leesfragment

‘Dochters van een nieuwe tijd’ van Carmen Korn

Maak kennis met Dochters van een  nieuwe  tijd van Carmen Korn: het eerste deel in een trilogie die je onderdompelt in het Duitsland van de 20ste eeuw.

Lees hier alvast een fragment!

Dochters van een nieuwe tijd

Hamburg, 1919. De Eerste Wereldoorlog is eindelijk voorbij. Vier jonge vrouwen, Henny, Käthe, Lina en Ida, verschillen in karakter en afkomst, maar hopen allemaal op een nieuwe tijd. Samen zien ze de wereld transformeren: van de wederopbouw van Duitsland na een tragische nederlaag in de oorlog en de opkomst en ondergang van de Weimarrepubliek, tot de verschrikkingen van de naziheerschappij. De vier gaan hun eigen weg, maar er is iets wat hen verbindt: hun vriendschap.

Dochters van een nieuwe tijd dompelt je onder in de wereld van luxueuze danszalen, vermout, cocktails, opiumkelders en Chinese restaurants, totdat langzaam, maar onverbiddelijk, het einde van de vrijheid nadert door de opkomst van de nazi’s.

Leesfragment

Maart 1919

Henny keek op en spitste haar oren. Een geluid vol verlangen vond vanaf de binnenplaats zijn weg naar de tweede etage, een geluid vol verlangen zoals het slaan van een klok of het zingen van een merel. De zaterdagen van haar kinderjaren schoten haar te binnen. Zomerse zaterdagen. De glinstering in het water van de regenton. De witte bessen die ze van de struiken voor de achtermuur van de binnenplaats mocht plukken. De geur van de taart die haar moeder voor de zondag in de oven had staan. Haar vader die thuiskwam uit kantoor en zachtjes floot, terwijl hij zijn das losmaakte, de kraag van zijn overhemd losknoopte.

Henny liep naar het raam, opende het en luisterde naar het geluid dat al die beelden bij haar had opgeroepen. Het piepen van de oude schommel.

De donkere maanden van de winter waren voorbij en daarmee de donkere jaren van de oorlog.
Het was nog lang geen zomer. De kleine jongen op de schommel beneden droeg grofgebreide slobkousen en een kort jasje, de hemel boven hem was grijs, de struiken waren nog kaal. Maar aan de rand van het weiland liepen de eerste katjes al uit, er stonden lenteklokjes op het grasveldje en ook het licht leek hoopvoller te zijn dan nog maar een paar dagen geleden. De donkere maanden van de winter waren voorbij en daarmee de donkere jaren van de oorlog.

‘Je loopt nog steeds in je onderhemd, kind, en dan sta je daar nog in de tocht ook.’ Henny draaide zich om naar haar moeder, die de keuken was binnengekomen en naast haar kwam staan bij het raam. ‘Nog geen acht uur en dat mens van Lüders laat dat kind al op de binnenplaats spelen.’ Else Godhusen schudde haar hoofd. ‘Kom, maak een beetje voort. Er zit nog heet water in de ketel, dat giet ik voor je in een kom.’

Het kind gleed van de schommel en verdween uit Henny’s zicht. Waarschijnlijk was hij door de kelder het huis binnengegaan. De schommel zwaaide nog even na. Henny draaide zich om en liep naar de gootsteen, liet wat koud water bij het hete uit de ketel in de emaillen kom lopen en trok aan het stevige, witte katoenen gordijn met Engels borduurwerk dat tot vlak boven het linoleum van de vloer hing. De ringen van het gordijn gleden langs de ijzeren stang, het witte katoen toverde het midden van de keuken om tot een kleine séparée.

Die ijzeren stang had Henny’s vader vlak na haar twaalfde verjaardag aangebracht. ‘Het meidje ontwikkelt zich,’ had Heinrich Godhusen gezegd. ‘Dat gaat zo niet langer, dat ze aan de gootsteen staat en wij toekijken terwijl ze zich wast.’ Gisteren was Henny negentien geworden en haar vader was al een paar jaar dood. Gesneuveld in de Grote Oorlog.

Henny trok haar onderhemd uit en pakte de viooltjeszeep die op het schoteltje lag. Geen kriebelige oorlogszeep die amper vet bevatte maar waar wel van alles in vermalen zat, tot baksteen aan toe. Ze dompelde de kostbare zeep eventjes in het water en liet hem aandachtig van de ene hand in de andere glijden tot er een beetje schuim ontstond. Toen begon ze zich van top tot teen te wassen.

‘Dat kun je in de hele keuken ruiken,’ zei haar moeder met de trots van de gulle gever. De viooltjeszeep had op Henny’s cadeautafel gelegen, naast een vroedvrouwenkoffer, tweedehands maar nog in heel goede staat. Else had wat margarine opgeofferd om het donkere leer tot glanzen te brengen. ‘De toekomstige vroedvrouw,’ had ze gezegd. ‘Dat is nog mooier dan verpleegster. Wat zou je vader trots zijn geweest.’

Moeder en dochter hadden hem willen tegenhouden toen hij zich, achtendertig jaar oud, halsoverkop en vrijwillig had aangemeld voor de oorlog. ‘Je hoeft toch niet de held uit te hangen?’ had Else gezegd, maar Heinrich Godhusen was al aangestoken door de vaderlandslievende roes van augustus 1914 en had met zijn hoed gezwaaid. Niet die stijve, maar zijn lichte strohoed, waarmee je zo gemakkelijk kon zwaaien. Hoch lebe Deutschland. Hoch lebe der Kaiser. De blaaskapel speelde, in de geweerlopen zaten bloemen.

De oorlog in gegaan, gestorven, begraven in Mazurische aarde.
De oorlog in gegaan, gestorven, begraven in Mazurische aarde. Het tweede bataljon van het landweerregiment had al in september aan het oostfront gestaan. ‘De oorlog is de hel,’ had Heinrich aan Else geschreven. Maar daar wist Henny niets van.

‘Volgens mij was Käthe best een beetje jaloers op je koffer,’ zei Else. ‘Het zal mij benieuwen met wat voor buidel zij in de Finkenau komt aanzetten. En toch verbaast het me dat ze Käthe hebben aangenomen; ze kan zo slordig zijn op zichzelf. Het viel me meteen op dat haar nagels niet helemaal schoon waren.’

‘Mama, hou op,’ zei Henny van achter het gordijn. Käthe was al sinds haar kinderjaren haar allerbeste vriendin en had lang geaarzeld om zich ook aan te melden voor een opleidingsplaats. Vroedvrouw aan de Finkenau, die sinds vijf jaar gold als een van de beste kraaminstellingen in het hele land: dat leek Käthe, de maatschappelijk werkster, veel te hoog gegrepen.

‘Je kent Käthe al sinds ze zes jaar oud was, maar soms heb ik het idee dat je haar niet kunt uitstaan.’ Ze pakte het onderhemd dat ze over de stang had gehangen.

‘Je kunt rustig naakt tevoorschijn komen, je geneert je toch zeker niet voor je moeder? En in de keuken is het lekker warm.’

Henny schoof het gordijn opzij en stond daar in haar onderhemd. ‘Heb je gehoord wat ik zei?’

‘Heb ik niet je vaders laatste fles rijnwijn uit de kelder gehaald om die met Käthe en jou op te drinken?’

‘Maar mag je haar nou wel of niet?’

Henny’s moeder nam de tijd voor haar antwoord. ‘Ik mag Käthe wel,’ zei ze ten slotte, ‘maar jij bent gewoon veel verfijnder.’

 

‘Je moeder heeft hogere verwachtingen,’ had Käthe gisterenavond gezegd toen ze voor de huisdeur afscheid nam van Henny. ‘Om maar te zwijgen van haar vastgeroeste politieke denkbeelden.’

Het was begonnen als een vrolijke verjaardagsavond.
Het was begonnen als een vrolijke verjaardagsavond. Ze hadden de Oppenheimer Krötenbrunnen van 1912 opgedronken en sekt die al te oud was geweest en verkleurd. Ze hadden het glas geheven op Henny en op haar vader, dat hij in vrede mocht rusten, daarna was er op de toekomst geproost en op het vroedvrouwenbestaan. Ze hadden brood gegeten met gesnipperde ui erbij en ingelegde zure augurken uit een pot die Else tussen de lege weckpotten had gevonden.

‘Heinrich en ik hebben een keer bouillon besteld met echte goudblaadjes,’ had ze zwelgend in nostalgie verteld. ‘In Cölln’s Austernstuben. Je vader hield niet van oesters, die waren hem te vissig.’

‘Goud in de soep.’ Käthe had haar hoofd geschud. ‘In Hotel Reichshof hebben ze kleine Franse gebakjes met roze glazuur en gesuikerde amandelen. Die glimmen ook. Maar je kunt ze alleen zonder bon krijgen.’

‘Jij was altijd al dol op gebak.’ Het had beledigd geklonken, Else was graag nog wat langer in de vooroorlogse tijd blijven hangen. ‘Dat er alweer petitfours mogen zijn, terwijl wij nog maar pasgeleden met de Fransen in oorlog waren. Hoe kom jíj trouwens in Reichshof terecht, Käthe?’

‘Straks hebben we marmercake,’ had Henny snel gezegd om het gesprek uit de gevarenzone te halen.

‘Een klein cakeje maar. Ik had niet genoeg ingrediënten voor de grote cakevorm. Dat verdwijnt bij Käthe in haar holle kies.’ ‘Dan kunnen we dat maar beter niet aansnijden,’ had Käthe gezegd. ‘Dat is zo zonde van zo’n klein cakeje.’

Misschien was de sekt niet goed gevallen bij Else. Daar had Henny het in elk geval maar op gehouden toen haar moeder ineens dat lied had aangeheven.

Sie sollen ihn nicht haben, den freien deutschen Rhein.

Ob sie wie gier’ge Raben sich heiser danach schrein.

‘De oorlog was een misdaad,’ had Käthe midden in de tweede zin gezegd. ‘Alle volkeren hebben eronder geleden. En de keizer is een schoft.’

‘Er was ook veel hooggestemds. En in mijn keuken wens ik geen communistische toespraken, Käthe.’

Dat was het moment waarop de stemming was omgeslagen.

Terwijl Käthe de paar stappen naar haar huis in de Humboldtstraße liep, waar ze alleen met haar ouders woonde sinds haar kleine broertjes waren overleden, had Henny zich even overgegeven aan de droom van een eigen kamer. Een kamer zonder haar alomtegenwoordige moeder.

Het huis van de ander in het zicht, zo waren Käthe en zij opgegroeid.
Het huis van de ander in het zicht, zo waren Käthe en zij opgegroeid. Vlak voordat Henny naar de grote school ging, waren haar ouders verhuisd naar het hoekhuis van vier verdiepingen in Uhlenhorst, in het oosten, dicht bij Barmbeck. Al op de eerste dag op weg naar school was het kind met de zwarte vlechten en de scheve schort haar opgevallen. Käthe had net als Henny de traditionele grote puntzak met snoep bij zich gehad. Uit hun schooltassen hadden lappen gehangen waar de schrijfleien mee werden gewist. De lappen wapperden, de vlechten wapperden. Zwarte vlechten, blonde vlechten. Een stormachtige dag.

‘Moet je zien hoe slordig die haar schort heeft vastgebonden,’ had Else gezegd. Die scherpe blik, destijds al, en dat ongenadige oordeel over anderen.

Voordat ze gisteren naar bed waren gegaan, had haar moeder nog met luide stem drie lange strofen van dat vermaledijde lied gezongen en Henny was tot in haar slaap achtervolgd door de laatste regel.

Bis eine Flut begraben des letzten Manns Gebein.

De zin had genadeloos in haar nagegalmd en was pas voorgoed verdrongen door het gepiep van de schommel.

Henny trok het lichtgrijze kamgaren mantelpakje aan dat Else voor haar had gemaakt uit een kostuum van haar vader, met eronder de witte blouse met biesjes. Ze trok de knooplaarzen aan en knoopte ze dicht.

‘Je ziet er helemaal piekfijn uit voor de stad,’ zei Else. ‘Geniet nog een laatste keer van je vrijheid, maar zorg wel dat je voor het middageten weer terug bent.’

Henny drukte een kus op Elses wang en trok de deur achter zich dicht. Beneden op straat bleef ze staan en ze keek naar de tweede etage, zwaaide naar Else, die zoals altijd bij het raam stond. Toen bukte ze zich en knoopte een van haar zwarte laarzen opnieuw.

In de etalage van Salamander had ze pumps gezien. Zacht wildleder. Misschien zou ze zichzelf daarop trakteren ter ere van het begin van haar opleiding in de Finkenau. Lichtvoetig een nieuw leven in lopen. Weg van Else.

‘Op naar het begin!’ had Käthe gisterenavond gezegd, en ze had haar gebalde vuist geheven terwijl Henny haar vanuit de deuropening nakeek. Zes tot acht grote sprongen hadden ze als kinderen nodig gehad om van Henny’s huis op de hoek van de Schubertstraße naar dat van Käthe in de Humboldtstraße te komen, dat precies aan de overkant lag. Käthe had altijd de wildere sprongen gewaagd.

Een eigen kamer. Een deur die je kon afsluiten.
Een eigen kamer. Een deur die je kon afsluiten. Van haar loon als verpleegster had ze dat kunnen betalen, maar Else had haar niet willen laten gaan. Alleen al haar vertrek uit de ouderlijke slaapkamer, waar ze sinds het begin van de oorlog aan haar vaders kant van het bed had geslapen in plaats van op het opklapbed van haar kinderjaren, was uitgelopen op een krachtmeting.

Henny had de kleine woonkamer in beslag genomen, die blinkend gepoetst op belangrijke gelegenheden wachtte, en had zich teruggetrokken op de chaise longue, tot haar moeder er eindelijk mee had ingestemd dat ze het opklapbed van zolder haalde en in de woonkamer zette. Dat was de afgelopen winter geweest, en sindsdien was de sleutel van de kamerdeur onvindbaar.

Toen ze die ochtend naar de schommel stond te luisteren, was er nog een andere herinnering bij haar opgekomen. Aan de dode hommel die ze een keer op de binnenplaats had gevonden. De kleine Henny was verbijsterd geweest dat hommels in de zomer konden sterven. Haar vader had de hommel opgepakt en in zijn grote hand gelegd, toen was hij ermee naar het weiland gelopen en had hem daar begraven.

Haar zachtmoedige vader die was meegesleurd in de waanzin van de oorlog. ‘Ein feste Burg ist unser Gott’, had hij op zijn laatste dag thuis voor de scheerspiegel gezongen. Heinrich Godhusen werd vreselijk gemist door zijn dochter.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief