leesfragment

‘Dromen van de Karoo’ – Julia Blackburn (Leesfragment)

0

Dromen van de Karoo van Julia Blackburn vertelt het indrukwekkende verhaal van een nu uitgestorven volk. Blackburn schrijft op weergaloze wijze over de wreedheid van kolonisatie en wat het verleden ons kan leren over het heden.

In het vroege voorjaar van 2020 onderneemt de veelgeprezen auteur Julia Blackburn een reis naar de Karoo, de Zuid-Afrikaanse halfwoestijn. Al op jonge leeftijd raakte ze gefascineerd door een inheems volk genaamd de /Xam, dat in de negentiende eeuw op brute wijze door kolonisten werd verdreven. De cultuur van de /Xam was ten dode opgeschreven, maar twee Europese linguïsten zagen erop toe dat hun woorden, hun dromen en herinneringen werden vastgelegd. Meer dan honderdvijftig jaar later vormen die duizenden bladzijden aan notities nog steeds een indrukwekkende getuigenis van een inmiddels uitgestorven volk.
Door de dreiging van de wereldwijde pandemie ziet Blackburn zich gedwongen haar reis na enkele weken te staken. In haar onverwachte isolement in haar huis in Suffolk vindt ze steun bij de verhalen van de /Xam, een volk dat zichzelf zag als niet meer dan een klein onderdeel van de alomvattende natuur. Hun levensbeschouwing kende een enorme waardigheid toe aan alles wat hen omgaf: de doden en de levenden, de dieren en de dingen, de wind en de regen, de maan en de sterren.

Lees hier al een fragment uit Dromen van de Karoo:

 

Toen ik naar een manier zocht om dit boek in te stappen moest ik steeds denken aan een schaapherder die ik kende in een bergvallei in Noord-Wales. Hij declameerde wat volgens hem het oudste gedicht uit Wales was en in gedachten zie ik hem nog op zijn land staan en de taal van zijn volk spreken, voor mij een ondoorgrondelijke maar indrukwekkende aaneenschakeling van klanken. Daarna kwam hij met een vrije vertaling:

Er waren eens vijfhonderd tevreden mensen die werden aangevallen en vergiftigd

en daarna heerste er rust en vrede.

Dat gedicht verwarde me, wat misschien de reden is dat ik het heb onthouden. Die mensen zonder naam leken niemand kwaad te doen, dus waarom waren ze dan gedood, en hadden ze het dan werkelijk geen van allen overleefd: de mannen, de vrouwen en de kinderen, misschien zelfs hun honden en kippen? Was hun tevredenheid een misdrijf geweest, of speelde er iets anders, zoals de aanwezigheid van goud of zilver in de grond onder hun voeten, het groene gras waarop ze hun kuddes hielden of het eenvoudige feit van hun bestaan, hun aanwezigheid op die plek? En spoken hun zielen daar nog steeds rond, kwellen ze degenen die voor hen in de plaats kwamen?

Een groep Bosjesmannen, een volk van jagers-verzamelaars dat bekendstaat als de /Xam (een naam die wordt uitgesproken met een klik tegen het verhemelte, gevolgd door een harde g), bewoonde ooit het hele centrale binnenland van Zuid-Afrika; ten noorden en ten westen daarvan leefden andere groepen Bosjesmannen. Geen enkel ander volk op aarde kende zo’n grote genetische diversiteit en ze worden gezien als de voorouders van ons allemaal.

Hun schilderingen en gravures zijn zeker tienduizend jaar oud, en tegenwoordig kan men een deel daarvan zelfs terugvoeren tot vijftigduizend jaar geleden.

De /Xam beschouwden zichzelf als niet meer dan een klein onderdeel van de gecompliceerde wereld der natuur. ‘Alle dingen zijn ooit mensen geweest,’ zeiden ze, en vanuit die overtuiging verleenden ze een stem en een waardigheid aan alles wat hen omgaf: de doden en de levenden, de vogels, de dieren, de insecten en de planten, de wind en de regen, de maan en de sterren. Alles had een verhaal, als je maar kon luisteren.

De taal van de /Xam, en daarmee hun kijk op de wereld en op de rol die ze daarin speelden, en op de ontwikkelingen die tot gevolg hadden dat het hele volk werd uitgeroeid, zijn alleen bewaard gebleven dankzij het werk van Wilhelm Bleek (1827-1875), een filoloog van Duitse herkomst, en zijn Engelse schoonzus Lucy Lloyd (1834-1914). Bleek woonde met zijn familie in Kaapstad en werkte als conservator voor de Sir George Gray Library, maar daarnaast verdiepte  hij zich ook in de taal en cultuur van de /Xam, waarmee hij kennismaakte dankzij een handjevol gedetineerden uit de plaatselijke gevangenis, die hij op zeker moment in huis  nam. Lucy Lloyd, de zus van zijn vrouw, werkte met hem samen en na zijn vroege dood zette ze dat werk nog negenendertig jaar voort. Maar terwijl de belangstelling van Bleek altijd nogal academisch van karakter was geweest, nam zij steeds meer de rol op zich van notulist, iemand die alles vastlegde waarover de /Xam wilden praten, of het nu hun dromen of herinneringen waren, hun verwachtingen voor de toekomst of hun commentaar op de omstandigheden waarin ze leefden. Dus al is het archief in eerste instantie verbonden aan de naam van Wilhelm Bleek, Lucy Lloyd is degene die het merendeel van de 12.000 bladzijden aantekeningen heeft gemaakt en het is aan haar te danken dat de stem van de /Xam zo goed bewaard is gebleven.

 

I

Het jaar was 1974 en ik was verhuisd naar een verlaten pakhuis waar ooit kratten thee werden opgeslagen, geïmporteerd uit onze Britse koloniën. De ramen met hun metalen kozijnen waren bevlekt met het vuil van de stad en de houten vloer lag bezaaid met het gruis van de thee. Overal om me heen stonden achtergebleven voorwerpen en meubelstukken: een tafel, een rol touw, een geëmailleerde theepot, een hoge kast met daarop in witte sjabloonletters pat pat pat en een lijvig, in linnen gebonden grootboek waarin stond opgetekend wanneer een pot thee was gezet met de bladeren van een nieuwe zending en hoe de kwaliteit daarvan werd beoordeeld. De laatste aantekening luidde: ‘Theeproeverij opgeschort wegens uitbraak van de oorlog’, een gruwelijk feit, onderstreept met de metalen punt van een kroontjespen.

Ik zou willen dat ik het grootboek bewaard had, inclusief het onmiddellijke, onverwachte drama waarvan het getuigde, maar helaas. Het was zwaar en log en uiteindelijk raakte ik het kwijt, net als nog veel meer.

In dat pakhuis werkte ik aan een boek getiteld The White Man. Het was een verhalenbundel over hoe gekoloniseerde volkeren tegen de westerse beschaving aankeken. Sommige van die verhalen waren bijna komisch: God droeg een hoge hoed en woonde in een fabriek genaamd Duitsland, het paradijs was een plek waar onmetelijke hoeveelheden blikvloer en zakken rijst vandaan kwamen, maar aan dat alles lag telkens weer het thema van een aangetast landschap ten grondslag en het einde van een hele manier van leven, en van de middelen waarmee een volk in zijn levensonderhoud voorzag, of dat nu in Afrika was of op de Noordpool, in Papoea-Nieuw-Guinea of Nieuw-Zeeland. Zoals Joseph Conrad het uitdrukte in Heart of Darkness kwam het koloniale proces erop neer dat die nieuwe landen van al hun schatten werden beroofd, en wel met ‘nauwelijks meer hooggestemde bedoelingen dan van inbrekers die een brandkast kraken’.

De manier waarop ik me in dat onderwerp verdiepte was hapsnap, toen al. Ik was lid van de openbare bibliotheek in Londen en liep langs kilometers aan boekenplanken om elk boek open te slaan waaraan mijn blik bleef haken. Een van de verdiepingen was gewijd aan wetenschappelijk en divers werk en op de afdeling Antropologie en Etnografie stuitte ik op Specimens of Bushman Folklore van Wilhelm Bleek en Lucy Lloyd, gepubliceerd in Londen in 1911.

Ik herinner me nog dat ik het boek van de plank tilde: hoe ongelooflijk zwaar het was, die stramme boekband van groen linnen, het dikke papier. Toen ik het opensloeg, zag ik een raadselachtige taal die wemelde van de uitroeptekens, streepjes en markeringstekens, vergezeld door vreemde, haperende vertalingen van verhalen en observaties, liedjes en herinneringen. Vrijwel meteen had ik het gevoel een wereld te worden binnengezogen die in niets leek op wat ik kende.

De Bosjesmannen voelen iets kloppen in hun lichaam als er andere mensen aan komen (…) een man houdt zich helemaal stil als hij iets voelt kloppen  in  zijn  lichaam (…) de Bosjesmannen voelen dat er mensen komen door toedoen daarvan (…) een man voelt een andere man die eraan komt. Hij zegt tot zijn kinderen: kijk om je heen, want het lijkt erop dat grootvader eraan komt, daarom voel ik de plek op zijn lichaam waar hij een oude wond heeft (…) Hij voelt iets tegen zijn ribben kloppen. Hij zegt tot de kinderen: het lijkt erop dat de springbok komt, want ik heb het springbokgevoel. (//Kabbo)

Het boek was geïllustreerd met tekeningen van vogels en dieren, planten en mensen, en ook met kaarten en schematische voorstellingen, met bijvoorbeeld een dunne stippellijn die een reeks struisvogelveren moest voorstellen, verbonden aan stokken en bedoeld om een kudde springbokken de kant van de jagers op te drijven, die klaarlagen op de plek waar die lijn van veren naar binnen krulde. Er waren ook zwart-witfoto’s van alle /Xam van wie de woorden waren vastgelegd.

Ik nam het boek mee naar huis en omdat niemand anders ernaar vroeg kon ik de uitleentermijn steeds verlengen. In de periode van 4 november 1974 tot 9 januari 1979 las ik het keer op keer, zodat sommige teksten een verband aangingen met mijn eigen herinneringen en ervaringen. Ik wierp geregeld een blik op de strenge, autoritaire gezichtsuitdrukking van een oude man genaamd //Kabbo, de introspectieve ernst van /A!kunta, de schoonheid van /Hanǂkass’o, de droevige weemoed van Dia!kwain, en na verloop van tijd waren ze me net zo vertrouwd als de portretten van mijn eigen verre en ondoorgrondelijke voorouders.

En toen ik vrij kort geleden die bibliotheek weer eens opzocht, vond ik Specimens of Bushman Folklore terug op de plek waar het altijd gestaan had en leende ik het opnieuw, verwelkomde het boek bij mij thuis als een zwerfkat die heel lang was weggeweest. Het boek ligt nu voor me, strekt zich als het ware eens goed uit en op het schutblad zie ik nog altijd het verhaal van onze eerste kennismaking in de vorm van twee lange kolommen met datumstempels.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief