leesfragment

‘Duizend duivels’ van Frank Goldammer

Voor de liefhebbers van Robert Harris en Philipp Kerr is er nu een nieuwe thriller van Frank Goldammer Duizend duivels, het tweede deel in de Max Heller-serie. Lees hier alvast de eerste pagina’s!

Het verhaal

Twee jaar na de vuurstorm die het historische centrum van Dresden verwoestte, is de stad in de ban van een koude winter. Hoofdinspecteur Max Heller wordt opgeroepen om naar de plek van een brute moord te gaan. Een Russische officier is neergestoken, en naast diens bevroren lichaam ligt een tas met daarin het afgehouwen hoofd van een andere man. Is er een seriemoordenaar actief? Of heeft de Rus misschien zelf iemand vermoord? Max Heller gaat op onderzoek uit, maar wordt snel tegengewerkt door hoge officieren van beide kampen. Hellers zoektocht brengt hem op het spoor van corruptie en moord in de hoogste kringen van Dresden.

Fragment

6 februari 1947, ’s ochtends

Heller stapte uit de auto en stak zijn handen in de zakken van zijn lange jas. Zijn adem kristalliseerde voor zijn gezicht, zijn ogen traanden van de vorst. De sneeuw op de stoep, die er al een paar dagen lag, was vastgelopen en glad. De uitgeknipte stukken karton die als inlegzolen dienden, konden niet verhinderen dat de kou in zijn voeten trok. Zijn gezicht was nog steeds rood. Hij had zich met moeizaam ontdooid, nog veel te koud water en huishoudzeep geschoren. Zijn maag knorde. Hij had de snee brood bewaard die Karin bij het ontbijt voor hem had klaargelegd, om hem ’s middags bij de dunne soep te eten die je tegenwoordig in de gaarkeuken kreeg. Zo zou hij tenminste een fatsoenlijke maaltijd hebben, in plaats van twee halve. Die avond maakte Karin dan weer meelsoep – zoals bijna elke dag. Heller vond hem weerzinwekkend. En dat terwijl hij blij zou moeten zijn. Mevrouw Marquart, bij wie ze inwoonden sinds ze in ’45 hun woning uit waren gebombardeerd, had connecties met een melkboer.

Nu boog hij zich voorover om een blik in de zwarte Ford Eifel te werpen. Hij snoof geërgerd en gooide het portier dicht. Hij had zijn sjaal inderhaast op het bureau laten liggen. Dus sloeg hij de kraag van zijn jas op en trok de oude platte pet ver over zijn voorhoofd.

Het was bitterkoud.
Het was bitterkoud. Als je de thermometer thuis bij het keukenraam mocht geloven, dan was het voor zonsopgang minstens min vijfentwintig graden geweest. Geen wonder dat de waterleiding was bevroren. Op de ramen van hun slaapkamer waren ’s nachts ijsbloemen verschenen.

Hij zette een paar voorzichtige stappen op de gladde straat. Een groep mensen belemmerde hem het zicht. Een Russische militaire vrachtwagen stond dwars op de Bautzner Straße, die parallel liep aan de Elbe, en zelfs de trams moesten blijven staan. Veel passagiers waren uit de overvolle rijtuigen gestapt om te kijken, maar niemand durfde bij de Russen te klagen.

Inmiddels was ook Oldenbusch uit de auto gestapt en sloeg het linkerportier dicht. Vanwege de kou wreef hij zich in zijn handen en stapte van het ene been op het andere.

‘Kameraad hoofdinspecteur!’ zei een geüniformeerde agent van de volkspolitie, die een bruine legerjas droeg, en hij baande zich een weg door de menigte die zich boven aan de steile oever van de Elbe had gevormd. Toen salueerde hij voor Heller.

Heller groette door zijn vingers even naar zijn platte pet te brengen. Hij weigerde hardnekkig de politiepet met klep te dragen. Hij zat bij de recherche en niet bij het leger. Maar zijn nieuwe jas had hij dankbaar aanvaard. Karin kon nu zijn oude dragen, en dat was bij deze temperaturen hard nodig, zelfs binnenshuis.

Onder de helling strekten zich de besneeuwde weilanden uit. De sneeuw lag niet zo hoog, hier en daar staken er nog grashalmen uit het wit. Op de Elbe, die op dit punt bijna tweehonderd meter verder lag, dreven kleine ijsschotsen.

‘Hoelang zijn ze er al?’ vroeg Heller en hij knikte naar de vrachtwagen met de rode ster op het linkerportier.

‘Net aangekomen, ik ben bang dat er niets meer voor u te doen is.’ De agent haalde verontschuldigend zijn schouders op.

Dat had Heller al gedacht en hij was niet bijzonder teleurgesteld. Toch wilde hij proberen nog een blik op het slachtoffer te werpen. ‘Maak de weg vrij. Werner, hiernaartoe!’

‘Doorlopen, en snel een beetje!’
‘Verspreiden!’ gelastte de agent de mensen. ‘Doorlopen, en snel een beetje!’

Onwillig gingen de omstanders opzij.

‘Moment!’ riep Heller naar de twee Sovjetsoldaten, die de dode op een brancard wilden wegbrengen. Die droeg het uniform van de Russische strijdkrachten, zijn gezicht was bedekt met een jas. Heller hief zijn hand op en versperde de soldaten de weg.

‘Stoj! Recherche.’ De twee Russen bleven staan en keken vragend naar hun chef, een jonge, Aziatisch uitziende man, die energiek met zijn hand zwaaide en beval om de dode naar de vrachtwagen te brengen. Toen richtte hij zich tot Heller.

‘Niet uw werk, kameraad. Ons werk. Do svidanja!’

Heller liet het erbij. Het had geen zin om te discussiëren, dat wist hij.

‘Waar lag het lijk?’ vroeg Heller in plaats daarvan aan de agent.

‘Dat zal ik u laten zien,’ zei de man dienstvaardig en hij liep in de richting van de oever. Hij wees op een struik ongeveer drie meter onder hen.

‘Daarom hebben ze hem niet eerder gevonden,’ zei Heller peinzend.

‘Een man die moest plassen, heeft hem ontdekt. Toen was het al bijna licht. Zo tegen achten. Hij lag daar ondersteboven, en zijn benen…’

Heller onderbrak de agent en kon hem er nog juist van afhouden om ter verduidelijking van de situatie naar beneden te klimmen. Dat was het werk van Oldenbusch.

‘Inspecteur Oldenbusch, hierheen alsjeblieft!’ Heller sloeg een formele toon aan en wees naar een paar bloeddruppels in de sneeuw. ‘Kun je bij deze kou een foto maken?’

Oldenbusch knikte. ‘Ik denk het wel.’

Heller keek om zich heen en wierp een misprijzende blik op de menigte, die zich niet wilde verspreiden. De vrachtwagen stond er nog steeds, de motor wilde blijkbaar niet starten. Er ontstond ingehouden hilariteit onder de toeschouwers. Heller concentreerde zich weer op de vindplaats van het lijk en keek kritisch naar de steile oever en de voetsporen van de Russische soldaten. Ze waren plompverloren door de met bloed doordrenkte sneeuw gelopen.

‘Extreem bloedverlies,’ constateerde Heller.
‘Extreem bloedverlies,’ constateerde Heller. Het donkere spoor leidde naar de bosjes beneden. Heller zette een paar stappen terug van de rand van de oever, om te constateren dat je de struik vanaf de straat inderdaad alleen kon zien als je vlak bij de rand stond.

‘De man die de dode heeft gevonden? Waar is hij?’ vroeg Heller.

‘Die is weg. We hebben zijn persoonsgegevens genoteerd, zodat hij naar zijn werk kon gaan.’

Heller bekeek de donkere plek in de sneeuw. ‘Heeft u de dode nog gezien? Kon de doodsoorzaak worden vastgesteld?’

Nog steeds was de motor van de vrachtwagen niet gestart. Heel even overwoog Heller of hij van de gelegenheid gebruik moest maken om toch nog even naar het lijk te kijken, maar de jonge Sovjetofficier had zich duidelijk uitgedrukt.

De agent knikte. ‘Hij is direct in zijn halsslagader gestoken, hij was niet meer te redden. Zoiets heb ik vroeger meer dan eens gezien.’

Heller wist wat hij daarmee bedoelde. In de oorlog.

‘Een ruzie tussen Russen onderling, neem ik aan. Dat maken we elke dag mee. Ze bedrinken zich en gaan op de vuist. En soms blijft het daar niet bij.’

Heller knikte geërgerd, hij had de man niet naar zijn mening gevraagd. De motor van de vrachtwagen sprong aan, maar sloeg meteen weer af. De soldaten maakten ruzie, terwijl de officier naast het voertuig stond te roken.

‘Officieren ook? De dode was toch een officier,’ protesteerde Oldenbusch.

‘Waarom niet?’ De agent haalde zijn schouders op. ‘Hé, wegwezen daar!’ riep hij vervolgens naar een paar jongens die probeerden de helling af te dalen om een blik op de enorme bloedvlek te werpen, die de sneeuw in was gesijpeld en daar was bevroren.

Heller haalde zijn notitieblokje en potlood tevoorschijn en maakte voorzichtigheidshalve een grove schets. Het was bitterkoud en hij wist niet zeker of Oldenbusch’ oude fototoestel bij deze temperatuur wel zou functioneren.

‘Ik neem aan dat hij hier is overvallen, op straat, en toen is gestruikeld, naar beneden is gevallen en in de struiken is doodgebloed. Werner, je moet toch proberen om sporen te vinden.’

Werner, je moet toch proberen om sporen te vinden.’
Oldenbusch snoof, kroop een paar meter de helling af en nam nog twee foto’s. Toen klom hij met enige moeite weer naar boven. ‘Hadden we maar een schoenafdruk van de dode, dan zou ik kunnen uitzoeken uit welke richting het slachtoffer kwam.’

Heller keek een tweede keer om naar de legertruck. ‘Kun je geen foto van de profielen van zijn laarzen nemen? Ze staan er nog.’

‘Ik zal het de kameraden eens vragen,’ mompelde Oldenbusch en hij beende weg. Heller duwde zijn handen weer in zijn jaszakken en liet zijn blik over het dal van de Elbe dwalen. De ochtendzon scheen over de ruïnes aan de andere kant. Het licht liet de door de sneeuw bepoederde restanten van muren en stapels bakstenen roze oplichten.

‘Bijna mooi,’ merkte de geüniformeerde man op.

Heller keek hem aan en fronste. De agent tilde zijn hand op en wees ter verduidelijking naar de ruïnes. Heller wist niet of hij geërgerd of geamuseerd moest reageren. Hij schudde zijn hoofd. Merkwaardig, wat de mensen zo dachten.

‘Het heeft geen zin,’ merkte Oldenbusch op, toen hij was teruggekeerd. Op dat moment kwam achter hen de motor van de vrachtwagen op gang, die onder herhaaldelijk luid gebrul zwarte wolken uitlaatgas uitbraakte. Een paar toeschouwers applaudisseerden bijna honend. De Russen waren niet geliefd en deden ook niets om zich geliefd te maken. Heller wist dat het hun goed recht was, maar in orde was het niet. ‘Onder Adolf hadden we altijd boter,’ had laatst een vrouw in de rij voor de ruilcentrale tegen hem gefluisterd. Hij had geen antwoord gegeven. Er viel zoveel te zeggen, waar moest hij beginnen?

Toen reed de vrachtwagen weg en de trambestuurder liet zijn bel rinkelen om de passagiers te laten weten dat ze moesten instappen.

‘De Russen zagen er het nut niet van in.’ Oldenbusch klonk gelaten. ‘Het is zinloos om hier nog een seconde van onze tijd te verspillen. Zouden we ons niet liever met de overval op de kolenboer bezighouden?’

‘Waarschijnlijk heb je gelijk, Werner.’

‘Wegwezen, zei ik!’ riep de agent opeens weer. ‘Die snotneuzen!’

Heller keek omlaag. Verder naar beneden, waar het struikgewas dichter werd, hadden zich kennelijk een paar nieuwsgierige jongens verstopt. Tussen de struiken zag je een paar mensen takken verzamelen. Elk twijgje, elk stuk hout was nodig voor de kachel. Zelfs trapleuningen en uitstalkasten werden gestolen, tuinstoelen en hekken. Bovendien had Heller gezien dat ze in de Großer Garten al waren begonnen bomen om te hakken. En de winter was nog lang niet afgelopen. Ook verderop bij de Körnerweg en op de brede weides langs de oever was het een drukte van belang. Veel mensen waren aan het wroeten in de sneeuw in de hoop klaver of paardenbloemen te vinden. Heller vond het een deprimerende aanblik.

‘Kom mee, Werner, laten we verdwijnen zodra de weg vrij is.’

‘Zal ik op de vindplaats verder zoeken naar bewijzen?’
‘Zal ik op de vindplaats verder zoeken naar bewijzen?’ vroeg de man in uniform.

Heller dacht even na en schudde toen zijn hoofd. De Russen lieten zich toch niet in de kaart kijken, als ze niet eens toestonden dat de zool van de laars van de dode werd gefotografeerd.

‘Meld u bij uw bureau of ga verder met uw ronde. Goedendag. Ingerukt mars!’ beval Heller de agent.

Deze salueerde en vertrok. Heller liep naar de auto en stapte in. Oldenbusch liet zich met zijn volle gewicht naast hem op de bestuurdersstoel ploffen en startte de motor.

Mismoedig keek Heller naar een paar mensen die, zodra de politieman was vertrokken, nieuwsgierig naar de vindplaats van het lijk liepen.

‘Alsof ze al niet genoeg ellende hebben gezien,’ mompelde hij, hoewel hij zich had voorgenomen dat soort commentaar achterwege te laten.

‘Nou, de zon schijnt tenminste,’ probeerde Oldenbusch het humeur van zijn chef op te vijzelen en hij wilde al naar de eerste versnelling schakelen.

Toen raakte Heller zijn arm aan. ‘We blijven nog tot de tram is weggereden.’

Oldenbusch leunde achterover en sloeg zijn armen over elkaar. De mannen wachtten. De tram zat weer vol. Inmiddels was de volgende al gearriveerd, en ook uit tegengestelde richting stopte er een volgens dienstregeling bij de voorgeschreven halte. Veel mensen waren uitgestapt, en sommige bleven staan en keken nieuwsgierig naar de meute bij de oever.

Opeens viel Heller iemand op die schijnbaar toevallig, maar als je goed keek doelbewust tussen de mensen door gleed en op de oever afstevende. Ze interesseerde zich duidelijk niet voor wat er om haar heen gebeurde. Ze droeg een jas, die ooit een legerjas kon zijn geweest, en bewoog zich ondanks haar klaarblijkelijke corpulentie verbazend lichtvoetig. Het zag eruit alsof de jas alleen was opgevuld. Heller stootte Oldenbusch aan en wees naar de dame.

Van dichtbij ontpopte de persoon zich als een jonge vrouw, bijna nog een meisje. Ze liep vlak langs de politiewagen en Heller moest zich omdraaien om haar verder te kunnen observeren. Nu bleef ze staan en keek langs de helling omlaag. Opeens bewoog ze snel naar voren en liep met kleine pasjes de helling af.

Om beter te kunnen zien wat ze deed, opende Heller het portier en stapte uit. De jonge vrouw was al bijna tien meter naar beneden geklommen, langs de bosjes waar de dode had gelegen, en stond vlak bij een haag. Ze bukte zich en probeerde iets naar zich toe te trekken. Het was een rugzak. Een van de schouderbanden was aan de doornstruik blijven hangen.

‘Stop!’ riep Heller. De vrouw keek geschrokken omhoog.
‘Stop!’ riep Heller. De vrouw keek geschrokken omhoog.

‘Laat liggen!’ beval Heller.

Oldenbusch kwam naast hem staan. ‘Denk je dat die van de Rus is geweest?’

‘Goed mogelijk,’ antwoordde Heller kortaf en hij klom ook haastig de helling af.

‘Politie! Laat liggen.’ Heller had de rugzak al beet, maar de vrouw wilde haar vondst niet afstaan. Ze trok er wild aan, en heroverde de rugzak omdat Heller met zijn klamme vingers zijn houvast had verloren. Ze wilde snel de helling verder afrennen, maar gleed uit en viel. Inmiddels had Oldenbusch Heller ingehaald, gleed met een voet naar voren over de bevroren ondergrond, terwijl hij met de andere probeerde zijn evenwicht te bewaren. De vrouw was overeind gekrabbeld, maar Oldenbusch was al bij haar en hield de rugzak aan een van de riemen vast.

Met een woedend gegrom, bijna als van een dier, liet de vrouw los en struikelde, half glijdend, half rennend, het steile terrein af. Toen ze beneden was aangekomen, keek ze nog eens gejaagd achterom en rende vervolgens over de Körnerweg naar het centrum. Oldenbusch achtervolgde haar nog ruim honderd meter, waarbij de rugzak in zijn hand wild heen en weer slingerde, maar het was duidelijk dat hij haar niet zou in halen.

‘Werner, laat maar!’ riep Heller, maar het ergerde hem dat zijn assistent het meisje niet had kunnen aanhouden. Hij had graag geweten wie ze was geweest.

Oldenbusch kwam terug en zuchtte toen hij naar de ongeveer twintig steile en gladde meters keek die hij weer omhoog moest klauteren. Hijgend overhandigde hij Heller, die halverwege geduldig had staan wachten, de rugzak.

Heller was verbaasd hoe zwaar die was. Hij zette hem neer en maakte het koord los. Toen zoog hij de lucht tussen zijn tanden naar binnen.

Twee troebele ogen staarden hem aan. Hij zag een neus vol geronnen bloed, dun haar, oren waaruit bloed was gelopen dat allang was gestold. In de rugzak zat een mannenhoofd.

Heller ademde langzaam uit. Toen maakte hij de rugzak helemaal open en bekeek het hoofd beter, zonder het aan te raken.

Oldenbusch, die over zijn schouder had meegekeken, floot zacht. Heller keek de rechercheur verwijtend aan.

‘Excuus,’ mompelde Oldenbusch.

‘Is dat een rugzak van Russische herkomst?’
‘Is dat een rugzak van Russische herkomst?’

Oldenbusch schudde zijn hoofd, bukte zich, pakte de klep van de rugzak en wees naar een label aan de binnenkant. Daarop was een hand met een opgeheven wijsvinger en het woord Deuter te zien. ‘Die is Duits.’

‘Hoeft niets te betekenen.’ Heller ging staan en keek om zich heen.

‘En hier, op het etiket, staan ingenaaide initialen. IK of SK’

Heller had zijn notitieboekje tevoorschijn gehaald en noteerde het, maar hij wist: in tijden dat iedereen stal van iedereen en pakte wat hij pakken kon, of het voor een maaltijd inwisselde, betekende dat eigenlijk niets.

‘Hij zou hem verloren kunnen hebben toen hij viel. De rugzak is daarna verder naar beneden gegleden,’ speculeerde Oldenbusch.

‘Is er bloed te zien van de Rus?’ vroeg Heller.

Oldenbusch bekeek de rugzak van alle kanten, maar schudde toen zijn hoofd. ‘Misschien had hij hem in zijn hand en liet hem los toen hij werd aangevallen.’

‘En het meisje?’

‘Dat is alleen toevallig langsgekomen, heeft de rugzak gezien en wilde hem meenemen,’ gokte Oldenbusch.

Heller reageerde niet, maar bekeek de rugzak nog een keer en tilde hem voorzichtig op. De stof was niet doordrenkt met bloed, hoewel het hoofd niet in papier of een doek was gewikkeld. Hij zette de rugzak weer neer. Waarom zou een Sovjetofficier ’s nachts met een afgehouwen hoofd in een rugzak over straat lopen? Waarom was hij zelf vermoord? En waarom had de moordenaar van de officier de rugzak laten liggen? Had hij misschien niets van de inhoud geweten? Of zouden ze echt toevallig op dezelfde plek hebben gelegen, de dode Sovjetofficier en de rugzak met het afgehakte hoofd? Niet erg waarschijnlijk.

Heller trok resoluut het koord van de rugzak dicht, sloeg de klep om en pakte hem bij de draagband. De kou sloeg hem op de nieren en zijn vingers waren stijf bevroren, maar Oldenbusch was nog verhit van de korte achtervolging en Heller wilde niet riskeren dat hij ziek zou worden.

‘Werner, breng me naar het ministerie van Justitie.’
‘Werner, breng me naar het ministerie van Justitie.’

‘Bedoel je het bureau van de commandant?’

‘Ja, ik wil kijken of ik bij de SMAD nog iets kan bereiken in verband met de dode. Dan moet je proberen uit te zoeken of er de afgelopen dagen een lijk zonder hoofd is gemeld. En geef me de camera.’

Oldenbusch keek omlaag naar het fototoestel dat voor zijn borst hing. Met zichtbare tegenzin trok hij de riemen over zijn hoofd en overhandigde Heller de camera.

‘Het eerste retinamodel van Kodak, gebouwd in ’35. Beloof me dat je er voorzichtig mee bent…’

‘Werner, ik heb vroeger ook zo’n camera gehad.’

Vroeger, dat was voor 13 februari 1945. Die dag hadden ze letterlijk alles verloren, afgezien van de kleren die ze hadden gedragen – en hun leven. Maar Heller had nergens over getreurd, niet over de camera, niet over zijn radio, niet over de mooie vitrine, de fotolijst met de foto’s van zijn ouders, niet eens over de foto’s van zijn zoons. Dat ze in leven waren gebleven, was meer dan ze die nacht hadden durven hopen.

‘Ik bedoel alleen…’ mompelde Oldenbusch. ‘Ik was al blij dat ik er eentje had opgeduikeld.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief