leesfragment

‘En de wereld was jong’ van Carmen Korn

0

1 januari, 1950: een nieuw decennium is aangebroken. Het huis van Gerda en Heinrich Aldenhoven in Keulen barst uit zijn voegen, maar Heinrichs kunstgalerie levert niet genoeg geld op om alle hongerige monden te voeden. In Hamburg verlangen Gerda’s vriendin Elisabeth en haar man Kurt naar de terugkeer van schoonzoon Joachim. Is hij nog in leven? En Margarethe, geboren Aldenhoven, is van Keulen naar San Remo verhuisd. Hoe verschillend ze hun nieuwjaarsdag ook doorbrengen, ze vragen zich allemaal hetzelfde af: zullen onze oorlogswonden eindelijk helen? En wat zal de toekomst ons brengen?

Lees hier de eerste pagina’s van En de wereld was jong van Carmen Korn.

1 januari

Keulen

Gerda schoof het gordijn opzij en keek naar de bron voor haar huis aan de Pauliplatz. Een vertrouwde blik op het kleine kalkstenen figuurtje van Pan, die op de kogel boven op de zuil van de bron zat en zijn herdersfluit tegen zijn lippen hield. Ze meende bijna zachte fluittonen te horen. Hij was grijzer geworden, het steen leek poreuzer, maar terwijl de huizen hier de nodige oorlogsschade hadden opgelopen, had niets de fluit uit Pans handen kunnen slaan.

Op de ochtend van nieuwjaarsdag naar Pan op zijn bron kijken, dat was al sinds jaar en dag een ritueel van Gerda Aldenhoven. Als ze het een keer niet zou doen, zou dat misschien ongeluk brengen.

‘Herinner je je ons laatste concert in de Gürzenich?’

‘Schumanns Derde. Dat is lang geleden, bijna alsof het niet echt gebeurd is,’ zei Heinrich Aldenhoven. Hij zuchtte bij de herinnering aan het oude feesthuis; het was zo’n fijne gewoonte geweest om daar op de eerste dag van het jaar naar een concert te gaan.

‘Ze zullen de Gürzenich weer opbouwen, Heinrich.’

‘Hopelijk maak ik dat nog mee. En? Hoor je Pans fluit?’

Gerda glimlachte. Ze liet het gordijn van de erker los en liep naar haar man toe, die in de deuropening stond. Ze streek over zijn nog ongeschoren wangen. ‘Lieve grandpa,’ zei ze. ‘Ben je van plan een baard te laten staan?’ Hij was tien jaar ouder dan zij, wat hem tot voor kort niet aan te zien was geweest.

‘Ik ga me zo scheren. Maar zou je alsjeblieft weer een ander koosnaampje willen gebruiken? Zo gek is het toch niet dat ik er in de laatste uren van de grote slachtpartij niet uitzag als een jonge god?’

Hun veertienjarige zoon hadden ze in de kelder kunnen verstoppen om hem te behoeden voor de Volkssturm. Heinrich Aldenhoven zelf was echter op het laatste moment nog opgeroepen op die dag in maart 1945 toen in Keulen de oorlog op zijn laatste benen liep. Op de Aachener Straße was hij meteen al Amerikaanse soldaten tegen het lijf gelopen die tot in de westelijke delen van de stad waren doorgedrongen. Opgelucht had hij zich zijn geweer laten afnemen. ‘Go home, grandpa,’ hadden de jonge Amerikanen gezegd.

‘Zijn wij de enigen die wakker zijn?’ Heinrich keek naar de pendule die er al hing sinds zijn ouders in 1914 in dit huis waren komen wonen. Kwart voor negen.

‘De kinderen kwamen pas tegen vier uur thuis. Ze deden zachtjes, maar ik zag het licht in de gang onder de deur door.’

‘Dan zal hun oud-en-nieuwfeest wel geslaagd zijn geweest.’

‘Die gelukkige jeugd toch,’ zei Gerda. ‘We beginnen oud te worden.’

‘Vooral ik.’

‘Ik voel me nog niet rijp genoeg om oud te worden.’

‘Ach, kleintje van me,’ zei Heinrich. Het was waarschijnlijk geen goed idee geweest om oud en nieuw alleen met hun tweetjes te vieren. Gerda hield van feesten, maar hij had naar stilte verlangd. Zonder de kinderen, die uitgelaten inhaalden wat ze lange tijd hadden moeten missen. Zonder zijn vermoeiende nichten, die bij hen inwoonden sinds hun woning in Klettenberg ten prooi was gevallen aan de bommen. Hoe hadden ze het voor elkaar gekregen om allebei ongetrouwd te blijven? Mannen waren er in Billa’s en Lucy’s leven genoeg geweest. Nu beschouwden ze hem als het zorgzame hoofd van de familie.

Gisteravond waren ze allebei auf Jöck gegaan. Zo noemde Billa het als ze op zoek gingen naar plezier. Eten in een van de brouwerijen, naar de film in de nieuwe bioscoop aan de Hahnentor. Ze zouden er snel genoeg over vertellen.

Hij ging in de versleten gobelinstoel naast de boekenkast zitten, zette zijn hoornen bril af en pakte het eerste het beste boek. Gottfried Kellers Der grüne Heinrich. Verhalen over een mislukte kunstschilder. Ook dat nog. Hij moest meteen weer aan de galerie denken, die momenteel slechte zaken deed. De mensen hadden nog geen wanden om schilderijen aan op te hangen. Zelfs landschappen, die het voor de oorlog zo goed hadden gedaan, verkochten niet.

Hij zakte dieper in de stoel weg en sloeg het boek open. Luide voetstappen op de trap. De kleppers van Billa. Misschien kon hij maar beter het grote boek dat op het telefoontafeltje lag voor zijn gezicht houden. Das Große Jahrhundert Flämischer Malerei. Gerda had hem dat prentenboek voor zijn verjaardag gegeven.

‘Billa komt eraan,’ zei Gerda.

‘Ik hoor het.’ Zijn nicht was kennelijk naar de keuken gegaan. Hij nam aan dat ze daar een eigeel in een glas zou loskloppen, de laatste druppels worcestershiresaus erbij zou doen en dan doorroeren met flink veel peper en zout. Dat dronk Billa ook als ze geen kater had. Ze beschouwde het als een drankje voor bohemiens.

‘Heb wat geduld met haar. Als we de familie niet hier hadden, zouden er vreemden bij ons zijn ingekwartierd.’

‘Dat had ik liever gehad. Ik ken Billa veel te goed.’ Heinrich slaakte een zucht.

‘Ze voelt zich niet volwaardig.’

‘Dan moet ze werk gaan zoeken in plaats van hier de grande dame te spelen. Ik las ergens dat er telefonistes worden gezocht. Dan kan ze gesprekken afluisteren en alles aan haar vriendinnen doorvertellen.’

‘Je bent vandaag wel erg ongenadig over je nicht. Laten we liever Hamburg bellen en een gesprek naar San Remo aanvragen. Dat zal je humeur goeddoen.’

‘Ja,’ zei Heinrich. ‘Dat doen we straks. We moeten iedereen een goed jaar wensen. Ik ben benieuwd wat de jaren vijftig ons zullen brengen.’

Wat had er bij hem de overhand: hoop of angst en beven voor het eerste nieuwe decennium na de oorlog? Hij maakte zich vooral zorgen over hoe hij het huishouden draaiende kon houden. Met landschappen van de Nederrijn zat dat er allicht niet meer in. Misschien zou hij toch meer van die ingekleurde tekeningen met motieven van het oude Keulen moeten aanbieden. Keulen zoals het ooit was geweest. Verlangde niet iedereen ernaar zijn herinneringen op te doffen?

‘Ik ben overigens in een stralend humeur,’ zei hij toen Gerda naar de keuken liep. Zo meteen zou er haringsalade worden geserveerd. Met rode bietjes en appel. Een traditie die hij met zijn huwelijk erbij had gekregen. Zelf had hij op nieuwjaarsochtend om negen uur meer trek in naar gist geurende rozijnenstol met boter. Heinrich stond op om zijn vrouw te volgen en bij Billa aan de keukentafel te gaan zitten. Niet alleen de kinderen ontbraken. ‘Waar is Lucy?’ vroeg hij.

‘Die wil nog slapen,’ verklaarde Billa de afwezigheid van haar jongere zus. ‘Ze gromde alleen maar wat toen ik aanklopte.’ Gerda had de schotel met haringsalade amper op tafel gezet of Billa begon op te scheppen. ‘Precies wat je nodig hebt als vrolijke drinker.’ Zei Billa dat niet elk jaar?

Heinrich keek bijna verwijtend naar de dikke donkerrode blokjes. ‘Er zit wel erg veel rode biet in deze keer.’

‘Dat is goed voor je hart,’ zei Gerda. Al te stralend leek Heinrichs humeur toch niet te zijn.

Hamburg

‘Joachim komt niet meer terug,’ zei Kurt.

‘Vind je het nou echt nodig om het nieuwe jaar te beginnen met die hopeloze zin?’

Kurt Borgfeldt wendde zijn blik af van de grijze hemel boven Hamburg die vandaag niks vrolijks beloofde en keek zijn vrouw aan. ‘Ik wil alleen maar dat Nina en jij je niet zo blijven kwellen. En het doet de jongen ook geen goed als jullie hem laten geloven dat zijn vader nog terugkeert uit de oorlog.’

‘De oorlog is dit jaar in mei vijf jaar voorbij.’

‘Precies,’ zei Kurt.

‘En jij denkt dat het ons minder zou kwellen als we Joachim dood laten verklaren?’ Elisabeth Borgfeldt schudde haar hoofd.

‘Dan komt er eerder een einde aan die hele kwelling, Lilleken. Heb je enig idee waarom Nina gisteren al voor middernacht naar huis kwam? Ik dacht dat ze zich had verheugd op het oud-en-nieuwfeest bij de Clarkes.’ Hun dochter had nogal overstuur geleken toen ze van het feest was teruggekeerd. Terwijl ze het zo goed kon vinden met de Clarkes, beminnelijke Engelsen die in Hamburg een vertaalbureau hadden opgezet waar Nina sinds een halfjaar voor werkte.

‘Ze wilde vast bij Jan zijn wanneer de klokken het nieuwe jaar inluidden.’

‘Die lag in diepe slaap, daar hebben wij wel voor gezorgd.’

‘Het is allemaal moeilijk voor haar, Kurt. Een nieuw decennium is begonnen en Joachim raakt met elk jaar verder van ons verwijderd. Jan is eergisteren vijf geworden zonder dat zijn vader hem ooit heeft gezien.’

‘Een lot dat hij deelt met een heleboel andere kinderen.’

‘Dat maakt het niet gemakkelijker.’

‘Nee,’ zei Kurt. ‘Lilleken, ik verlang gewoon naar wat meer lichtheid in ons leven. En ik heb zo’n vermoeden dat Nina dat ook doet.’

‘En die lichtheid zou komen als we Joachim opgeven?’

‘Dankzij het Rode Kruis kunnen zelfs krijgsgevangenen in Rusland hun familie een teken van leven doen toekomen. We hadden allang iets van hem moeten horen.’

‘Ik vertrouw op mijn goede gevoel,’ zei Elisabeth.

‘Dat had je ook bij de zoon van Tetjen, tot het bericht van zijn dood kwam.’

Ze keken allebei naar het plafond, waar de lamp met de melkwitte glazen schalen aan hing te schommelen. Het was alsof er boven een kudde buffels door het huis denderde. Dat het er bij de Blümels alweer zo levendig aan toeging, terwijl de vader en kostwinner van de familie pas vroeg in de ochtend van zijn werk als kelner naar huis was gekomen.

Ooit hadden Nina en Joachim op de eerste verdieping gewoond. In april 1944 nog een laatste verlof van hun schoonzoon. Aan het eind van datzelfde jaar dan de geboorte van de jongen. Nu woonden Nina en het kind bij hen op de parterre. Elisabeth en Kurt hadden hun slaapkamer ontruimd en sliepen in het kamertje naast de keuken. Op de eerste verdieping was de familie Blümel ingekwartierd en onder het dak het echtpaar Tetjen.

Drukte in het hele huis. Zelfs de kelder zat meestal vol met mensen die onder de verwarmingsbuizen op oude matrassen sliepen en zich in de waskeuken wasten. De Blümels gaven het adres door aan al hun kennissen in Silezië die op doorreis waren of die ook besloten hier langer te blijven.

‘Laten we dankbaar zijn dat we nog een dak boven het hoofd hebben.’ Dat zei hij altijd op zulke momenten, of anders Elisabeth wel.

‘En de hoop op Joachims terugkeer willen we ook nog niet opgeven.’

Kurt knikte en voelde zich onbehaaglijk. Ze keken naar de deur, die op een kier open was gegaan. Hun kleinzoon Jan kwam de keuken in getrippeld, de grote oude beer, die ook Nina al had vergezeld in haar kinderjaren, op sleeptouw.

‘Mammie slaapt nog. Is ze laat thuisgekomen?’

‘Nee, mammie was hier alweer voordat het nieuwe jaar begon.’

Elisabeth keek naar de twee sektglazen die op het keramische aanrecht naast de gootsteen stonden. Nina had niet met hen op het nieuwe jaar willen drinken, ze was meteen naar haar kamer gegaan om naast Jan en de stoffen beer te gaan liggen. Was er ruzie geweest op het feest?

‘Krijgen we ontbijt met cornflakes?’ vroeg Jan. Hij was dol op de levensmiddelen uit de speciale winkels waar de soldaten van het Britse bezettingsleger en hun gezinnen hun inkopen deden. De Clarkes voorzagen Nina er royaal van.

‘Stol met boter en jam,’ zei zijn opa. ‘En voor jou warme chocola, omdat de eerste dag van het jaar een feestdag is.’ Hij had zichzelf altijd als een anglofiel beschouwd, maar die nieuwe ontbijtgewoonten vond hij maar niks. Maisvlokken. Pindakaas. De grootste gruwel was een gistpasta die Marmite heette.

‘Laten we wachten met het ontbijt tot Nina wakker is,’ zei Elisabeth. ‘Jan kan alvast een kommetje cornflakes eten.’

‘Nog even wat betreft meer lichtheid,’ zei Kurt. ‘We zouden vanmiddag een wandeling rond de Alster kunnen maken en daarna naar Bobby Reich om een grog te drinken.’

‘Ik ook?’ vroeg Jan.

‘Jij ook,’ zei zijn opa. ‘Eentje speciaal voor kinderen.’

‘Dan nog een tweede grog en nog een derde en dan word jij helemaal licht in het hoofd,’ zei Elisabeth. ‘Dan heb je je lichtheid.

‘Doe niet zo streng, Lilleken. Zo straf zijn de grogs daar niet. Jan kan de step meenemen op de wandeling.’

‘Hè, ja!’ zei Jan. Groot was de teleurstelling geweest toen er met kerst alleen maar zachte pakjes onder de boom hadden gelegen. Truien, mutsen, een sjaal, wanten. Maar toen had hij de step op de één-na-laatste dag van het jaar voor zijn verjaardag gekregen. Niet eentje van hout met kleine ijzeren wieltjes, maar eentje van glanzend rood metaal met dikke rubberbanden.

Elisabeth schoof het kommetje met cornflakes en melk naar haar kleinzoon toe, zette borden en kopjes op de tafel, waar de botervloot en de pot met aalbessenjam uit eigen tuin al op stonden. Ze legde de stol op de broodplank en keek op toen haar dochter de keuken binnenkwam, nog knipperend met haar ogen. Haar haar los, rode wangen van de slaap. Zo zag Nina er ’s morgens altijd uit als ze net op was. En toch was er vandaag iets anders dan anders.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief