leesfragment

‘Florida’ van Lauren Groff

In haar nieuwe boek neemt Lauren Groff de lezer mee naar een wereld die zowel huiselijk als ongetemd is – een plek waar de dreigingen van de natuur altijd op de loer liggen, maar waar het grootste gevaar nog altijd gevormd wordt door de mens met zijn psyche en zijn emoties. Een korte vakantie kan worden verstoord door een panter op zoek naar voedsel, of door een geheime seksuele uitspatting. De verhalen in Florida worden bevolkt door een stel door hun ouders verlaten zusjes, een jongen die in alle eenzaamheid opgroeit, een rusteloos echtpaar, een dakloze vrouw en een onvergetelijk en terugkerend personage: een echtgenote en moeder in tweestrijd.

De verhalen in deze bundel beschrijven uiteenlopende personages, stadjes, decennia (en soms zelfs eeuwen), maar Florida – met zijn landschap, klimaat, geschiedenis en unieke temperament – blijft altijd het middelpunt. 

De eerste pagina’s van Florida  lees je hier!

Geesten en lege hulzen

Ergens onderweg ben ik veranderd in een vrouw die schreeuwt en omdat ik geen vrouw wil zijn die schreeuwt, met kinderen die met strakke, alerte snoetjes door het huis lopen, trek ik tegenwoordig na het eten mijn hardloopschoenen aan voor een avondwandeling door de schemerdonkere straten en laat ik het uitkleden, badderen, voorlezen, zingen en instoppen van de jongens over aan mijn echtgenoot, een man die niet schreeuwt.

Tijdens het lopen wordt het donker en ontrolt zich een tweede buurt over die van overdag. Er zijn maar weinig lantaarnpalen en mijn schaduw maakt bokkensprongen als ik er een passeer: hij blijft talmen, galoppeert naar mijn voeten, dartelt voor me uit. De enige andere verlichting is afkomstig van de ramen van de huizen waar ik langskom en de maan die me dwingt omhoog te kijken, kijk omhoog! Wilde katten schieten voor me langs, paradijsvogelbloemen duiken uit de schaduw op, geuren worden uitgewasemd in de lucht: eikenzaagsel, slijmzwam, kamfer.

Ook omdat het hier niet helemaal veilig is.
In januari is het koud in Noord-Florida en ik stap stevig door om warm te blijven, maar ook omdat het hier niet helemaal veilig is, hoewel het een statige buurt is – gigantische victoriaanse huizen die verderop overgaan in jarentwintigbungalows tot je aan de rand bij de moderne ranches van halverwege de vorige eeuw komt. Een maand geleden nog is er iemand verkracht, een jogger van in de vijftig die de azalea’s in werd getrokken, en vorige week is een vrouw met haar peuter in een buggy omvergelopen en toegetakeld door een meute loslopende pitbulls, al hebben moeder en kind het wel overleefd. Kunnen die honden niks aan doen, het is de schuld van het baasje! riepen de hondenliefhebbers op de buurtapp, maar die honden waren psychopaten. Toen de voorsteden in de jaren zeventig verrezen, liepen de historische panden in het centrum leeg ten gunste van studenten die op de grenen vloeren bonen opwarmden op campinggasjes en balzalen opdeelden in afzonderlijke appartementen. Toen de huizen door verwaarlozing en vocht in verval raakten, afbladderden en roestige schubben kregen, ontstond een tweede leegloop en kwamen de armen, de krakers. Wij zijn hier tien jaar geleden komen wonen omdat het huis goedkoop was en een hardhouten skelet had en omdat ik vond dat als ik al in het Zuiden moest wonen, met zijn gekookte pinda’s en het Spaanse mos dat overal sliert als okselhaar, ik me dan in elk geval niet met al mijn witheid in een hekwerkwijk moest barricaderen. Is het daar niet een beetje… onguur? zeiden mensen van de leeftijd van onze ouders met een veelzeggende blik als we vertelden waar we woonden, en dan moest ik op mijn tong bijten om niet te zeggen: Bedoel je zwart? Of alleen arm? Want beide waren het geval.

Maar intussen is de buurt overgenomen door de witte middenklasse en heerst er alom verbouwingskoorts. De meeste zwarte buurtbewoners zijn de afgelopen jaren weggetrokken. De daklozen zijn nog wel een tijdje gebleven, omdat de wijk grenst aan Bo Diddley Plaza, waar de kerken tot voor kort voedsel en God uitdeelden en waar Occupy als een vloedgolf was binnengerold en het recht had opgeëist om daar te slapen, het vervolgens beu was geworden om vies te zijn en weer was weggegolfd, met achterlating van menselijk wrakhout in de vorm van daklozen in slaapzakken. Tijdens onze eerste maanden in het huis hadden we een dakloos stel geherbergd, van wie we alleen een glimp opvingen als ze bij het aanbreken van de dag wegslopen. Als het begon te schemeren tilden ze stilletjes het rooster van de kruipruimte onder ons huis op om daar te slapen; onze slaapkamervloer was hun plafond en als we er ’s nachts uit moesten, liepen we uiterst behoedzaam, omdat het onbeleefd voelde om je voeten enkele centimeters boven het gezicht van een dromend persoon neer te zetten.

Tijdens mijn avondwandelingen openbaren de levens van de buren zich achter de verlichte ramen
Tijdens mijn avondwandelingen openbaren de levens van de buren zich achter de verlichte ramen, huiselijke aquaria. Soms ben ik de stille getuige van ruzies die ogen als een trage dans zonder muziek. Het is verbazingwekkend hoe mensen leven, de rommel die ze bewaren, de heerlijke kookgeuren die tot op straat te ruiken zijn, de kerstversieringen die geleidelijk aan binnensijpelen in het dagelijks decor. De hele maand januari lang heb ik een kerstboeket van rozen op een schoorsteenmantel zien verschrompelen, tot de bloemen alleen nog maar een verwelkt bosje verdriet waren en het water een vuilgroen schuim, met een enorme, nog altijd vrolijk lachende Kerstman op een stokje die boven de resten uit stak. Raam na raam komt dichterbij, het beeld bevriest, de blauwe mist van televisielicht of het stel dat over de avondmaaltijd van pizza gebogen zit, blijft stilstaan als ik langsloop en glijdt de vergetelheid in. Ik moet denken aan de manier waarop water zich verzamelt als het langs een ijspegel naar beneden sijpelt, stilhoudt om de glanzende druppel op te bouwen, te zwaar wordt om te blijven hangen en naar beneden stort.

Er is in de wijk één nagenoeg raamloos gebouw, waar ik niettemin een zwak voor heb omdat het nonnen huisvest. Eerst woonden er zes nonnen, maar door natuurlijk verloop, zoals dat gaat bij heel oude dames, kraken er nu nog maar drie vriendelijke zusters op hun verstandige schoenen door die immense ruimte rond. Een vriend van ons die makelaar is, vertelde dat er bij de bouw in de jaren vijftig een schuilkelder was uitgegraven in de poreuze kalksteen van de achtertuin en tijdens slapeloze nachten, als mijn lichaam in bed ligt, maar mijn hoofd nog buiten aan het wandelen is, zie ik voor me hoe de nonnen in hun habijt psalmen zingen in de schuilkelder en op een hometrainer fietsen om te zorgen dat het peertje blijft flakkeren, terwijl bovengronds alles zwartgeblakerd is en roestige scharnieren de wind raspen.

Omdat het ’s avonds zo koud is, hoef ik de straat maar met weinig mensen te delen. Er loopt een jong stel te joggen in een iets lager tempo dan mijn stevige pas. Ik blijf achter hen lopen en luister naar hun gebabbel over trouwplannen en ruzies met vrienden. Op een gegeven moment vergat ik waar ik was en lachte hardop om iets wat ze zeiden, waarop ze geschrokken hun hoofd met een ruk naar me omdraaiden, er de vaart in zetten en de eerste de beste hoek omsloegen die ze tegenkwamen. Ik liet ze in het donker verdwijnen.

Er loopt vaak een elegante, lange vrouw een Deense dog met de kleur van droogtrommelpluis uit te laten. Ik ben bang dat haar iets mankeert, want ze loopt heel stram en vertrekt haar gezicht alsof ze geplaagd wordt door pijn scheuten. Soms stel ik me voor dat ik een hoek om kom stormen, haar ineengezakt op de grond aantref en haar dan over haar hond heen leg, hem een klap op zijn schoften geef en nakijk terwijl hij haar met alle waardigheid die hij bezig naar huis draagt.

Er is ook een gigantisch dikke jongen van een jaar of vijftien, die altijd met ontbloot bovenlijf op een loopband achter het glas van een veranda bezig is. Hoe vaak ik ook de route langs zijn raam neem, altijd loopt hij daar en zijn voeten dreunen zo dat ik ze twee straten eerder al hoor. Omdat de lichten in het huis aan zijn, is er voor hem buiten het raam alleen een onpeilbaar zwart en ik vraag me af of hij net zo naar zijn spiegelbeeld kijkt als ik naar hem, of hij ziet hoe zijn buik bij elke stap golft alsof het een vijver is waarin iemand een vuistgrote kei heeft gegooid.

De hygiëne mag dan mettertijd zijn veranderd, het menselijk lichaam is dat niet.
Dan heb je de verlegen mompelende dakloze vrouw die blikjes verzamelt, de rammelende tassen achter op haar bagagedrager hijst en de oude betonblokken voor de chiquere huizen gebruikt om op haar fiets te klimmen. De lichaamsgeur die ze verspreidt doet me denken aan de gefortuneerde zuidelijke dames in donkere zijde die ooit diezelfde blokken gebruikten om in hun koets te klimmen en een soortgelijke intiem vrouwelijke lucht uitwalmden. De hygiëne mag dan mettertijd zijn veranderd, het menselijk lichaam is dat niet.

Dan heb je de man die onder een lamp voor een kroeg met betraliede ramen staat en schunnigheden sist. Ik trek mijn met-mij-valt-niet-te-sollen-gezicht en verder dan sissen is hij nog nooit gegaan, maar ergens vanbinnen ben ik meer dan klaar voor hem, wil ik gebruiken wat zich daar heeft opgebouwd.

Soms denk ik dat ik het heimelijke stel zie dat onder ons huis woonde, die typische houding van zorgzaamheid van hem, zijn hand op haar rug, maar als ik dichterbij kom is het alleen maar een papajaboom die over een regenton gebogen staat, of twee jongens die in de bosjes staan te roken en schichtig worden als ik voorbijkom.

En verder is er nog de therapeut die elke avond achter zijn bureau zit in zijn victoriaanse villa, die oogt als een rottend galjoen. Een van zijn patiënten heeft hem in bed betrapt met zijn vrouw; de patiënt had een geladen pistool in zijn auto liggen. De vrouw is tijdens de coïtus gestorven, de therapeut heeft het overleefd, de kogel zit nog steeds in zijn heup, waardoor hij strompelt als hij opstaat om zichzelf nog een whisky in te schenken. Het gerucht gaat dat hij de bedrogen moordenaar elke week in de gevangenis opzoekt. Of dat uit goedheid is of leedvermaak blijft schimmig, maar motieven zijn natuurlijk nooit werkelijk zuiver. Mijn man en ik woonden hier net toen de moord plaatsvond. We stonden schimmelige verf van de eiken plafondlijsten in de eetkamer te schrapen toen de schoten door de lucht knetterden, maar wij dachten natuurlijk dat het vuurwerk was dat de kinderen van verderop afstaken.

Tijdens het wandelen zie ik vreemden, maar ook mensen die ik ken. Begin februari kijk ik op en zie een goede vriendin in een roze sportmaillot strekoefeningen doen voor het raam, tot ik in een flits besef dat ze helemaal geen oefeningen doet, maar haar benen afdroogt en dat de maillot gewoon haar lichaam is, roze van de warme douche. Ook al heb ik haar beide keren na de geboorte van haar zoons in het ziekenhuis opgezocht, de pasgeborenen die nog naar haar roken in mijn armen gehouden, de rauwe keizersneewond gezien, pas nu ik haar zichzelf zie afdrogen besef ik dat ze een seksueel wezen is en de eerstvolgende keer dat ik haar spreek krijg ik onwillekeurig een kleur terwijl ik beelden voor me zie van haar in extreme seksstandjes. Meestal zie ik echter alleen glimpen van moeders die ik ken, die gekromd als de staf van een herderinnetje op zoek zijn naar legosteentjes op de grond of half opgegeten druiven of de persoon die ze ooit waren, weggekropen in een hoekje.

Het is te veel, te veel, schreeuw ik op sommige avonden.
Het is te veel, te veel, schreeuw ik op sommige avonden tegen mijn man als ik thuiskom en hij kijkt me bang aan, deze vriendelijke reus, en recht zijn rug op bed achter de computer en zegt zachtjes: Ik denk niet dat je het er al uit gelopen hebt, lieverd, misschien moet je nog een extra blokje om. En ik vertrek weer, razend omdat de straten zo laat op de avond onveiliger worden en hoe durft hij me een dergelijk gevaar aan te raden, terwijl hij toch weet hoe kwetsbaar ik ben. Anderzijds is mijn eigen warme huis misschien ook niet meer zo veilig. Als mijn zoons overdag op school zijn, kan ik niet ophouden te lezen over de rampzalige toestand van de wereld, de gletsjers die sterven als levende wezens, de plasticsoep in de Stille Oceaan, de honderden soorten die uitsterven zonder dat het ergens wordt vastgelegd, duizenden jaren die worden uitgedoofd alsof ze niet kostbaar waren. Ik lees en rouw heftig, alsof lezen op een of andere manier deze honger naar verdriet kan stillen, in plaats van wat het doet, namelijk hem voeden.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief