leesfragment

‘Een verloren vriendin’ van Raffaella Romagnolo

De twee vriendinnen Giulia en Anita groeien samen op in een Italiaans boerendorpje. Hun leven is niet gemakkelijk: ze moeten hard werken in de zijdespinnerij en verdienen maar een paar centen. En dan besluit Giulia de heuvels van Piëmont te verlaten, alleen en zonder geld, zonder afscheid te nemen. Ze vertrekt naar New York. Anita blijft achter in Italië, en wordt in het verwoeste Europa geconfronteerd met de waanzin van de oorlog en het fascisme.

Bijna vijftig jaar later besluit Giulia terug te keren naar haar geboortedorp. Hoe zou het leven van de mensen van wie ze hield verlopen zijn?

Lees hier alvast de eerste pagina’s van Een verloren vriendin van Rafaella Romagnolo. Heerlijk leesvoer voor de fans van Elena Ferrante!

1

Het verleden bestaat niet, denkt Mrs Giulia Masca voor het vergrendelde paleis. Diezelfde gedachte schoot ook al door haar heen toen ze op het eersteklasdek uit haar hut stapte en ineens werd omarmd door het grote lijf van de haven van Genua, wit van het licht en zwart van het roet.

Ze kan maar beter niet op haar geheugen vertrouwen, want ze herinnert zich alles verkeerd: de pier, de gebouwen, de weg die de heuvels op voert, het profiel van het gebergte, het sponsachtige groen van de kastanjebomen, de scheve rijen, en ook het naargeestige silhouet van Borgo di Dentro, het paadje, de geur en nu ook deze voordeur.

Voor alle duidelijkheid: de dingen zijn nog hetzelfde.
Voor alle duidelijkheid: de dingen zijn nog hetzelfde. Alsof de tijd niet de moeite heeft genomen om ook hier even langs te gaan. Nieuw, en verrassend, is eerder de consistentie van de werkelijkheid. Lichter? Gewichtloos? En ook de afmetingen: volgens Mrs Giulia Masca zou de voordeur van het paleis groter moeten zijn. Veel groter. Ze had het durven zweren op haar zoon Michael, die aan het eind van de straat op haar wacht, samen met de chauffeur die hen in de haven stond op te wachten en voor de van boord komende passagiers een bordje met de tekst liberos goceri omhooghield.

Sukkels. Wat een sukkels, die Italianen, analfabeten. Libero’s Grocery! Ze kunnen nog geen naam overschrijven van een briefhoofd! Ze balt haar gehandschoende vuisten en kijkt van onder de rand van haar hoed omhoog. Ze zoekt een teken. Woont er nog iemand? Piepkleine, diepliggende raampjes, een armzalige, vervallen voorgevel. Zelf is ze door de jaren heen gekrompen, dus het zou voor haar nu juist allemaal extra groot moeten lijken. Daar heeft ze zich op voorbereid. Al vijfenveertig jaar lang. En dan die weggevreten plekken rond de hengsels, de spijkers met diamantkop, de krauwen van hondenpoten, de knaagsporen van houtwormen en ratten: die herinnert ze zich, maar ze herkent ze niet. Zijn het dezelfde?

Ze moet niet te lang treuzelen, Michael moet vanavond rond etenstijd in Milaan zijn: meer dan tweehonderd kilometer over wegen die er vast niet al te best aan toe zijn. De oorlog kennen ze alleen uit de kranten, maar door de raampjes van de Aprilia heeft Mrs Giulia Masca zich wel een idee gevormd en ze beseft dat haar zoon geen plezierreisje voor de boeg heeft.

Voordat ze een hotel voor de nacht ging zoeken – er was een hotel, dat weet ze zeker – wilde ze eerst even langs het paleis. Weemoed, natuurlijk. Dat is de leeftijd. En nu staat ze vreemd te kijken van dit… niets. Wat had ze dan verwacht, een spandoek met welkom erop? De fanfare, majorettes? Of had ze misschien binnen willen kijken, toestemming vragen aan de nieuwe bewoners? Neem me niet kwalijk, ik heb hier gewoond, sterker nog, ik ben hier geboren, op de eerste verdieping, op de houten brits: mag ik even binnenkomen? Ligt dat matras van maisbladeren er nog? En zou zij, Mrs Giulia Masca uit Mulberry Street, daar ooit nog op kunnen slapen?

In de eerste klas van de lagere school liet de meester hen altijd in koor opdreunen: Borgo di Dentro verrijst / op een rotsuitloper / bij de samenvloeiing / van de rivieren Orba en Stura / op honderdzevenennegentig meter / boven zeeniveau. De kleine Giulia had geen idee wat een rotsuitloper of een samenvloeiing was, en een dergelijke plek heeft ze sowieso nooit meer ergens gezien. Een handvol huizen met daaronder water. Groenige, stinkende poelen in de zomer, draaikolken in de herfst en lente, ijs in de winter, overal water. Niet genoeg om een boot te nemen en ervandoor te gaan, maar wel genoeg om dijken en fundamenten aan te tasten. Waarom zou je op zo’n plek gaan wonen?

Om uit Borgo di Dentro te ontsnappen zijn er twee mogelijkheden.
Om uit Borgo di Dentro te ontsnappen zijn er twee mogelijkheden. De eerste is langs de noordkant: van het plein op het lagergelegen plateau van de rotsuitloper, via de bruggen over de twee stromen, die daar als gespreide armen liggen vóór de samenvloeiing. Aan het plein had een kasteel moeten staan, aangezien het de Piazza Castello heet, maar Mrs Giulia Masca denkt dat de samenvloeiing dat stukje bij beetje heeft opgeslokt. Ze herinnert zich sowieso geen torentjes of kantelen, enkel het tramstation. Op de Piazza Castello kun je namelijk de tram nemen en ontsnappen over de eerste brug, die de Stura overspant. Of je neemt de andere brug, over de Orba. Maar dat is alsof je via de achterdeur vertrekt, er is niks heroisch aan. Eigenlijk vindt ze ‘bruggen’ ook al een te groot woord. Brooklyn is een brug. Queensboro, Williamsburg.

De tweede mogelijkheid is ontsnappen in zuidelijke richting. Dat is wat zij vijfenveertig jaar geleden deed: op een ochtend in februari keerde ze Borgo di Dentro de rug toe, liep ze dwars door de nieuwe stad en weg was ze, de heuvels in. Maar een plek met een berg als voornaamste vluchtroute heeft iets opgeslotens, iets erbarmelijks.

Langs de twee riviertjes wemelt het van de werkplaatsen, smederijen, watermolens, looierijen, weverijen. Ook nu hoort Mrs Giulia Masca het kabaal. Zou Spinnerij Salvi er nog staan? Die lag honderdtwintig stappen en zestien treden lager dan het paleis, de kant van de Stura op. Als het niet al zo laat was, zou ze het paadje inslaan en naar beneden lopen om te gaan kijken. Zou het dak zijn ingestort? Zouden de muren nog overeind staan?

New York veroudert niet. Op een goede dag wordt ergens een omheining neergezet, een bord opgehangen, en een maand later staat er op de plaats van de oude een nieuwe skyscraper. Wolkenkrabber, of eigenlijk ‘hemelkrabber’: de hemel boven Manhattan, de eerste keer dat ze die beneden vanaf de stoep zag, ingeklemd tussen glanzende hoekige gevels, had ze het gevoel gehad dat die hemel elk moment uit elkaar kon barsten en kon neerstorten op de straat, de etalages, de hotdogverkopers, het bankje van de schoenpoetser, de grote massa mensen die zich druk pratend voortbewoog, tegen haar aan botste, haar negeerde. Maar Spinnerij Salvi?

‘How does it feel, mama?’ Ze wist niet wat ze moest zeggen.
Morgen gaat ze die kant wel op om een kijkje te nemen, Michael is toch niet voor etenstijd terug. Onderweg had haar zoon, terwijl hij door het autoraampje naar buiten keek, onophoudelijk vragen gesteld. Hij deed zijn best om de namen die Mrs Giulia Masca een voor een uit haar geheugen opdiepte in het Italiaans te herhalen. Punta Martin, Monte Tobbio, Madonna della Guardia, Borgo di Dentro, palazzo reale. ‘How does it feel, mama?’ Ze wist niet wat ze moest zeggen. Nu legt ze haar hand tegen de deur, weifelend of ze zal kloppen of niet, en in gedachten ziet ze zichzelf weer staan als jonge meid, voor een andere gesloten poort. Ze was twintig – twintig, dat weet ze zeker, want het was eind 1900, de ochtend van 23 november – en aan het hek van Spinnerij Salvi hing een rond houten bord, de onderkant van een vat, waar met rode letters op stond:

GESLOTEN WEGENS WERKZAAMHEDEN

‘Verdomme.’

Zo praatte haar moeder Assunta. Verdomme. Klote. Hoer. Zeikstraal. Kut. Slet. De eerste keer dat Giulia tijdens de gymles op school het woord ‘kont’ zei, legde meester Olivieri de les stil, trok het Spaanse rietje achter zijn broekriem vandaan, zei dat ze haar vingers moest spreiden, de rug van de hand naar het plafond van de gymzaal met de klimrekken, en sloeg hij haar zeven keer. Dus legde de kleine Giulia zichzelf één regel op: nooit woorden gebruiken die ze alleen haar moeder hoorde zeggen.

‘Verdomme, verdomme, verdomme,’ herhaalt Assunta, en ze slaat met haar vlakke hand tegen het bord. Ze praat in halve zinnen. Na een paar woorden moet ze hoesten en geeft ze slijm op, niet altijd in haar zakdoek.

Anita Leone is ook bij hen. ‘Het is vast door een schilder gedaan,’ zegt die terwijl ze met een vinger over de sierlijke vuurrode letters strijkt.

Ze is op dezelfde dag als Giulia geboren, er zit nog geen uur tussen. Ze is beschouwend van aard, heeft een originele blik die op details let, dingen ziet die anderen niet zien. Nuances, alternatieven, uitvluchten. En ze heeft ogen als scherven obsidiaan, een donkere, glanzende teint, een zachte, stevige huid. Haar zou niemand ooit voor een Ierse hoer kunnen aanzien (het zou nooit bij Anita opkomen om met een mes in de hand duidelijk te maken hoe de zaken ervoor stonden). Een Mexicaanse puta dan misschien? Niet met die gespannen schouders, die houding, bij haar zou niemand in de fout gaan. Haar vriendin Anita. Een lafbek en een bedriegster. Daarom is Mrs Giulia Masca teruggekomen, toch?

Haar vriendin Anita. Een lafbek en een bedriegster.
Assunta negeert Anita, zoals altijd. Ze begrijpt haar niet. Ze noemt haar ‘de prinses’, of ‘de hertogin’, of ‘La Bela Rosin’, naar de minnares van Victor Emanuel, of ‘Koningin Taytu’, ook al staan ze bij Spinnerij Salvi alle drie aan de teilen. Hetzelfde werk, gelijk loon. Assunta hoest nog eens, wrijft over haar handen, ruw van drieënvijftig jaar gloeiend heet water, gekookte rupsen en getwijnde draad, en stopt ze onder haar oksels, huiverend in haar linnen mantel.

Giulia staat intussen te rekenen. Ze rekent al sinds het begin van de staking, elf dagen geleden: een dag bij Salvi duurt 12 uur en is goed voor 80 cent. Een kom soep met een kwart brood in de gaarkeuken kost 15 cent (10 cent voor alleen soep); een stuk stijfsel voor het strijken van de was: 20 cent; een ritje met de tram naar Novi Ligure (een retourtje): 40 cent. Voor een kilo rundvlees ben je het loon van een hele dag kwijt, en kalfsvlees kost 1 lire en 40 cent, dus het loon van bijna twee dagen. Een kaartje voor een dansfeest? Afhankelijk van het soort feest tussen de 40 en de 50 cent. Ze weet de prijs van alle dingen die ze zich niet kan veroorloven.

Sinds het begin van de staking is het verlies 8 lire en 80 cent schoon, maal twee is 17 lire en 60 cent, want ze zijn met twee garenspinsters thuis. Giulia’s vader is gestorven toen zij net van de lagere school kwam, en niemand die om hem treurt. Giulia heeft een boekhoudersgeest, dat heeft ze van haar moeder, die niet kan lezen maar wel meteen doorheeft hoe de vork in de steel zit en nu haar ogen in die van haar dochter boort. ‘Heb je nou je zin?’ snauwt ze. Dan keert ze de meiden de rug toe en loopt terug naar het paleis.

‘Gaat ze niet mee?’ vraagt Anita. Giulia maakt een gebaar alsof ze wil zeggen: Blij toe. Ze hadden met hun drieën het bos in willen gaan om kastanjes te rapen. Halverwege de middag hebben de meiden een zak vol. Om ze te verdelen gaan ze naar Anita’s huis, een boerderij aan de overkant van de Orba, waar de heuvels en wijngaarden beginnen. Ze praten over het bericht op de poort van de spinnerij. Gesloten wegens werkzaamheden? Daar zou niemand in trappen.

Niet na de show die drie dagen daarvoor was opgevoerd door de burgemeester, bijgenaamd de avucatein, het advocaatje, een kereltje met een grote krulsnor, een puntsik en een stel keizerlijke bakkebaarden. Hij ontving de spinsters op de tweede verdieping van het gemeentehuis, in de raadzaal. Toen de vrouwen eenmaal over hun schroom heen waren – nooit eerder zagen ze zulke grote schilderijen, zulke glanzende tafels, zulke fraaie stoelen die totaal niet pasten bij de vodden die ze aanhadden – legden drie woordvoersters de eisen van de stakende vrouwen op tafel.

Toen de vrouwen eenmaal over hun schroom heen waren, legden drie woordvoersters de eisen van de stakende vrouwen op tafel
Ten eerste: onmiddellijk ontslag van de nieuwe opzichtster Maria Filippa Agostini. Die koeioneert hen door het gebruik van de latrine maar eens in de vier uur toe te staan, een boete van twee cent op te leggen wanneer ze een draad laten knappen of het begin niet kunnen vinden; ze scheldt hen uit voor niksnutten en zelfs, met alle respect, voor sloeries.

Ten tweede: dat ook de arbeidsters die de staking hebben georganiseerd weer aan het werk mogen.

Ten derde: verlaging van het aantal uren per dag van 12 naar 11, en een verhoging van het loon van 80 cent naar 1 lire. ‘In de spinnerijen van Novi,’ besloot de minst schuchtere van de drie, ‘verdienen de spinsters 1 lire 30 per dag, plus onderdak en verwarming.’ En de avucatein?

De avucatein gaf geen sjoege. Nog nooit een staking meegemaakt. Daarover pochte hij altijd bij de onderprefect en de luitenant van de carabinieri: het is 1900, 1901 bijna, en in Borgo di Dentro is nog nooit gestaakt. De stokers (vier jaar eerder) en de grondwerkers (twee jaar eerder) telden niet mee. Kwajongensstreken. Moesten de vrouwen nu zo nodig de eersten zijn?

Hij stond aan de kant van de bazen, dat was duidelijk. Zeker, hij zou de familie Salvi op de hoogte stellen van de onbetwistbare redenen voor de staking. Zeker, hij zou het juiste moment kiezen om zijn missie tot een goed einde te brengen. Zeker, zonder mankeren. Op voorwaarde dat zij meteen weer aan het werk gingen. Dat ze even zouden stilstaan bij de zieke geest die koppig blijft volharden. Dat ze even zouden stilstaan bij de monden die moeten worden gevoed en de strenge winter die voor de deur staat. De grond zo bevroren dat je er nog geen kool uit kon trekken. De kastanjes en paddenstoelen die zouden opraken. Hun hongerige kinderen, hun grote, smekende ogen. Hij had het tegen zichzelf, beslist niet tegen de spinsters, hij vermeed het zelfs om hen aan te kijken, staarde liever naar hun lichamen, de stevig ingepakte boezems, de koubulten op hun handen (heel wat anders dan de bleke teint van zijn vrouw, de sneeuwwitte, slanke vingers waarmee ze elke ochtend de dasspeld op zijn stropdas bevestigde). Of hij liet zijn blik over de schilderijen aan de wand dwalen, over de lintjes van de luitenant, de pennen van de verslaggevers, de blaadjes die hij in zijn hand hield. Zijn toon was verheven, bezield: ze luisterden in feite naar het beroep dat een vader op hen deed, want dat is een burgemeester. Een burgervader. Ze moesten vandaag nog naar de spinnerij gaan. Morgen te moeten aankloppen bij de familie Salvi, door honger gedreven, zou veel erger zijn.

De afsluiting werd met ontsteld stilzwijgen ontvangen. Toen had een vrouwenstem achterin geroepen: ‘Avucatein, schei toch uit! Er is hier nog nooit iemand doodgegaan van de honger!’ en de burgemeester had de zaal onder luid boegeroep verlaten.

Kortom, ze zaten midden in een oorlog. De eerste zet van werkgeverskant was dat bord met GESLOTEN WEGENS WERKZAAMHEDEN. Of eigenlijk zaten ze in een grote bak met stront, tot hier.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief