leesfragment

‘Fatale erfenis’ van Rachel Rhys

London 1948: Eve Forrester zit gevangen in een liefdeloos huwelijk, in een somber huis in een grijze buitenwijk. Dan ontvangt ze bericht van een notaris. Een onbekende heeft haar een erfenis nagelaten, maar om hier meer over te weten te komen moet ze afreizen naar de Franse Riviera. Eve ontdekt dat ze mede-eigenaar is geworden van een villa aan de Côte d’Azur. Van het ene op het andere moment stapt ze een zonovergoten, glamoureuze wereld binnen. Maar ze staat alleen in haar zoektocht naar het verhaal achter de erfenis. En ze voelt zich allesbehalve veilig…

Adembenemend en met een vleugje mysterie: Fatale erfenis sleept je mee in een wereld vol disfunctionele families en verborgen geheimen, tegen het décor van de sprankelende Franse Riviera.

Fatale erfenis is BRILJANT. Een heerlijk verhaal over Zuid-Frankrijk, filmsterren, prachtige villa’s, bedwelmende lavendelvelden, ex-Nazi’s, familiegeheimen en nog veel, veel meer! GENIETEN.’ – Marian Keyes

1
20 mei 1948

Als Vera eerder beneden is dan Harry, zal haar hele leven veranderen. Eve kijkt afwachtend toe. Ze zou eigenlijk naar buiten moeten om de lakens van de lijn te halen voordat ze helemaal doorweekt zijn, maar haar benen blijven op de sofa liggen alsof ze eraan vastgelijmd zijn. Met haar ogen volgt ze de twee regendruppels die langs het raam omlaagzakken tot ze onderaan ineenvloeien en Vera in Harry overgaat, zodat ze dus niet gewonnen heeft. Ze voelt even teleurstelling.

Maar had ze het niet drie kansen gegeven?

Zeker. Eve kijkt naar de bovenkant van het raam tot ze twee even grote druppels ontdekt, die ze Bert en Louisa noemt. Maar nog voordat ze beneden zijn, wordt ze gestoord door het schrille gerinkel van de deurbel.

Meneer Ward, de postbode, heeft een blozend rond gezicht waar altijd een soort glans op ligt, of die nu het gevolg is van zweet van de zomerse warmte of, zoals nu, van de gestaag vallende regen. Hij is aardig en nieuwsgierig en lijkt altijd iets meer van zijn contact met Eve te verwachten dan zij kan geven.

‘Er zit er een voor u bij,’ zegt hij terwijl hij haar een stapeltje brieven overhandigt.

De moed zakt haar in de schoenen.
De moed zakt haar in de schoenen. De enige die haar schrijft is haar moeder en ze denkt niet dat ze vandaag bestand is tegen haar moeders teleurstelling.

Meneer Ward blijft voor de deur staan treuzelen alsof hij verwacht dat ze daar ter plekke haar brief openmaakt en de inhoud ervan met hem deelt. Maar Eve heeft geen haast.

‘Dank u wel, meneer Ward,’ zegt ze, en ze doet de deur dicht, zodat ze net nog ziet dat hij zijn gezicht met een witte zakdoek gaat deppen.

Eve laat zich weer op de hobbelige bank vallen, maar de fijne, lome stemming van zojuist komt niet meer terug. Ook al liggen de brieven veilig uit het zicht op het haltafeltje, de wetenschap dat ze er zijn, heeft hetzelfde effect als een insect dat maar blijft zoemen.

Ze werpt een blik op het lelijke staand horloge tegenover haar. Alle meubelen zijn van Clifford. Donkere, zware stukken die van zijn grootouders afkomstig zijn en die zijn nurks kijkende vader hun met tegenzin voor hun huwelijk heeft geschonken met de opmerking dat ze, omdat Eve hoogstwaarschijnlijk geen idee had hoe je meubelen van een dergelijke kwaliteit moest behandelen, ongetwijfeld in verval zouden raken.

Jammer dan.

Het is kwart over twaalf. Behalve het kwartiertje om vier uur, als ze zich kan verliezen in Mrs Dale’s Diary op de radio, strekken de resterende uren van de dag zich lang en leeg voor haar uit, in een stilte die alleen onderbroken wordt door het tikken van die afschuwelijke klok.

Om tien over halfzes komt Clifford thuis. Er hangt altijd iets van verwachting – gezelschap, gesprekken – in de lucht, gevolgd door de onvermijdelijke tegenvaller als Clifford zich in zijn leunstoel installeert, met zijn rechter- over zijn linkerbeen, en zich achter zijn krant verbergt, met als enig teken van leven het incidentele op- en neergaan van zijn rechterschoen, die elke zondagavond gepoetst wordt.

Kort na hun huwelijk wierp ze zich altijd naast zijn stoel op de grond en vroeg ze naar zijn dag, naar het laatste nieuws. Maar daar had hij algauw korte metten mee gemaakt. ‘Lieve schat, ik ben directeur van een bedrijf. Mijn hele dag wordt in beslag genomen door mensen die dingen aan me vragen. Als ik thuiskom, wil ik graag rust. Dat kun je vast wel begrijpen.’

Dus wacht ze nu tot ze aan tafel gaan.

De regen is weggetrokken en laat een grijze, bewolkte dag achter. Door het erkerraam kijkt ze uit op de erker van nummer 39 aan de overkant. Als een spiegel van dit huis. Twee-onder-een-kap, met een garage ernaast en een pad naar een voordeur met glas-in-loodramen. Daar wonen twee oude zussen die Eve, zelfs na twee jaar, alleen nog maar kent als de dames Judd. Soms ziet ze een van de dames Judd boven voor het raam naar de straat kijken. Ik ga een keer naar ze toe, neemt ze zich dan voor. Wie weet wat voor verhalen ze te vertellen hebben. Misschien worden we wel vriendinnen. Maar ze doet het nooit.

Het besef dat haar moeders brief op het haltafeltje ligt te wachten, drukt zwaar op haar.
Het besef dat haar moeders brief op het haltafeltje ligt te wachten, drukt zwaar op haar. Ten slotte houdt ze het niet meer uit. Ze staat op en loopt door de zitkamer over het dikke wijnrode tapijt weer de hal in, waar ze de stapel brieven oppakt en ongeduldig alle enveloppen doorkijkt die geadresseerd zijn aan de heer C. Forrester, tot ze bij de ene met haar eigen naam komt.

Maar wat is dat?

In plaats van haar moeders nauwgezette hanenpoot in blauwe inkt op de gebruikelijke dunne, lichtblauwe envelop is het adres getypt op dik gelig papier. Mevrouw Eve Forrester.

Ze voelt zenuwen kriebelen. De rest van de post legt ze terug, en ze slentert weer de zitkamer in. De salon, zoals Clifford die per se wil noemen. Zoals altijd als ze de drempel over gaat, krijgt ze het gevoel dat er lucht verplaatst wordt, alsof ze een solide massa in loopt die ze uit de vorm duwt.

Ze gaat weer op de bank zitten, maar deze keer rechtop op het puntje, met haar voeten stevig op de vloer.

Suffie, vaart ze tegen zichzelf uit. Om je zo druk te maken over een brief.

Als ze de envelop openscheurt, vindt ze daarin een fraai vel manilla van zware kwaliteit, in drieën gevouwen. Ze neemt de tijd om het te openen, en het eerste wat ze ziet is het briefhoofd, vetgedrukt, bovenaan.

Pearson & Wilkes
Juristenkantoor
Notarissen

Het papier is licht gegaufreerd en ze laat haar vingertop over het reliëf glijden.

Ze haalt diep adem en leest verder.

 

‘Weet je zeker dat er geen vergissing in het spel is?’
‘Weet je zeker dat er geen vergissing in het spel is?’

Clifford kijkt haar aan op een manier die duidelijk suggereert dat er sprake is van een fout en dat zal blijken dat die aan haar te wijten is.

‘De brief is duidelijk aan mij geadresseerd. En over de inhoud kan geen vergissing in het spel zijn. Ik word verzocht om volgende week dinsdag in Londen mijn opwachting te maken bij het juristenkantoor, waar ik iets zal horen wat ten gunste van mij is. Is dat niet heerlijk mysterieus?’

‘Het is verrekte slecht gepland, dat weet ik wel. Ik heb die dinsdag een belangrijke vergadering.’

‘Dus je wilt mee?’

Clifford kijkt haar aan alsof ze zojuist Swahili is gaan praten om een reden die alleen zij kent.

‘Natuurlijk moet ik mee. Dat hele gedoe klinkt verdacht. We hebben geen idee wie die Pearson en Wilkes zijn of wie ze vertegenwoordigen. Dit zou best eens een soort zwendel kunnen zijn en ik ben bang dat jij een gemakkelijk doelwit bent, schat. Vergeet niet dat je meteen vanuit je ouderlijk huis hier bent komen wonen. Je hebt nog te weinig levenservaring om te weten hoe je goed voor jezelf moet zorgen.’

Clifford is halverwege zijn maaltijd, en in zijn snor is een kruimpje aardappel blijven hangen. Eve ziet het op- en neergaan als hij praat. De opwinding van zojuist sijpelt langzaam weg.

Het zal uiteindelijk wel een vergissing blijken. Zwendel, zoals Clifford zegt. Als ze uit Londen terugkomen, is alles waarschijnlijk nog zoals altijd.

‘Maar ze willen alle reiskosten vergoeden,’ herinnert ze zich nu. ‘Zouden ze zoiets doen als het niet te vertrouwen is?’

Clifford, die zijn vork vlak voor zijn mond had laten hangen, hervat zijn oorspronkelijke actie en steekt een bruin stuk lever in zijn mond. Het lijkt een eeuwigheid te duren voor het fijngekauwd is. Mevrouw Jenkins, die twee ochtenden in de week komt koken en schoonmaken, is niet echt in de wieg gelegd voor het bereiden van vlees. ‘Wie weet wat voor ziektekiemen er anders in blijven zitten,’ zei ze toen Eve een keer de moed had gehad om te vragen of ze hun geliefde karbonaadjes, die zelfs drie jaar na de oorlog nog op de bon waren, iets minder gaar wilde bakken. Clifford slikt en Eve ziet het stuk vlees in zijn hals omlaagglijden. Eindelijk begint hij te praten.

‘De eerste regel van het bedrijfsleven is nooit iemand te vertrouwen totdat bewezen is dat die je vertrouwen waard is, en die regel is ook heel goed toepasbaar in het persoonlijke leven, Eve. Anders maken ze misbruik van je. Ik zal mijn best doen om mijn vergadering te verplaatsen, zodat ik met jou mee kan.’

Hij dept zijn mondhoeken met zijn servet en haalt daarmee het stukje aardappel weg. Zoals gebruikelijk blijven zijn blauwe ogen, die zo dicht bij elkaar staan dat het soms lijkt alsof ze elkaar kruisen, gefixeerd op een punt vlak achter Eves schouder, zodat ze het gevoel heeft dat er altijd iemand achter haar staat aan wie ze zijn aandacht moet afstaan.

‘Dank je,’ zegt ze.

2
25 mei 1948

‘Ik neem aan dat dit allemaal heel verwarrend voor u moet zijn.’
‘Ik neem aan dat dit allemaal heel verwarrend voor u moet zijn.’ Meneer Wilkes maakt met een mollige hand een weids gebaar door zijn kantoor. ‘Ik neem aan dat u denkt: waar gaat dit in hemelsnaam allemaal over?’

Zijn bruine ogen, die tussen vleeskussentjes uit loeren zoals bij de teddybeer met de glazen ogen die Eve als kind had, zijn uitsluitend op haar gericht. Het is zo onwennig voor haar dat iemand naar haar kijkt dat ze haar wangen voelt branden en de neiging heeft haar hand erop te leggen om te voelen hoe warm ze zijn.

‘We zijn nieuwsgierig, zoals u zich kunt voorstellen,’ zegt Clifford.

In de trein gedroeg hij zich de hele reis vanaf Sutton koel en weinig responsief, om Eve duidelijk te maken dat het voor hem een offer was om deze vruchteloze tocht met haar te ondernemen. Toen ze probeerde een gesprek met hem te beginnen over de afschuwelijke moord op de arme kleine June Anne Devaney, waar alle kranten vol van stonden, legde hij haar het zwijgen op door te weigeren mee te doen aan ‘walgelijke roddels’. Maar sinds ze bij het indrukwekkende hoekhuis van een chique zijstraat van Chancery Lane zijn aangekomen en binnengelaten werden in de met goud omlijste lift van het kantoor van Pearson & Wilkes, is hij heel wat toeschietelijker geworden.

Hij lijkt nu bijna gretig. Toen ze net binnen waren, leunde hij naar voren in zijn stoel om iets te zeggen over het solide eiken bureau en het moderne telefoonsysteem. ‘Daar zal ik zelf ook in moeten investeren,’ zei hij. ‘Voor mijn eigen bedrijf,’ voegde hij eraan toe. Hij wilde de indruk maken van een bemiddeld man, begreep Eve, en het verbaasde haar dat ze zich voor hem schaamde.

‘Ik zal u meteen uit uw lijden verlossen,’ zegt meneer  Wilkes stralend, alsof ze allemaal deel uitmaken van een geweldige grap. ‘Het is namelijk zo dat ik een cliënt heb gehad – een hooggeachte cliënt – die Guy Lester heette. Komt die naam u bekend voor?’

Bruine ogen in de hare, de ongemakkelijke sensatie gezíén te worden.

‘Ik begrijp dat dat niet het geval is. Dat is jammer. De laatste keer dat ik de heer Lester aan de lijn heb gehad, heb ik hem geadviseerd contact op te nemen met u, mevrouw Forrester, om een en ander uit te leggen.’

‘Wie is dat? Die Guy Lester?’ Clifford wil weer controle, hij wil meetellen.

'Ik ben bang dat de heer Lester tien dagen geleden is overleden, heel plotseling.'
‘Wás. Ik ben bang dat de heer Lester tien dagen geleden is overleden, heel plotseling. We wisten wel dat hij ziek was, maar niets wees erop dat hij zo snel van ons weggenomen zou worden. Hij woonde permanent in Zuid-Frankrijk, daardoor kwam hij hier maar een of twee keer per jaar. Maar desondanks heeft hij zich heel geliefd gemaakt.’

Eve is zich ervan bewust dat Clifford zijn rug recht in de leren stoel naast haar, ze kan zijn hersenen bijna horen kraken.

‘De waarheid is, mevrouw Forrester, dat de heer Lester u in zijn testament opgenomen heeft.’

‘Mij?’

Eve is stomverbaasd.

‘Maar waarom?’ vraagt Clifford. ‘Wat had die meneer Lester met mijn vrouw te maken?’

Hij benadrukt de woorden ‘mijn vrouw’ alsof hij zijn eigendom wil bevestigen. Eve voelt een lichte irritatie, al weet ze niet waarom. Toen ze pas getrouwd waren, bijna twee jaar geleden, verzon ze vaak een excuus om tijdens een gesprek ‘mijn echtgenoot’ te kunnen zeggen en vond ze het geweldig als Clifford het over haar had als ‘zijn echtgenote’. Nu dringt het tot haar door dat ze hem dat al een hele tijd niet meer heeft horen zeggen.

Meneer Wilkes zit achter zijn bureau op een stoel die niet berekend lijkt op zijn aanzienlijke omvang. Hij draagt zijn grijzende haar in een keurige scheiding boven zijn oor, en vanaf dat punt zijn de langste haren over zijn kale schedel heen gekamd. Zijn donkere vest spant over zijn buik.

Clifford, daarentegen, is netjes en knap. Dat had Eve althans eens gedacht. Zijn haar, waar hij nogal trots op is, is dik en blond, zijn snor weelderig, zijn nagels perfect onderhouden; Eve was verbaasd geweest over de aandacht die Clifford besteedt aan zijn uiterlijk, over hoe kieskeurig hij is bij de keuze van zijn kleding en zijn kapper.

Maar meneer Wilkes maakt een zeer vriendelijke indruk. Zelfs als hij zijn voorhoofd fronst, zoals hij nu doet, lijkt dat meer uit empathie dan uit verwijt.

‘Ik ben bang dat ik even weinig als u weet over de aard van de band van de heer Lester met mevrouw Forrester, als er al zo’n band heeft bestaan.’

‘Nonsens,’ zegt Clifford. ‘Er moet een verband zijn. Mensen laten niet zomaar iets na aan mensen die ze niet kennen. Je moet meteen contact opnemen met je moeder, Eve. We kunnen haar een telegram sturen. Zij moet iets weten.’

‘Als ik u een voorstel zou mogen doen.’ Voor iemand van zijn omvang heeft meneer Wilkes een elegante manier van praten. Eve is hem dankbaar voor zijn interruptie. Ze wil niets over haar moeder horen hier, in dit kantoor, ze wil haar niet de kans geven om het vonkje opwinding dat ze sinds de komst van de brief voelt, te doven.

Meneer Wilkes vervolgt: ‘Naar onze ervaring wachten erfgenamen van een mogelijk waardevolle erfenis vaak liever tot ze alle feiten kennen voordat ze besluiten of ze het aan anderen meedelen.’

‘Dus u denkt dat het om een waardevolle erfenis zou kunnen gaan?’
‘Dus u denkt dat het om een waardevolle erfenis zou kunnen gaan?’ Clifford zit op het puntje van zijn stoel en heeft zijn hoofd zo ver naar de zwaarlijvige notaris uitgestoken dat het eruitziet alsof hij elk moment voorover kan tuimelen.

‘Tja, meneer Forrester, ook daarin moet ik u teleurstellen. Het is namelijk zo dat ik niets weet over de aard van het legaat.’

‘Ik begrijp het niet.’

Eve hoort in Cliffords stem een schril toontje dat zijn ongeduld verraadt.

‘Als u het niet weet, meneer Wilkes, wie dan wel?’

‘De precieze details van mevrouw Forresters nalatenschap zijn vastgelegd in een aanhangsel van het testament van de heer Lester, dat haar kan worden voorgelezen zodra ze zich vervoegt bij het kantoor van monsieur Bernard Gaillard, de notaris van de heer Lester, in Cannes.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief