leesfragment

‘Een tomeloze tijd’ van Stephen Fry

Na Een jongensleven en De collegejaren zijn de memoires van Stephen Fry met Een tomeloze tijd nu compleet! Je leest hier alvast de eerste twee hoofdstukken.

Stephen Fry was nog maar amper dertig jaar toen hij het als cabaretier, acteur en schrijver al helemaal had gemaakt. Hij werd bekend met tv-series als A Bit of Fry and Laurie, Blackadder en Jeeves and Wooster en hij brak door met zijn roman De leugenaar. De wereld lag aan zijn voeten en niets was hem te gek. Wat kon er in hemelsnaam misgaan? Overdag stortte hij zich op zijn werk, ’s avonds gaf hij zich over aan het feestgedruis van de high society, waar allerlei spannende middelen rondgingen. Stephen ging er volledig in op en raakte al snel verslaafd. In Een tomeloze tijd doet Stephen Fry openhartig verslag van een duizelingwekkende periode uit zijn leven, een tijd die hem bijna fataal werd.

Hoofdstuk een

Showbizzmemoires vormen niet per se prettige leesstof. Een chronologische opsomming van successen, fiasco’s en blindelings ingeslagen zijwegen naar nieuwe terreinen is op zichzelf al tamelijk saai. Daarnaast zit je met het probleem hoe je beschrijvingen van vak- en tijdgenoten moet inkleden:

‘Ze was een genót om mee samen te werken, ongelóóflijk geestig en altijd even opgewekt en tactvol. Iedereen die haar kende, adoréérde haar.’

‘Ik was volkomen gefascineerd door zijn talent, hoe jalóérsmakend hij excelleerde in alles wat hij ondernam. Hij had een bepaalde luminositeit, een zekere transcendentie.’

‘Ze maakte altijd tijd voor haar fans, hoe opdringerig die soms ook konden zijn.’

‘Wat een volmáákt huwelijk hadden die twee, en wat een ideále ouders waren het. Een gouden koppel.’

Het bovenstaande zou een in alle opzichten accurate karakterschets kunnen zijn van acteurs, tv-presentatoren of regisseurs, waarbij ik alleen hun seriële veelwijverij, hun chronische huiselijk geweld, orgiastische sm-fetisjen en adembenemende inname van drank, poeder en pillen onvermeld liet.

Mag ik me ongenadig, schroeiend openhartig uitlaten over andermans leven?
Mag ik me ongenadig, schroeiend openhartig uitlaten over andermans leven? Me ongenadig, schroeiend openhartig uitlaten over mijn eigen leven vind ik geen probleem, maar ik heb het gewoon niet in me om op straat te gooien dat, ik noem maar iemand, producer Ariadne Bristowe een vals en vilein takkenwijf is dat om de haverklap onschuldige assistenten de laan uit stuurt, enkel omdat hun blik haar niet aanstaat; of dat Mike G. Wilbraham eerst de geluidsman moet pijpen terwijl hij de assistent-cameraman bevingert voor hij er überhaupt over piekert om zich voor een bepaalde scène te prepareren. Al die dingen zijn waar, natuurlijk, maar gelukkig bestaat Ariadne Bristowe niet en Mike G. Wilbraham evenmin. OF TOCH…?

De acteur Rupert Everett slaagt er in zijn autobiografische werk in om bijtend te zijn op wat je een Twee Diersoortenmanier zou kunnen noemen: honds én kattig. Het resultaat is hilarisch, maar ik ben veel te beducht voor wat anderen van me vinden om zo te kunnen schrijven. Dat gezegd hebbend, kan ik beide delen van zijn autobiografie/memoires van harte aanbevelen: Red Carpets and Other Banana Skins en Vanished Years. Ideale lectuur voor vakanties en feestdagen.

Maar goed, nu moet ik bedenken hoe ik dit derde relaas van mijn leven aan je ga presenteren. Ik ben de eerste om te erkennen dat het uitbrengen van dit boek zo ijdel en narcistisch is als maar kan: het dérde deel van mijn levensverhaal? Er zijn legio volstrekt verdienstelijke ééndelige biografieën van Napoleon, Socrates, Jezus, Churchill, ja, zelfs Katie Price. Met welk broekbesmeurend recht meen ik een vermoeid lezerspubliek te mogen lastigvallen met nóg een stroom anekdotes, muize- en bekentenissen? Het eerste deel was een terugblik op mijn jongensjaren, het tweede een kroniek van mijn studietijd en de fortuinlijke aaneenrijging van omstandigheden die ertoe heeft geleid dat ik van toneel, tv en schrijven mijn stiel heb kunnen maken. Tussen het einde van dat tweede boek en nu, dit moment, het moment dat ik deze zin typ, ligt een kwarteeuw van rondwemelen op radio en tv en in films, van schrijven, op diverse manieren in de problemen raken, me ontpoppen als representant van een psychische aandoening, Twitter, homoseksualiteit, atheïsme, irritante alomtegenwoordigheid en elke activiteit waarmee je mij maar in verband wilt brengen.

Ik ga ervan uit dat jij, omdat je dit boek hebt opengeslagen, min of meer weet wie ik ben. Ik ben me terdege bewust – hoe zou ik dat niet kunnen zijn? – dat als je bekend bent, iedereen altijd een mening over je heeft. Zo zijn er mensen die spontaan over hun nek gaan als ze mij zien. Ik lees geen kranten en word op straat niet gewelddadig bejegend, maar ik weet best dat heel wat Britten, en elders in de wereld zal dat niet anders zijn, me verwaand, aandachtsgeil, nep, zelfingenomen, opgeblazen, pseudo-intellectueel en ondraaglijk irritant vinden: onuitstaanbaar, om kort te gaan. Daar kan ik heel goed in komen. Anderzijds zijn er ook mensen die me goedbedoeld met hun onstuimige enthousiasme het schaamrood naar de kaken jagen; ze bedelven me onder lof en schrijven me eigenschappen toe die naar het goddelijke neigen.

Mijn oogmerk is dat er tijdens al dat gespring van de hak op de tak een chronologisch verhaal ontstaat.
Dit moet geen boek worden waarin ootmoed de boventoon voert. Over eind jaren tachtig en begin jaren negentig valt een hoop te vertellen, en de manier waarop ik dat doe zal wellicht enigszins meanderend op je overkomen. Mijn oogmerk is dat er tijdens al dat gespring van de hak op de tak een chronologisch verhaal ontstaat. Onvermijdelijk zul je anekdotes over het privéleven van deze of gene tegenkomen, maar het gaat me erom je een inkijkje te geven in míjn privéleven, niet in dat van anderen. Ik acht mezelf onbekwaam in het leiden van een normaal leven. Misschien is dat de reden voor mijn onvergeeflijke hybris om de mensheid een derde autobiografisch boek aan te doen. Misschien vind ik hier eindelijk mijn leven, in dit struikgewas van woorden, iets wat me kennelijk niet lukt buiten de cocon waarin ik nu, al schrijvende, verkeer. Ik, een toetsenbord, een muis, een beeldscherm en verder niets. Alleen plas pauzes, espresso’s en af en toe een snelle blik op mijn Twitterpagina en mijn inbox. Ik kan dit uren achtereen doen, in mijn eentje. Zó in mijn eentje dat mijn stem, als ik iemand moet bellen, vaak schor en krakerig klinkt omdat ik dagenlang geen mens heb gesproken.

Goed, op weg nu; waarheen?

Dat gaan we samen ontdekken.

 

Waar waren we gebleven?

Ik heb een terugkerende droom. Om drie uur ’s nachts wordt er aangebeld. Ik sleur mezelf uit bed en druk op de intercom.

‘Meneer, politie. Wilt u ons binnenlaten?’

‘Zeker, zeker.’ Ik zoem de heren binnen. Een reeks aanklachten die ik maar half versta wordt me psalmodiërend toegezongen. Ik word gearresteerd en in de boeien geslagen. Het gaat heel gehaast en plotseling, maar ook volkomen gemoedelijk. Een agent vraagt of hij met me op de foto mag.

Cut (zoals dromen zo filmisch doen) naar een rechtszaal, waar een aanzienlijk minder meelevende rechter me veroordeelt tot een halfjaar dwangarbeid. Hij noemt het stuitend dat iemand die zoveel beter zou moeten weten zo’n stom delict heeft gepleegd en zo’n deplorabel voorbeeld geeft aan beïnvloedbare jongeren die geheel ten onrechte wellicht naar hem zouden opkijken. De rechter betreurt het dat hij me maar een halfjaar kan geven, zegt hij, maar hij moet zich aan de wettelijke strafmaat houden.

Onder gejuich en gejouw word ik via de politiecellen een overvalbusje in geleid; het blijkt luxueus ingericht en rijk voorzien van kristallen glazen, ijsemmers en een verbluffend assortiment sterkedrank.

‘Ik zou het er maar van nemen, Stephen. Voor jou voorlopig geen neutjes meer.’

Ik arriveer bij het huis van bewaring.
Ik arriveer bij het huis van bewaring. Alle gedetineerden staan me op te wachten. Hun welkom is oorverdovend en klinkt allerminst dreigend.

Een enorme eetzaal. In een gigantische wide shotzet ik me neer om te gaan eten, à la Cody Jarrett/James Cagney in White Heat. Dan zien we mij in mid-shotachter mijn etensblad, koeltjes en onverstoorbaar als Tim Robbins’ leeftijdloze Andy Dufresne.

Het is duidelijk dat ik niet in de bak zit vanwege een vreselijk seksueel of financieel vergrijp dat me slaag en pesterijen van mijn medegedetineerden zal opleveren. Ik heb iets gedaan wat niet mag, wat ‘de samenleving’ afkeurt, maar door criminelen en zelfs de politie geamuseerd wordt vergoelijkt.

Kranten worden bij me weggehouden. Ik zou er maar van uit mijn doen raken, krijg ik te horen. Heel vreemd allemaal.

Ik krijg bezoek van vrienden. Die blijven altijd aan de andere kant van het scherm. Hugh en Jo Laurie. Mijn eerste geliefde Kim Harris. Mijn literair agent Anthony en mijn theateragent Christian. Mijn zusje en personal assistant Jo. Ze houden iets voor me achter, maar ik voel me senang in de gevangenis en heb juist met hén te doen, want zij moeten terug naar de wereld van biznizz en druk-druk-druk.

Ik boen de gang met een elektrisch wrijfapparaat. Het heeft twee draaiende schijven voorzien van licht schurende pads. Ik vind het leuk om het apparaat als een drilboor vast te houden, de weerstand onder me te voelen, hoe ik moet zorgen dat het niet uit mijn handen vliegt terwijl het als een gretige hond aan de riem trekt. De vloer blinkt als een spiegel. Ik ben helemaal in mijn knollentuin.

Een ouwe vent komt op me toegelopen, hoestend achter zijn stijf gerolde shagje, dat op en neer wipt als hij praat. Hij heeft een brief zien liggen in de kamer van de directeur, die hij dagelijks pledget en schoonmaakt. Mijn detentie is verlengd. Ik kom hier nooit meer weg.

Ik vind het prima. Heel prima.

Ik word wakker, of de droom sputtert uit of gaat over in iets vreemds en geks en anders.

Echt een verhaal om droomduiding op los te laten.
Echt een verhaal om droomduiding op los te laten. Mijn dagelijks leven is een gevangenis, dus zou een echte gevangenis een bevrijding betekenen. Dat zou de flitspitch zijn, zoals ze in Hollywood zeggen. Ik ben iemand die, net als heel veel Britten van een bepaalde stand, vrijwel vanaf de wieg geïnstitutionaliseerd is. Kostschool gaat over in Oxbridge-colleges die overgaan in het rechtswezen of de bbc, of, voor anderen, in regimenten of oorlogsschepen of het Lager- of Hogerhuis of een koninklijk paleis of Albany of de clubs aan Pall Mall en St James’s. Heel masculien allemaal, heel Angelsaksisch (van tijd tot tijd lieten ze een Jood of twee toe – racisme is immers vulgair), allemaal heel gezellig, absurd en uit de tijd. Als je echt een inkijkje wilt in deze wereld in zijn laatste gloriejaren, vlak voor mijn geboorte, lees dan de eerste acht of negen hoofdstukken van Moonraker, een James Bond-boek, maar met een begin dat tegelijkertijd hilarisch, messcherp geobserveerd, kwijlwaardig ambitieus en kippenvel bezorgend spannend is.

In mijn tweede boek met jeugdherinneringen, De collegejaren (eerder verschenen als De Fry Kronieken), en daarvóór in Een jongensleven doe ik de observatie dat ik kennelijk al mijn hele leven geobsedeerd ben door ‘erbij horen’. Voor de helft, schrijf ik in Een jongensleven, hunker ik ernaar om deel uit te maken van de groep; voor de andere helft hunker ik er juist naar om dat níét te doen. Al die clubs waarvan ik lid ben – zes zogenoemde herenclubs en Joost mag weten hoeveel Soho-stijl mediakroegen – zijn een duidelijk bewijs van een ziel op zoek naar zijn plekje in de Britse samenleving. Misschien is de gevangenis wel de ultieme plek voor mensen zoals ik.

‘Dat is nou geïnstituusjonaliseerd zijn,’ zegt Morgan Free- man/Red in The Shawshank Redemption, de lievelingsfilm van elke sterveling op aarde.

Ik ben huiverig voor interpretaties. Ik weiger mijn leven en mijn motieven te interpreteren, want daarvoor ben ik niet gekwalificeerd. Doe jij dat maar, als je het niet laten kunt. Wellicht vind je mij en mijn levensverhaal weerzinwekkend, fascinerend, illustratief voor een voorbije tijd, kenmerkend voor een groep die door de tijd is ingehaald. Er zijn allerlei manieren om naar mij en mijn verhaal te kijken.

Als je iemand wilt vervelen, moet je hem je dromen vertellen. Volgens mij ben ik niet helemaal goed begonnen. Ik verzoek bij voorbaat om coulance, want al wil ik niet claimen dat deze memoires ook maar iets experimenteels hebben, ik wil je vragen voorbereid te zijn op enig heen en weer springen in de tijd. De ervaring van het schrijven over deze periode in mijn leven heeft zelf iets van een droom: onverwacht, bizar, weerzinwekkend, beangstigend, ongelooflijk, en zowel glashelder als gekmakend versluierd. Het is, denk ik, mijn taak in deze verre van goddelijke komedie om als Vergilius te fungeren voor jouw Dante, je zo koersvast en teder als ik kan te leiden door de ringen van mijn persoonlijke hel, vagevuur en hemel. In wat hier volgt zal ik proberen de waarheid zo getrouw mogelijk weer te geven; interpretaties, en motivaties in het algemeen, laat ik over aan jou.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief