leesfragment

‘Dondersteen’ van Johan de Boose

Twee jaar na het succes van Het vloekhout – shortlist Libris Literatuurprijs 2019- komt Johan de Boose met een weergaloos nieuw boek, een diep onroerende roman over zijn vader.

Met enkel zichzelf als gezelschap reist de Boose in Dondersteen dwars door de VS. Hij is op weg naar de navel van de wereld, een oeroud landschap in Utah, om zijn overleden vader een laatste saluut te brengen. Halverwege houdt hij halt in Gardner, het door God verlaten stadje waar zijn boezemvriend en zwager Gary begraven ligt.
Al reizende spit Johan door zijn geheugen in een poging de herinneringen aan zijn overleden dierbaren in leven te houden. Zo ontstaat een rijkgeschakeerd portret van zijn vader, en ook Gary krijgt gestalte.
Dondersteen is een wondermooie roman vol warme melancholie over het omgaan met verlies. Het is een zoektocht naar verwantschap op een eenzame planeet en een fonkelend monument van een schrijvende zoon voor zijn vader. Lees hier alvast de eerste pagina’s.

LEEGTEVREES

Het is mijn ideaal om naar de kindertijd ‘toe te rijpen’. Dat zou pas echte rijpheid zijn. De verwerkelijking van het geniale tijdperk.

Bruno Schulz

Ik buig diep voorover zodat de grenswachter goed in mijn aars kan kijken en zeg: ‘Mijn kostbaarste spullen, officer, verstop ik gewoonlijk in mijn ziel. Die kunt u niet zien als ik vooroverbuig. Bij u wel soms?’

In mijn koffer zitten, behalve kleren, stapels foto’s en boeken. De zeldzame spullen neem ik mee in mijn handbagage: een buis met verglaasd zand, een stuk carraramarmer, de schedel van een Chinees aapje.

Ik ben ervan overtuigd dat ze me zullen uitkleden, afpellen en uitbenen, de smerissen van de security. Iedereen is immers verdacht tegenwoordig.

Het gaat verrassend makkelijk. Alleen mijn vingerafdrukken worden nauwgezet bekeken, en een hond snuffelt lang aan mijn broeksriem. De zeldzame spullen worden volstrekt genegeerd.

Voor ik het besef sta ik op buitenlandse bodem.

 Brussel rook naar regen en zuurkool. Atlanta, mijn tussenstop, rook naar een mix van duur en goedkoop, van Wc-eend en Paco Rabanne. Hier, op mijn bestemming, in het land van de moderniteit en de succesdroom, ruikt het naar heet, oud zand. Een nieuwe wereld die ruikt naar oude aarde.

Proudly serving the army here and abroad’, lees ik op een scherm boven de bagagecarrousel naast een foto van een grijnzende parachutist met een Thompson, een geweer dat zevenhonderd kogels per minuut afvuurt.

Bij de eerste bar die ik zie bestel ik Bud Light, frisdrank met biersmaak.
Bij de eerste bar die ik zie bestel ik Bud Light, frisdrank met biersmaak. Ik drink hem ad fundum leeg. Vervolgens een tweede, en een derde, met een shot zoete Canadian Mist whisky erbij.

Ik zet de apenkop voor me op mijn tafel. Een Zuid-Amerikaans meisje met een broek die nauwelijks haar billen bedekt tuurt met grote sperogen naar het schedeltje. Pas wanneer ze vlak bij me is gekomen zie ik dat ze zwanger is. Ze is niet ouder dan veertien.

Ik verlaat de kunstmatige lucht van het vliegveld. De avond valt, het is smoorheet.

De taxichauffeur, een albino met een stem als een gong, brengt me zes kilometer verder naar mijn bestemming.

‘Welkom in Hell Paso!’ zegt hij. ‘Welke babe wacht hier op je?’

‘Mijn vader,’ antwoord ik.

Mijn verwanten wonen in een buitenwijk van El Paso. Wij zien elkaar één keer in de twee, drie jaar. Zij komen naar Europa, of ik ga naar hen toe. Vroeger zagen we elkaar vaker. Het leven was goedkoper, er waren nog geen kinderen, of ze waren nog klein. De wereld was anders. Bovendien was er Gary, mijn zwager, een native American met een aanhalige, maar tegelijk heerszuchtige natuur. We noemden elkaar broer, bro, niet als koosnaam, maar omdat we zo vertrouwelijk met elkaar omgingen dat we ons echt broers voelden. Inmiddels is hij al tien jaar dood. Ik verhul de doodsoorzaak niet: hij heeft zich doodgezopen. Hij nam me mee naar de plek waar hij het liefst vertoefde, in de ruimte tussen leven en dood, met één voet in het graf, met de andere in de kroeg. Het heeft niet veel gescheeld of ik had hem vergezeld. Ik overleefde hem, denk ik soms, omdat ik een grens trok, waarachter ik hem niet toeliet, hoe innig onze band ook was. Hij stierf toen zijn hart explodeerde, maar het had ook zijn lever kunnen zijn. Ik was op reis toen ik het hoorde. Ik reis ongeveer zes maanden per jaar, dus dat was geen toeval, maar het gekke was dat ik het vernam terwijl ik me in het niemandsland van een vliegveld bevond: net ingecheckt, security doorstaan, wachtend op een vlucht, verveeld, een zee van tijd, pilsje in de hand, tobbend over een verhaal dat ik wilde schrijven.

Het heeft even geduurd voordat ik postuum iets over hem kon schrijven, maar hup, hierbij dan toch. Gary was een oermens, hij verdient een monument, opgetrokken uit duurzaam, kostbaar marmer. Of uit woorden, want wie schrijft heeft een directe verbinding met de doden.

Zijn familie is al die tijd in El Paso blijven wonen, hoewel ze die plek haten. Inmiddels hebben ze ermee leren leven: met de reddeloze hitte bijvoorbeeld, waardoor je het gevoel hebt vanbinnen te smelten, met de rednecks en de republican hawks, met de muur die rechtgeaard Amerika scheidt van ploertig Mexico, met de woestijn waarin dagelijks lijken worden gevonden, met de cowboynostalgie en, last but not least, met het accent dat klinkt alsof je erg plakkerige kauwgom in je mond hebt.

Mijn verwanten begroeten me allerhartelijkst in de deuropening van de bungalow. Ik krijg een kamer aan de achterkant van het huis, met een deur die uitkomt op de tuin, dat wil zeggen op twintig vierkante meter woestijngrond met sporen van zaai-experimenten. Ze weten dat ik niet lang blijf en kennen mijn missie: ik maak een reis naar het noorden, richting Midwest, via Colorado tot helemaal in Utah. Iedereen wil om allerlei redenen met me mee, maar ik moet dit alleen doen. Ik ben een eenzaat, sommige dingen kan ik uitsluitend doen als ik enkel mezelf als gezelschap heb.

In Gardner, een dorp in Colorado, ga ik Gary’s graf bezoeken.
In Gardner, een dorp in Colorado, ga ik Gary’s graf bezoeken, Gary is tien jaar geleden overleden. Ik heb een schuld in te lossen. De tijd dwingt me ertoe. Ik kan niet anders. Dat heb ik begrepen toen ik bij het opruimen een brief van hem terugvond, zes vellen, dicht beschreven, verzonden vanuit de Rio Grande County Jail in Del Norte, dat wil zeggen een gevangenis in Colorado.

Vervolgens reis ik door naar Moab, Utah, naar het graf van mijn vader. Hij is vijftien jaar geleden gestorven. Hij heeft me sindsdien nooit verlaten. Of liever, hij is me geregeld komen opzoeken in mijn dromen. Het is tijd om naar zijn rustplaats toe te gaan. Ik ben het hem verplicht.

De jetlag, het weerzien met mijn dierbaren en drie glazen champagne om onze liefde te vieren halen me onderuit. Ik slaap in als een otter, met het eerste zonlicht op mijn gelaat.

In mijn droom maak ik mijn vaders schedel schoon. Ik kook hem en berg hem in een glazen kastje op, met de biologische formule erbij, op exact de juiste plaats in zijn eigen natuurverzameling en met de correcte geboorte- en sterfdatum op de tijdlijn van de kosmos.

Tegen de avond kom ik uit bed. Schrijvers als ik zijn nacht uilen. De verbinding met de dood is makkelijker in het donker.

Ik praat met mijn schoonzus over haar man. Hoe fijngevoelig hij was, en toch ook lomp. Hoe onuitstaanbaar wreed hij kon zijn, en tegelijk charmant. Hoe hij vroeger was, hoe hij veranderde. Hoe hij was als vader, als minnaar, als broer. Hoe hij in de ban van de drank raakte. Hoe hij mij als enige vriend toeliet in zijn wereld. Hoe hij kon liegen. Hoezeer hij El Paso haatte. Hoe hij opbrandde. Het is een ritueel, telkens hetzelfde relaas, dezelfde feiten, met wat ranzige details erbij, en uiteindelijk weer die vorstelijke mantel der liefde eroverheen. Moge de steen – zoals de Romeinen zeiden – niet te zwaar wegen op zijn lichaam.

Mijn schoonzus en haar familie zijn warmhartige lieden.
Mijn schoonzus en haar familie zijn warmhartige lieden. Ze leiden een echt Amerikaans bestaan. Down to earth, no nonsense. Sporten om zeven uur ’s ochtends, koolhydraten tellen. Vroeg naar bed, vroeg weer op. Ik hou van hen, maar ze beschouwen me als een rare snijboon. Ze noemen me typisch Europees. Ze denken dat alle Europeanen leven zoals ik: ’s nachts, ongezond, tobberig, ongrijpbaar. Ik ben exotisch, en ik beschouw dat als een compliment.

Als de nacht bijna valt rijd ik met mijn huurauto naar een heuvel buiten de stad, op de glooiingen van de Sacramento Mountains, om me voor te bereiden op mijn aanstaande expeditie.

Ik ga op een veldje zitten. De stad, onder mij, lijkt een vreemde, te felle weerspiegeling van de Melkweg. Boven mijn hoofd zie ik niet alleen de sterren, maar ook de massa waar ze deel van uitmaken. Een dier met een gigantische staart trekt door de hemel. Het lijkt tot een kudde te behoren. Ik zoek de tekens die mijn vader me heeft geleerd.

Ik adem de woestijnlucht diep in. Ik ruik agave, de plant met de messcherpe bladeren die maar één keer in de zoveel jaar bloeit en het hoofdbestanddeel is van de godendrank genaamd tequila. Gary was dol op dat spul. De lichten in de stad flonkeren. De Rio Grande droogt langzaam op. In de loop der jaren heeft de mens de woestijn stap voor stap ingepalmd. De mensen die ik hier ken douchen twee keer per dag, besproeien hun hopeloze tuinen en wassen hun auto’s totdat ze er hun neus in kunnen spiegelen. Straks neemt de natuur wraak en verandert de stad opnieuw in een onherbergzame droogte.

‘On-her-berg-zaam,’ – mijn vader sprak graag nadrukkelijk.

In de struiken ritselen racoons, wasberen. Nu en dan sluipt er een tevoorschijn met vragende ogen in zijn zwarte masker. Ze zijn bang maar ook nieuwsgierig, en vooral vraatzuchtig.

Ik moet denken aan de gelukzoekers in de woestijn, in het grensgebied met Ciudad Juárez, achter de Muur. Sommigen worden teruggevonden met verschroeide gezichten, alsof ze met hun kop in het vuur zijn gevallen.

Ik rijd terug naar de bungalow en posteer me in de tuin op de patio, nadat iedereen al lang naar bed is gegaan, met foto’s, tequila, enkele boeken en mijn notities. En met het aapje, mijn bibelot. Ik teken een kaart met schaal 1/12.500.000. Mijn pink stemt overeen met honderd mijl. De Midwest, met de staten Colorado en Utah, ligt zes pinken noordwaarts, linea recta. Maar ik wil zigzaggend reizen. De zigzag is het boeiendst, zoals de bliksem, nooit recht op het doel af, scherp naar links en naar rechts, en des te trefzekerder.

Hoe later het wordt, hoe meer insecten me vergezellen: motten, muggen, een soort meikevers die doen denken aan vliegende kakkerlakken, en de gemeenste, hoornaars, paardenwespen. Ik sla er een dood met mijn schrift. Hij heeft geel bloed, de rotzak. In vaders boeken zag ik een uitvergrote kop van dit beest. Een grinnikend reuzenzwijn met tentakels. ‘Ieder wezen heeft zijn plek in de natuur,’ predikte vader, en: ‘De natuur is een leefgemeenschap met vele soorten.’

De tuin die geen tuin mag heten is afgebakend met een stenen muur. Achter de muur ligt een braakland. Gary vertelde me ooit dat het braakland door lokale bewoners wordt gebruikt als stortplaats. Het krioelt er naar verluidt van de wolfspinnen en de ratelslangen.

Helemaal alleen ben ik dus niet.

Gary keilde zijn lege bierblikken over het muurtje.
Gary keilde zijn lege bierblikken over het muurtje. Toen ik hem terechtwees, lachte hij hard.

Zes pinken, misschien zeven, verder is het niet. Het hele huis snurkt. Ik ijsbeer blootsvoets door mijn kamer, maar let op voor kleine, doorzichtige schorpioenen. Ik pak mijn koffer en ga op bed liggen. Ik kan niet slapen door de branderige rode bulten van de insecten op mijn huid en spit al tobbend mijn geheugen om.

Als de nacht op zijn diepst is, suf ik weg.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief