haar de illusie gaven dat ze iemand anders was. ‘Ik zal die taal nooit leren, ik ben er echt niet voor in de wieg gelegd, maar jullie moesten eens weten hoe goed ik me voel als ik bonjourrrrrr zeg.’

Maar het laatste telefoontje kwam uit Iwate, een van de locaties van de ramp van 2011. De redactrice van het programma keek veelbetekenend naar de geluidstechnicus, die zijn blik lange tijd op de presentatrice liet rusten en zijn ogen daarna op het regieplan voor zich richtte, waar hij tot het eind van het programma niet meer van opkeek. Net als Yui had de luisteraar iemand verloren bij de tsunami, namelijk zijn vrouw; het huis was door het water omvergetrokken, haar lichaam was meegesleurd tussen het puin, en ze was gecatalogiseerd als een van de joekoeéi foemei ‘zonder enig spoor’, de vermisten. Nu woonde hij in het huis van zijn zoon, in het binnenland, waar de zee slechts een idee was.

‘Goed,’ begon de man, die met korte tussenpozen een trekje van een sigaret nam. ‘Er staat een telefooncel midden in een tuin op een heuvel die geïsoleerd is van de rest. De telefoon is niet aangesloten, maar de stemmen worden meegevoerd door de wind. Dan zeg ik ‘Hoi Yōko, hoe is het?’ en lijkt het net of ik weer de man van vroeger ben, toen mijn vrouw vanuit de keuken naar me luisterde, altijd druk in de weer met het ontbijt of het avondeten, terwijl ik mopperde omdat ik mijn mond verbrandde aan de koffie.

Gisteravond las ik mijn kleinzoon het verhaal van Peter Pan voor, het jongetje dat kan vliegen en zijn schaduw verliest, waarna het meisje die weer voor hem onder zijn zolen naait; nou, ik geloof dat wij ook zo zijn als we naar die heuvel gaan, we proberen onze schaduw weer terug te krijgen.’

Iedereen op de redactie verstomde, alsof er opeens een gigantisch vreemd voorwerp tussen hen in was gevallen.
Iedereen op de redactie verstomde, alsof er opeens een gigantisch vreemd voorwerp tussen hen in was gevallen.

Ook Yui, die gewoonlijk heel goed in staat was om te lange interviews met een paar weloverwogen woorden af te kappen, zei niets. Pas toen de man kuchte en de regie zijn stem dempte, leek Yui uit haar droom te ontwaken. Ze kondigde in allerijl het nummer aan en verbaasde zich over de titel, die puur toevallig luidde: Max Richter, ‘Mrs. Dalloway: In the Garden’.

Er kwamen die nacht nog vele andere berichten binnen, en ze bleven maar komen, ook toen Yui al in de voorlaatste trein naar Shibuya en de laatste trein naar Kichijōji zat.

Ze deed haar ogen dicht, al kon ze de slaap niet vatten. Ze dacht steeds maar weer terug aan de woorden van de luisteraar, alsof ze op en neer rende door dezelfde straat en onderweg aandacht schonk aan nieuwe details. Een verkeersbord, een straatnaambordje, een huis. Ze viel pas in slaap toen ze zeker wist dat ze de hele weg in haar geheugen had geprent.

De dag daarna vroeg Yui voor het eerst sinds de dood van haar moeder en haar dochter twee dagen vrij.

Ze startte haar auto, ging tanken, en nadat ze een compacte reeks opdrachten in de navigator had gezet, reed ze naar de tuin van Suzuki-san.

Als het niet het geluk was, dan zou in elk geval de opluchting een ding worden.

2

Muziekdraaiboek van die nacht tijdens Yui’s radioprogramma

Fakear, ‘Jonnhae Part 2’

Hans Zimmer, ‘Time’

Plaid, ‘Melifer’

Agnes Obel, ‘Stone’

Sakamoto Kyū, ‘Ue wo mite arukō’

The Cinematic Orchestra, ‘Arrival of the Birds’ & ‘Transformation’

Max Richter, ‘Mrs. Dalloway: In the Garden’

Vance Joy, ‘Call If You Need Me

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief