leesfragment

‘Dit gaat over Sarah’ van Pauline Delabroy-Allard

Hoe ver kun je gaan voor de liefde?

De verteller heeft een geordend, kalm leven. Ze werkt als lerares, heeft een dochter, vrienden, woont in Parijs. Haar dagen zijn hetzelfde, totdat ze op oudjaarsavond Sarah ontmoet. Een vrouw die hard en snel praat, vioolspeelt, een mysterieuze schoonheid is. Wanneer de twee meer en meer tijd met elkaar doorbrengen, ontstaat er tussen hen al snel een hartstochtelijke, maar ook destructieve liefde, die haar leven totaal ontregelt en waardoor ze de controle langzaam maar zeker verliest…

Lees hier alvast de eerste pagina’s van het bewerende liefdesverhaal Dit gaat over Sarah van Pauline Delabroy-Allard!

In de schemering van drie uur ’s ochtends doe ik mijn ogen open. Ik stik van de hitte, maar ik durf niet op te staan om het raam iets verder open te zetten. Ik lig in haar bed, in deze slaapkamer die ik zo goed ken, naast haar lichaam, dat eindelijk is ingeslapen na een lange strijd tegen de angsten die alles verteren, het hoofd, de buik, het hart. We hadden veel gepraat om ze af te houden, naar de randen van de nacht terug te drijven, we hadden gevreeën, ik had haar lichaam gestreeld om haar gerust te stellen. Ik had mijn hand over haar schouders en daarna over haar armen laten glijden, ik was tegen haar rug aan gekropen en had lang in het zachte vlees van haar billen geknepen. Ik had haar ademhaling in de gaten gehouden, wachtend tot haar korte adem lichter werd, haar gesnik minder werd, ze eindelijk rust vond.
Het is warm in deze kamer. Ik zou een beetje willen bewegen, wat lucht op mijn gezicht willen voelen. Maar mijn lichaam raakt dat van haar, haar hand ligt op mijn arm, en door te bewegen zou dit bouwwerk waaraan ik zo lang heb gewerkt kunnen gaan wankelen. Haar slaap is als een zandkasteel. Eén beweging en het stort in. Eén beweging en ze doet haar ogen wijd open. Eén beweging en ik moet weer helemaal opnieuw beginnen. Ik luister naar het geronk van haar slaperige ademhaling, ik moet er bijna van lachen van plezier, eindelijk is de vrolijkheid even terug. Ik zou de nacht willen opschorten en urenlang, dagenlang naar dit gebrom willen luisteren, want gebrom wil zeggen: ik leef, ik besta, ik ben er. En ik ben er ook, vlakbij.

Mijn gloeiende lichaam is volmaakt roerloos.
Mijn gloeiende lichaam is volmaakt roerloos. Als ik moet stikken van de hitte om het zandkasteel van haar slaap niet omver te gooien, dan stik ik graag van de hitte. Buiten, in die grijze nacht die ik door het raam gewaarword, zingen de vogels. Het lijken er wel duizend, ze tjilpen om het hardst, doorklieven als de allerbeste piloten de lucht alle kanten op. Deze verpletterend hete nacht is hun Quatorze Juillet, ze zijn naar hartenlust aan het stuntvliegen en verzinnen steeds gevaarlijker figuren. In de verre bomen begroeten de tortelduiven uit de banlieue de dageraad met hun schelle trillers. Ik kijk hoe hun silhouetten tegen de grauwe lucht voorbijschieten. Ik stik van de hitte. Ik wacht.

Ik draai mijn gezicht naar haar verstijfde lichaam, uitgestrekt op haar rug, volmaakt naakt. Ik bestudeer haar verfijnde enkels, de vooruitstekende botten van haar heupen, haar zachte buik en haar ranke armen, haar volle lippen, die flauwtjes glimlachen. Ik bekijk de kneuzingen van de ziekte op dit lichaam dat ik zo liefheb, de zwarte puntjes in haar buik, waarin steeds maar weer geprikt werd, het litteken bij haar oksel, het gat onder haar sleutelbeen. Ik bekijk haar rustige, volmaakt rustige gezicht, haar trotse kin, zelfs in haar slaap, haar fluweelzachte wangen, de vooruitstekende en verrassende lijn van haar neus, haar lichtpaarse oogleden, die eindelijk gesloten zijn. Ik bekijk haar compleet kale kop. In de schemering van drie uur ’s ochtends kijk ik hoe ze slaapt.

In deze klamme nacht lukt het me niet mijn ogen van haar naakte lichaam en haar wasbleke schedel te halen. Van haar dode silhouet.

I

1.

Dit gaat over Sarah, over haar unieke schoonheid, haar vooruitstekende neus als van een zeldzame soort, haar ogen van een buitengewone kleur, rotsachtig, groen, nee, toch niet groen, haar absintgroene, malachietgroene, dofgrijsgroene ogen, haar slangenogen met hangende oogleden. Dit gaat over het voorjaar waarin ze in mijn leven kwam zoals je opkomt op toneel, voortvarend, veroverend. Overwinnend.

2.

Het is een doodgewoon voorjaar, een voorjaar waar iedereen weemoedig van zou worden. In de Parijse plantsoenen staan de magnolia’s in bloei, en ik denk dat dat de harten schramt van de mensen die ze zien.

Het schramt mijn hart, die magnoliabloemen in de plantsoenen. Ik kijk er elke avond naar, als ik van school kom, en elke avond doen die grote bleke bloembladen een beetje pijn aan mijn ogen. Het is een doodgewoon voorjaar, met onverwachte buien, de geur van nat asfalt, een soort lichtheid in de lucht, een zuchtje vrolijkheid dat neuriet hoe kwetsbaar alles is.

Dat voorjaar loop ik rond als een schim.
Dat voorjaar loop ik rond als een schim. Ik leid een leven dat ik nooit gedacht had te leiden, een leven alleen met een kind van wie de vader zomaar verdwenen is. Op een dag, of eigenlijk een avond, verliet hij het appartement en toen. Toen niks meer. Zo kan er dus, van de ene op de andere dag, ik bedoel létterlijk van de ene op de andere dag, tussen twee mensen die al jaren van elkaar houden geen blik, geen woord, geen dialoog, geen gesprek, geen onenigheid, geen innigheid, geen tederheid, geen liefde meer zijn. Het is zo krankzinnig, zo ondenkbaar, dat het me van dag tot dag vormt. Ik denk dat het leven daar ophoudt. Ik hoop op niks en op niemand. Er is een nieuwe jongen in mijn leven, een Bulgaarse jongen. Als ik het over hem heb, dan zeg ik ‘mijn levensgezel’. Hij vergezelt me, dat is het, hij vergezelt me in dit treurige leven. Ik wacht. Een woord blijft op een vervelende manier in mijn hoofd hangen, het woord ‘latentie’. Ik zeg tegen mezelf dat ik de definitie ervan in het woordenboek moet op zoeken. Ik weet dat ik een moment van latentie doormaak. Ik weet niet hoe lang dat gaat duren en door welke gebeurtenis het zal stoppen. In de tussentijd lijken alle dagen een beetje op elkaar, van mijn plichten als jonge moeder en mijn plichten als jonge lerares tot mijn plichten als meisje, vriendin, geliefde van de jonge Bulgaar. Ik doe mijn best om mijn leven te leiden. Ik maak het niet echt mee. Maar ik ben een snelle leerling. Mijn tong is uitgestoken van de concentratie. Ik ben goedgekleed, beleefd, charmant. Ik doorkruis de straten van het 15e arrondissement per fiets, mijn kind in een stoeltje achterop. We gaan naar het museum, naar de film, naar de Jardin des Plantes. Ik vind mezelf mooi, ze zeggen dat ik aardig ben, zorgzaam. Ik roep geen extreme reacties op. Ik ben de moeder van een perfect kind, de lerares van buitengewone kinderen, de dochter van geweldige ouders. Het leven had nog heel lang zo door kunnen gaan. Een lange tunnel zonder verrassingen, zonder mysterie.

3.

Een schel belletje, als een zweepslag, midden in dit appartement, waarin een stijve sfeer heerst. We zijn piekfijn gekleed voor oudejaarsavond, drie stelletjes die tersluiks naar elkaar kijken, verbaasd daar te zijn, veel te gemaakt. Alles is gekunsteld: de inrichting van het appartement, de gespreksonderwerpen, de kleding van de gasten. Over alles is nagedacht. Ernstig. Streng. De bel lijkt de meubels op te schrikken, ze zijn er vast niet aan gewend. Gefluister. Het is Sarah, zegt iemand verheugd. Ik weet niet wie Sarah is. Jawel, zeggen ze, jullie hebben elkaar al eens ontmoet. Ze beschrijven de gelegenheid. Totaal geen herinnering. De gastvrouw gaat de deur van het appartement opendoen. Het is inderdaad Sarah. Ik herken haar niet.

Ze is te laat, buiten adem, ze lacht.
Ze is te laat, buiten adem, ze lacht. Het is een onverwachte wervelwind. Ze praat hard, snel, haalt een fles wijn uit haar tas, dingen om te eten, een overdaad aan spullen. Ze doet haar shawl af, trekt haar jas en handschoenen uit, zet haar muts af. Ze legt alles op de grond, op het crèmekleurige tapijt. Ze verontschuldigt zich, maakt grapjes, draait rond. Ze vloekt, met vulgaire woorden die lang nadat ze ze heeft uitgesproken nog in de lucht lijken te zweven. Ze is te luidruchtig. Er was niks, stilte, gekunsteld gelach, plechtige gezichten, en ineens is alleen zij er. Het is irritant. De gastvrouw fronst, in haar chique jurk. Sarah merkt het niet, ze geeft iedereen dikke pakkerds. Ze buigt voorover naar mij, ze ruikt naar de gekruide lucht van eind december. Ze heeft de rode wangen van iemand die zich heeft gehaast. Ze is veel te zwaar opgemaakt. Ze is niet bijster goedgekleed, ze heeft niet haar mooiste outfit aangetrokken, ze is niet elegant, ze heeft haar haren niet mooi vastgebonden. Ze praat veel, duikt op een glas wijn dat haar wordt aangereikt, huilt van het lachen bij iets grappigs. Ze is levendig, opgewonden, gepassioneerd.

Het is als een slow motion. Het glas glipt uit mijn hand, mijn levensgezel roept o nee, het glas draait rond in de lucht, iedereen kijkt, niemand kan iets doen, het is al te laat, het glas valt zonder geluid te pletter op het crèmekleurige tapijt, de hele inhoud vloeit weg en tekent een abstracte vorm af, rode wijn op het crèmekleurige tapijt, een mooi minimalistisch schilderij, ik word wit en daarna rood van schaamte, de gastvrouw foetert, in haar chique jurk, het is een ramp, een drama, die rode vlek op het crèmekleurige tapijt, een onvoorziene gebeurtenis, een ongeluk. Een doorbraak.

Later gaan we aan tafel. We zijn verrukt over het mooie tafelkleed, het mooie bestek, het mooie menu. Er is een tafelschikking. We zijn met zijn zevenen. De gastvrouw zegt wie waar zit, in haar chique jurk. Sarah zit naast mij. Rechts van mij.

4.

Ze is violiste. Ze rookt sigaretten. Ze is te zwaar opgemaakt, als je haar van dichtbij bekijkt is het nog erger. Ze praat hard, lacht veel, is op haar manier grappig. Ze gebruikt woorden die ik niet ken. Ze heeft haar eigen taaltje. Ze vermaakt zich met taal, ze bedenkt uitdrukkingen, ze rijmt voor de lol. Ze vertelt leuke dingen, verhalen vol verwikkelingen. Ze vertelt graag meer als ik erom vraag. Ze leeft. Tijdens het gesprek begrijp ik dat ze graag gezelschapspelletjes doet, in de bergen wandelt, met mensen zingt van wie ze houdt. Ze is al jaren in psychoanalyse. Ze gaat op de sofa liggen. Ze vindt dat vreemd, in een ijzige stilte over zichzelf praten. Toch gaat ze ernaar terug, ze denkt dat het belangrijk is. Twee keer, soms drie keer per week.

5.

Als we het pand in de kleine uurtjes verlaten, lopen we met z’n allen naar de dichtstbijzijnde metrohalte. Omhelzingen op de stoep, bij dat rare gevoel dat het de eerste dag van een nieuw jaar is. We brengen het gevallen glas al als een gedenkwaardige anekdote in herinnering, we draaien de film nogmaals af, voegen details toe, beschrijven het gefrons van de gastvrouw, in haar chique jurk.

Mijn levensgezel, als hij het over Sarah heeft: ‘Wat een grappig meisje is dat!’

 

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief