nieuws

‘Geen deel van de wereld’ van Stefanie de Velasco

Op een dag wordt de tiener Esther abrupt uit haar leven weggerukt om een nieuw gemeenschapsgebouw op te bouwen in de geboorteplaats van haar vader. Terwijl haar ouders van deur tot deur gaan als Jehova’s Getuigen, mist Esther haar vriendin Sulamith verschrikkelijk. Sulamith begon steeds meer te rebelleren tegen het geloofssysteem waarin ze opgroeiden en verdween vlak voor Esthers verhuizing. Terwijl Esther probeert uit te zoeken wat er met Sulamith gebeurd is, stuit ze op een deel van haar familiegeschiedenis dat tot dan toe voor haar verborgen is gehouden.

Geen deel van de wereld is een intelligente, ontroerende en scherp geschreven roman over hoe het is om op te groeien in een religieuze gemeenschap, gebaseerd op eigen ervaringen van Stefanie de Velasco die op haar vijftiende zelf uit zo’n gemeenschap stapte.

Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.

1

‘Esther!’ roept moeder.

Ver weg, aan de horizon, hangen dikke zwarte rookpluimen. Brand, brand! Er is geen brand. Het zijn maar schoorstenen. Rokende, versteende suikerbroden. Toch vervliegt de rook.

‘Ze maken daar toch geen vuurtangenbowl,’ heeft papa gezegd, ‘en zeker niet uit die daar.’

Bij de ingang staat al een mooi bord, ik kan het vanuit mijn raam zien, het is stralend wit, alsof buitenaardse wezens het daar hebben neergezet: HIER KOMT BINNENKORT EEN GLOBUS-TUINCENTRUM. Achter het bord een beroete bakstenen muur, een verroeste poort. Niemand gaat er in of uit, toch staat er een hek om het hele terrein.

Een smal stroompje perst zich langs de fabriek, langs de wallenkanten hoopt zich crèmekleurig slakkenschuim op, dik en stijf als slagroom, van de aanblik alleen al word je misselijk. Langs het water staan huizen, de gevels niet grijs, niet bruin. Ik moet nog een naam voor die kleur bedenken. Gruw. De daken zijn bijna allemaal kapot, de ramen ingeslagen, uit woede, of de tijd heeft ze doodgeslagen. Ook op straat moet je uitkijken, er vallen steeds weer stukken gevel omlaag. Sommige zijn hard, andere zacht en poreus. De mensen hier vegen de brokstukken op zondagen naar de achterplaatsen, daar ontstaan steeds grotere torens, elke achterplaats een klein Babylon dat zich weigert over te geven. Ik heb me lang afgevraagd waar die stenen me aan deden denken. Ik heb me gebukt, heb ze in mijn handen genomen, ze tussen mijn vingers verpulverd, toen schoot het me weer te binnen. Als honden te veel botten hebben gevreten, deponeren ze zoiets. Vroeger vonden Sulamith en ik soms van die brokken langs het pad naast onze frambozen, we dachten dat het krijt was. We hebben er een keer mee getekend op het plein voor de garage, ik probeerde er mijn naam mee te schrijven, de S spiegelbeeldig, ik wist nog niet beter, kon nog helemaal niet schrijven. Sulamith tekende ons huis met voor de deur mij, achter de ramen mijn vader en mijn moeder, hun hoofden driehoeken met spitse kinnen, hun neuzen strepen, rondjes en enorme neusgaten, het leken wel monsters met die neuzen, tot Sulamith plotseling haar krijtje liet vallen.

‘Het is hondenstront,’ fluisterde ze.

Stront, ik kende het woord, maar had het nog nooit iemand hardop horen zeggen. Het siste in mijn oren alsof iemand Snickers bakte in een pan.

Anders dan Sulamith bracht ik er nooit veel van terecht, van dat tekenen.
Anders dan Sulamith bracht ik er nooit veel van terecht, van dat tekenen. Maar als ik alles buiten zou moeten tekenen, die grijze hemel, doortrokken van rook, de fabriek, het stroompje, dan zou ik het met die stenen van die achterplaatsen doen, ik zou tekenen tot er geen stenen meer waren, geen huizen meer, tot er niets meer stond.

‘Esther!’ roept mijn moeder weer.

Buiten wapperen Sulamiths kleren. Ik heb ze voor mijn raam gehangen, zodat ik er niet steeds naar hoefde te kijken, naar die oude schoorstenen, die kapotte huizen, dat smerige stroompje: de Rode Zee, zo noemde mama het gisteren tijdens onze eerste bijeenkomst. Iedereen had van huis stoelen meegenomen, omdat die er nog niet stonden in de nieuwe Koninkrijkszaal. Het dak is al klaar, maar verder ziet alles er nog zo uit zoals het er in een half afgebouwd huis nou eenmaal uitziet. De wanden zijn niet gestuct, er ligt geen vloerbedekking. Wij zullen hier in Peterswalde de eersten zijn met centrale verwarming, maar de ketel is nog niet geplaatst. Het was steenkoud. Zuster Wolf strompelde op mij af, door haar kunstheupen lijkt het alsof ze op ongelijke stelten loopt.

‘Jij bent helemaal geen kind meer,’ zei ze, en ze greep me bij mijn korte haren, alsof het een wonder was, groeien en ouder worden.

‘Je lijkt precies op je grootmoeder, maar dan zonder lange vlechten.’

Anton Wolf stond vlak achter haar.

‘Ach, Luise,’ zei hij terwijl hij vlak voor mij kwam staan, ‘wat een mooie zangstem had ze. Kun jij ook zo mooi zingen?’ Zijn adem rook naar plaque, in zijn stokoude ogen brak het licht aan het plafond, het leek op een Romeins mozaïek.

Wij zijn hier maar met een handjevol verkondigers. Broeder en zuster Wolf, de familie Lehmann met hun kinderschare, broeder en zuster Radkau met hun zoon Gabriël, vader, moeder en ik. We lezen nog altijd De grootste mens die ooit heeft geleefd. Met opengeslagen boeken zat de hele vergadering op de meegebrachte stoelen. Het rook naar verf, de tl-buizen aan het plafond knetterden als oude, gebrekkige gewrichten. Gabriël stond naast vader op het podium en las voor. Hij is net zo oud als ik en heeft zich op het laatste zomercongres laten dopen. Net als mijn moeder en mijn vader zijn Gabriëls ouders ‘speciale pioniers’. Hoe het hun in de illegaliteit is gelukt, zonder theocratische structuur en ondanks de vervolging om honderdtwintig uur per maand velddienst te doen is mij een raadsel. Gabriël doet me denken aan Tobias in onze oude gemeente in Geisrath. Dat donkerblonde waas op zijn bovenlip, die uitstaande schoudervullingen van zijn jasje waar hij nog in moet groeien, en die vreemde geur van overrijpe bananen die jongens in de puberteit uitwasemen. Tobias rook ook altijd zo. Knalrode oren kreeg Gabriël toen hij daar naast papa stond voor te lezen, alsof het om een wellustige passage ging, terwijl het gewoon Jezus was die met Petrus de zee op gaat. Een zware storm steekt op, water slaat over de boorden, het bootje dreigt te zinken. Petrus wordt bang en werpt zich aan Jezus’ voeten, maar Jezus aait hem over zijn hoofd en zegt: ‘Vanaf nu zul je mensen vissen.’

Toen vader de eerste rondvraag stelde, stak moeder haar vinger op.
Toen vader de eerste rondvraag stelde, stak moeder haar vinger op. Haar slanke hand schoot omhoog, de anderen keken naar haar gemanicuurde vinger, ze staarden naar de bordeauxrode nagellak, naar de witte blouse met het smalle kanten kraagje met een donkerblauw biesje, ze keken naar de grijze kokerrok die haar als gegoten zat, naar haar chique lakschoenen en dan naar mij, alsof ik ook een kanten kraagje of lakschoen was, een van mama’s accessoires. Alleen zuster Lehmann lette niet op wat mijn moeder droeg. Wat doen jullie hier eigenlijk? Die vraag stond op haar gezicht geschreven, ze leek zich niet voor te kunnen stellen dat iemand zijn vaderland verlaat om uitgerekend op deze plek op aarde nog een keer helemaal opnieuw te beginnen, terwijl dit toch ook ons vaderland is, althans, dat van mijn vader. Hier is hij opgegroeid, hoe onvoorstelbaar ik het ook vind, maar exact hier moet hij hebben leren lopen en fietsen, op deze kapotte straten, hier moet hij vrienden hebben gehad, in deze ijzige kou is hij misschien wel met ze gaan schaatsen. Pas toen de baby begon te schreeuwen, keek zuster Lehmann weg, ze pakte hem uit de kinderwagen en legde hem aan de borst. Haar donkere bovenstukje zat vol melkvlekken. Zou mijn moeder ooit melkvlekken op haar kleren hebben gehad?

‘Precies daarom zijn wij hierheen gezonden, om de laatste mensen te vissen, voor de Dag des Oordeels komt, want het is onze opdracht, of we nu speciale pionier, pionier, hulppionier, gedoopte verkondiger of ongedoopte verkondiger zijn,’ zei mijn moeder toen mijn vader haar uiteindelijk aanwees. ‘Hier! Hier ligt de Rode Zee. De Rode Zee zit vol vis. Jehovah heeft het water gescheiden en toen heeft hij het weer verenigd. Nu komen wij hier vissen, net zo lang tot er geen mensenvis meer over is.’

Boven ons hoofd vloog een kleine mot tegen de tl-balken, hij vloog op het licht af, steeds weer, botste ertegenaan en viel dood op ons neer.

‘Zo moeten Lucifer en zijn demonen eruit hebben gezien toen ze uit de hemel werden geworpen,’ zou Sulamith hebben gezegd.

Soms verzon ze zulke goddeloze uitspraken, niet uit gebrek aan respect, maar gewoon, om het allemaal een beetje draaglijker te maken. Ik huiver, en weet niet of het door de kou komt of omdat ik bang word, omdat ik Sulamith zo vaak tegen mij hoor praten dat ze bijna altijd bij me is, naast mij op een van die harde klapstoelen die nog van oma geweest moeten zijn. Sulamith die in haar nek krabt, aan haaltjes in haar sokken pulkt. Ze kijkt naar haar boek, De grootste mens die ooit heeft geleefd, naar Jezus en Petrus in de boot. Ze pakt een balpen en tekent twee spreekballonnetjes boven de hoofden. In het spreekballonnetje boven Petrus schrijft ze De aspergetijd komt!, in die boven Jezus Sail Away! en op de boot Beck’s Bier. Jezus ziet er plotseling uit als een feestbeest, Petrus heeft niets vertwijfelds meer, maar ziet er gewoon uit als iemand die zich waanzinnig op de aspergetijd verheugt.

Ik voelde haar lange haren op mijn onderarm, die blonde, ondoordringbare strengen, hoe ze schudden van het lachen, maar toen zag ik dat het helemaal geen haarstreng was, maar mijn moeders blouse die langs mijn arm streek, moeder met haar Lady Di-kapsel, en toen schoot het me allemaal weer te binnen en voelde het alsof ik het net pas voor het eerst had gehoord. Sulamith is er niet meer. Midden in de nacht hebben ze me wakker gemaakt en in de auto gezet. Ik heb geschreeuwd, maar dat hielp niet.

‘Het is gewoon voor je eigen bestwil,’ zei moeder.
‘Het is gewoon voor je eigen bestwil,’ zei moeder toen we hier de volgende ochtend aankwamen, ‘eens zul je ons dankbaar zijn.’

Moeder, ik moet er nog aan wennen. Sinds die toestand met Sulamith kan ik geen mama meer tegen haar zeggen. Ik noemde moeder altijd mama. Nu noem ik haar niets meer. Gelegenheden waarbij ik haar moet aanspreken, ga ik uit de weg. Voor vader geldt hetzelfde, maar dat gaat makkelijker. Er zijn niet veel gelegenheden om hem aan te spreken. Vader is altijd op pad. Zodra de zaal hier klaar is, zal vader weer voor de getrouwe en beleidvolle slaven op pad gaan, voor ons besturende lichaam, want al is het hier in Peterswald sinds kort anders, er zijn nog genoeg plekken op de wereld waar wij óf nog niet bekend, óf al verboden zijn.

‘Esther,’ roept moeder, ‘kom nou eindelijk eens naar beneden!’

Het hele huis ruikt naar linzensoep. Alleen al de geur maakt me misselijk. Vader zit aan de eettafel in de woonkamer, met zijn ellebogen leunt hij op het witte tafelkleed met een blauwe rand. Het is van dezelfde stof waarvan mijn moeder voor Sulamith en mij dit jaar de jurken voor de Veertiende Nisan heeft gemaakt. Vader kijkt om zich heen alsof hij in het huis van een vreemde te gast is, maar hij moet hier al ontelbare keren aan precies dezelfde tafel hebben gezeten en gegeten. Deze eettafel heeft hier altijd al gestaan. Verder herinnert er nog maar weinig aan oma of aan het feit dat vader hier is opgegroeid. Met de beste wil van de wereld kan ik mij hem niet als kind voorstellen, maar de vele strepen op de muur vlak naast mijn bed, kakelbont boven elkaar, de grootste afstand tussen de Gedachtenisviering in 1956 en de Bevrijdingsdag in 1957 zijn het bewijs. Vader is gegroeid, hier in dit huis, in mijn kamer is hij opgegroeid, van hem moeten ook de zelfgetekende landkaarten zijn die ik heb gevonden. Ze lagen onder een losse plank onder in de kledingkast, ik heb ze per toeval gevonden.

Ik ga tegenover vader zitten, hij frunnikt aan zijn servet, wit met een blauwe rand. Moeder en ik gingen vroeger maar zelden mee naar Peterswalde, het gevaar was te groot, je kon met literatuur aan de grens betrapt worden, het risico dat we met onze aanwezigheid broeders en zusters zouden verraden was te groot. Wanneer heeft vader oma voor het laatst gezien? Zelfs naar haar begrafenis mocht hij niet met ons, ze zouden hem aan de grens hebben opgepakt. Nu zit hij hier en kijkt hij stiekem over zijn schouder, alsof iemand hem elk moment in zijn nek kan springen. Even overweeg ik over de kaarten te beginnen, over dat land in de vorm van een hart dat erop te zien is, het onvaste kinderhandschrift ernaast dat ik niet kan lezen, maar daar komt moeder al binnen met een dampende pan. Moeder is het gedoe van de verhuizing allerminst aan te zien. Ze is al helemaal geïnstalleerd, zelfs in haar nieuwe naaikamer op zolder heerst al dezelfde wanorde als voorheen in Geisrath.

Glimlachend schept ze de linzen op onze borden.

‘Volgende week worden in de Zaal het water en de verwarming aangesloten,’ zegt vader.

‘En dan zul je hopelijk weer wat vaker thuis zijn,’ zegt moeder en ze gaat zitten.

Thuis, hoe dat klinkt. Alsof dit hier ooit ons thuis kan worden, alsof vader hier ooit langer dan twee maanden achter elkaar zal zijn. Hij buigt zijn hoofd en vouwt zijn handen.

‘Heer Jehovah, u die in de Hemelen troont, uw naam worde geheiligd.'
‘Heer Jehovah, u die in de Hemelen troont, uw naam worde geheiligd. Wij danken u voor de spijzen die u vandaag op onze tafel hebt gezet, en dat wij hier als gezin in vrede samen kunnen eten. Wij willen u bedanken dat wij hier op deze plek, die de Waarheid en de Boodschap zo lang niet hebben gehoord, een Zaal te uwer ere hebben mogen stichten. Breng ons hier voorspoed en laat ons met onze broeders en zusters die hier zo lang standvastig zijn geweest, uw Boodschap verkondigen. Amen.’

‘Amen,’ zegt moeder.

‘Amen,’ mompel ik.

Ik steek mijn lepel in de bruine linzenzee. Moeder schuift de broodmand naar me toe en wijst op de bruine boterhammen.

‘Nee, dank je,’ zeg ik.

‘Wil je een glas melk?’

‘Nee, dank je,’ zeg ik.

Vader slaat het boek met de dagteksten op, het ligt naast zijn bord, hij bladert tot hij de datum van vandaag heeft gevonden.

‘“Blijf mij dus verwachten, verklaart Jehovah, tot de dag dat ik opsta om buit te halen, want het is mijn rechterlijke beslissing om volken te verzamelen, om koninkrijken bijeen te brengen, om mijn verontwaardiging over ze uit te storten, heel mijn brandende woede.”’

Ik probeer een lepel linzen naar binnen te werken.

‘“Dan zal ik de taal van de volken veranderen in een zuivere taal, zodat ze allemaal de naam van Jehovah aanroepen en hem schouder aan schouder dienen.”’

Zuivere taal, dat was ook het motto van ons grote congres afgelopen zomer. Nog maar nauwelijks twee maanden geleden en ik weet er niets meer van, al die uren dat ik er heb gezeten, alsof ik met zwarte verf was bestreken. Het was Sulamiths laatste congres.

‘Congo,’ zei ze steeds weer, en zo noteerde ze de congresdagen ook steeds in haar schoolagenda, met dat ene woord Congo, Congo, Congo, Congo, alsof ze donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag naar een onbekend, gevaarlijk land moest.

‘Esther?’

Moeder legt haar lepel weg.

‘Ik vroeg je iets.’
‘Ik vroeg je iets.’

‘Sorry.’

Vader staat op en komt terug met een kan thee en schenkt in. Congo, Congo, Congo, Congo. Sulamith droeg een zwarte jurk, alsof ze naar haar eigen begrafenis ging. Haar betraande gezicht als Lidia haar vaders auto in sleurt, haar kreten als ze op de achterbank haar nagels in Lidia’s huid boort, de zware geur van angstzweet die ons tegemoetstroomt, Lidia’s gehijg en naast mij vader, die met een stuurs gezicht langs de snelweg raast.

Mijn bord wil maar niet leeg. Ook vader eet alsof het een verplichting is. Soms ligt hij ’s avonds op de bank en doet hij alsof hij uitrust, maar in werkelijkheid heeft hij pijn, ik zie het aan de manier waarop hij met zijn hand op zijn buik drukt, maar als moeder hem erop aanspreekt, schudt hij altijd heftig zijn hoofd, alsof het verraad zou zijn hier in zijn oude vaderland buikpijn te krijgen. Ik steek mijn lepel in de linzen en denk aan iemand uit de Bijbel die ik graag op zou eten. De apostel Paulus, Johannes de Doper, de kleine profeten, koning Salomo en koning David, Job. Moeder eet zoals altijd gulzig. Ze steekt de soeplepel in de pan en neemt nog een portie. Vader lepelt bedachtzaam, mijn bord is nog lang niet leeg, dus neem ik nog een lepel voor iedere zoon van Jacob: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Dan, Naftali, Gad, Ascher, Issachar, Sebulon. Nog voor Jozef en Benjamin is mijn bord eindelijk leeg.

‘Mag ik van tafel?’

‘Wil je geen toetje?’

‘Nee.’

‘Het wordt tijd dat je weer eens naar school gaat,’ zegt vader.

Moeder knikt.

‘Heb je er zin in?’

‘Nee.’

Boven voor mijn raam fladderen nog altijd Sulamiths kleren. Een spijkerbroek, sokken, ondergoed, een blauwe trui en een T-shirt, fruit of the loom staat op de trui, daaronder staat een fruitmand. Het T-shirt is bedrukt met veel kleine schijven watermeloen. Sulamith hield van fruit op haar kleren. Zou je hier in de zomer watermeloenen kunnen krijgen? De afgelopen dagen is de nieuwe weg afgemaakt. Hij loopt van het station tot in de weilanden. Aan het eind van de weg hebben ze een supermarkt gebouwd, midden in het open veld. Hij ziet eruit als een doos Playmobil die in de stront is gevallen. Ik was er gisteren, ik wilde van mijn zakgeld Dreft kopen, maar ze waren nog niet open, dus heb ik Sulamiths spullen met moeders dure shampoo gewassen, in de wasbak, één voor één, met de hand, alsof ze van zijde waren. Thuis slingerden er altijd spullen van Sulamith in mijn kamer rond. Schoolboeken, kleren, kettinkjes. Ze was vaak bij ons, soms wekenlang als Lidia weer eens naar de kliniek moest. ’s Ochtends ontbeten we samen en lazen we samen de dagteksten. Mama overhoorde ons om beurten en dan fietsten we samen naar school, met dezelfde pakjes drinken in onze rugzakken, hetzelfde brood, met hetzelfde beleg.

Voor ’s avonds het kolenstof komt, haal ik de kleren binnen.
Voor ’s avonds het kolenstof komt, haal ik de kleren binnen. Ze zullen dan niet meer naar moeders dure shampoo ruiken, maar dat zou ook niet zo zijn als ik ze hierbinnen had gedroogd. De stank van buiten dringt door elke kier. Desinfecteermiddel, benzine, kolen – dat alles vermengd met de geur van wilde dieren. Het doet me ergens aan denken, aan een dierentuin misschien. Het ruikt in elk geval soms alsof er niet ver hiervandaan tijgers en kamelen leven. Beneden scheldt moeder in zichzelf, zoals zo vaak krijgt ze het fornuis niet aan. De kolenschep knalt op de keukenvloer.

Moeder komt de trap op en stoot de deur van mijn kamer open.

‘Haal die was binnen. Die wordt toch helemaal niet droog met dit weer. Wat zijn het eigenlijk voor kleren? Dat is toch allemaal zomerkleding?’

‘Van Sulamith,’ zeg ik.

Moeder zet grote ogen op.

‘Wat doen die hier?’

‘Die zaten in een van de verhuisdozen.’

‘Haal ze binnen. We sturen ze op. Lidia wil ze vast terug.’

‘Lidia heeft al Sulamiths spullen weggegeven.’

‘Weggegeven?’

‘Ja.’

‘Haal die spullen binnen,’ zegt moeder, ‘en pak eindelijk je verhuisdozen eens uit.

Ik loop de tuin in, haal Sulamiths kleren van de lijn en leg ze op de verwarming.
Ik loop de tuin in, haal Sulamiths kleren van de lijn en leg ze op de verwarming. Mijn verhuisdozen staan hier al vier weken, ik heb ze nauwelijks aangeraakt. Alleen Sulamiths spullen heb ik er uitgehaald. Ik pak niet uit. Als ik zou uitpakken, lijkt het alsof ik me overgeef. Dan hebben vader en moeder gewonnen. Later, als de kleren droog zijn, zal ik een kaars aansteken en patchoeli op de kleren druppelen, op die watermeloentjes, dan zullen ze niet meer naar Peterswalde ruiken maar naar Sulamith, net als vroeger. Vroeger. Het is helemaal niet lang geleden, het is helemaal geen verleden tijd, niet voor mij tenminste. Op sommige dagen word ik ’s ochtends wakker en ben ik even vergeten waar ik ben. Dan hoor ik Sulamith naast mij ademhalen. Dan doe ik mijn ogen open en is er niemand, nergens in bed liggen Sulamiths haren waar ik me vroeger zo over opwond, vooral in de douche.

Ik sta op, loop naar het raam, maar er is geen zachte vloerbedekking, alleen die koude planken waarvan je splinters in je blote voetzolen krijgt, en als ik naar buiten kijk, zijn daar geen groene weiden, er is geen riviermonding, geen blauwe hemel, geen zon die op een meer en op rijpe frambozen schijnt, er zijn alleen van die ashuizen, omringd door opgevroren velden, er staan alleen schoorstenen, die fabriek, die lege straten, die stenen op de achterplaatsen. Vrouwen met hoofddoeken en gehaakte boodschappennetjes haasten zich voorbij, alsof de avondklok is ingesteld en er elk moment bommen kunnen vallen, net als in het Midden-Oosten. In het Midden-Oosten, zijn we daar niet, eigenlijk?

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief