leesfragment

‘Glazen vleugels’ van Katrine Engberg

Zaterdag 14 oktober. Een verpleegkundige vult een injectiespuit met een overdosis medicatie en loopt de kamer binnen van een oudere patiënt.

Vijf dagen eerder. Een bezorger vindt het naakte lichaam van een dode vrouw in een fontein. 

Rechercheur Jeppe Kørner krijgt de zaak toegewezen. Het onderzoek leidt hem en zijn team naar het hart van het zorgsysteem. Een wereld waar vuile ambitie en corruptie een grotere plaats innemen dan empathie en medemenselijkheid. En intussen tikken de uren weg tot de volgende moord…

Lees hier de eerste pagina’s van de nieuwe Kopenhagenthriller van Katrine Engberg Glazen vleugels.

Zaterdag 14 oktober

Proloog

De doorzichtige glazen ampullen lagen in de afgesloten kast, naast de wegwerpnaalden en cilinders met maatverdeling. Morfine en OxyContin voor hevige pijn, propafenon voor boezemfibrilleren en het antistollingsmedicijn Pradaxa waren op verantwoorde wijze verpakt in kartonnen dozen en doorzichtig plastic. Standaardmedicatie op de afdeling Cardiologie, bedoeld voor verlichting en verbeterde levenskwaliteit, en soms zelfs genezing.

De verpleegkundige wierp een vluchtige blik op de medicijnen en overwoog hoeveel ze nodig had. Hoe zwaar zou hij zijn? Het gewicht van de patiënt stond in de patiëntenstatus die aan het voeteneind van zijn bed hing, maar ze wilde niet naar zijn kamer gaan om het te controleren.

De nacht had oneindig lang geduurd. Gisteren was er vlak voor het wisselen van de wacht een ziekmelding binnengekomen en het was ermee geëindigd dat zij een dubbele dienst moest draaien. In plaats van een avond met haar gezin door te brengen, was ze nu al bijna zestien uur aan het werk. Haar hoofd zat vol bliepende alarmsystemen en de eisen en vragen van angstige patiënten. Haar voeten in de ergonomische schoenen deden pijn en ze had een stijve nek.

Ze gaapte, wreef in haar ogen en keek naar haar spiegelbeeld in de glanzende metalen deur van de kast. Iemand van tweeëndertig zou geen chronische wallen onder haar ogen moeten hebben; haar werk begon zijn tol te eisen. Nog maar één uur, dan zat haar dienst erop en kon ze naar huis om te slapen terwijl haar gezin opstond en Coco Pops voor de televisie at.

Dat was voldoende om een acute hartstilstand te veroorzaken en hem uit zijn lijden te verlossen.
Ze koos drie ampullen, stopte ze in de zak van haar uniformjasje en deed de kast op slot. Drie keer 10ml-ampullen met 50 mg/ml ajmaline, dat moest voldoende zijn. De patiënt kon niet veel meer dan zeventig kilo wegen, wat betekende dat 30 ml van het medicijn tegen hartritmestoornissen overeenkwam met de aanbevolen maximale dosis. Dat was voldoende om een acute hartstilstand te veroorzaken en hem uit zijn lijden te verlossen. En alle anderen ook, dacht ze, waarna ze door de verlaten gang naar kamer 8 liep.

De oude man was veeleisend, praatte onvriendelijk en zeurde overal over, van de smerige ziekenhuiskoffie tot de arrogantie van de artsen. De hele afdeling had genoeg van zijn verschrikkelijke humeur.

Ze was altijd iemand geweest die haar mening hardop uitsprak en iets aan de situatie deed. Geen rol waar je populair door werd, maar wat moest ze anders? Net als haar collega’s passief toekijken en mopperen over het slechte personeelsbudget en het tekort aan ziekenhuisbedden? Dat was ze niet van plan. Ze was geen verpleegkundige geworden om alleen maar koffie te serveren en wonden te verbinden. Ze wilde een verschil maken.

De schoonmaakster, die een hoofddoek droeg, duwde haar kar met emmers en doeken door de gang terwijl ze strak naar de linoleumvloer keek. De verpleegkundige passeerde haar; de ampullen stevig in de hand geklemd die ze in de zak van haar uniform hield. Haar hartslag begon te versnellen. Zo meteen zou ze presteren, haar volledige potentieel gebruiken en proberen een leven te redden. De verwachting begon in haar te bonken als een hartslag; het tegenovergestelde van de leegte die ze normaal gesproken voelde. Op dit moment was ze onmisbaar. Er stond veel op het spel, er rustte oneindig veel op haar schouders. Op dit moment was ze God.

Ze deed de deur van het personeelstoilet op slot, maakte haar handen en de wasbak snel met alcohol schoon en legde de ampullen met ajmaline netjes naast elkaar. Met geroutineerde bewegingen haalde ze de wegwerpspuit uit de verpakking, zoog het geneesmiddel op, tikte tegen de cilinder en verzekerde zich er werktuiglijk van dat er geen luchtbelletjes in zaten. Ze verfrommelde de verpakking tot een kleine bal, die ze onder in de afvalemmer stopte, waarna ze de spuit in haar zak liet glijden en de deur opende.

Voor kamer 8 keek ze discreet om zich heen. Geen collega’s of patiënten die naar het toilet moesten. Ze duwde de deur open en liep de donkere kamer in. Een licht gesnurk vertelde haar dat de patiënt sliep.

Ze liep naar het bed en keek naar de oude man, die met een licht geopende mond op zijn rug lag. Hij was grijs, vel over been en verschrompeld. Was er iets in deze wereld overbodiger dan chagrijnige oude mannen?

Ze schroefde de dop van de intraveneuze canule.
Ze schroefde de dop van de intraveneuze canule die door de dunne huid van zijn handrug stak en haalde de injectienaald uit haar zak. Directe toegang tot het bloed dat naar het hart stroomde, een open poort voor de verlengde vinger van God.

Het mooie aan ajmaline was dat het snel werkte, zodat zijn hart bijna meteen stil zou blijven staan. Ze stak de naald in de canule in de wetenschap dat ze maar net genoeg tijd zou hebben om de spuit te verbergen voordat het alarm werd geactiveerd.

De patiënt bewoog even in zijn slaap. Ze streelde liefdevol over zijn hand, waarna ze de zuiger naar beneden duwde.

 

Maandag 9 oktober

Vijf dagen eerder

1

‘Dat heb ik weer!’ Frederik veegde het water van zijn voorhoofd en zette zijn pet op zijn hoofd. Hij trok de capuchon van zijn regenponcho omhoog, controleerde of de fietstas dicht was en stapte op zijn fiets. Het was altijd moeilijk om uit bed te komen als de wekker om 05.15  uur ging, maar op sommige ochtenden was het erger dan op andere. Vandaag maakte de slagregen het moeilijk om zich te herinneren waarom hij deze krantenwijk ooit had aangenomen. Zes dagen per week, vijftien adressen in het centrum van Kopenhagen, 620 traptreden op en af. Helaas was het de enige manier om geld bijeen te krijgen voor de studiereis van zijn klas, en die wilde hij niet missen.

Het ophaalcentrum verdween achter hem in de duisternis terwijl hij wegreed over de kinderkopjes. Hij had oordopjes in en luisterde naar muziek op zijn telefoon, wat hem nieuwe energie gaf. I got my black shirt on, I got my black gloves on. Ondanks de regen was het fijn om de drukste winkelstraat van de stad voor zichzelf te hebben. Hij ging op de pedalen staan terwijl hij door Strøget fietste tot hij bij Gammeltorv en Nytorv kwam, die waren omringd door elegant gepleisterde appartementencomplexen met ramen met spijlen en koperen dakgoten, die op dit moment overliepen door de regen. Op de pleinen stonden Kopenhaagse bankjes met achtergelaten afval tussen de donkergroene planken gepropt. De zandkleurige zuilen van Københavns Byret, het kantongerechtsgebouw, lichtten op in het

Op dit moment was het volkomen verlaten.
donker en straalden een verheven moraal uit, een tegenhanger van de oeroude keldercafés op het plein. Overdag was het plein een verzamelplaats van fietskoeriers, toeristen en verkopers van nikkelvrije sieraden. Op dit moment was het volkomen verlaten.

Frederik sprong van zijn fiets en zette hem tegen de fontein die midden op het plein stond, deed zijn oortjes uit en controleerde of het geld voor een warm koffiebroodje nog in zijn jaszak zat. Hij keek naar de fontein en de kringen die de regendruppels in het water veroorzaakten.

Er lag iets.

Er lag vaak van alles in het water. Gemeentewerkers verwijderden elke dag bierblikjes, plastic zakken en mysterieuze eenzame schoenen.

Dit was echter geen schoen.

Frederik wankelde. Drie meter bij hem vandaan, in de oudste fontein van Kopenhagen, dreef een mens met gespreide armen en een naar beneden gekeerd gezicht. De regendruppels raakten de naakte rug, waarna ze opspatten als honderden kleine, zelfstandige fonteinen.

Eén moment was Frederik niet in staat om te bewegen. Hij was als verlamd, net als in de nachtmerries waaruit hij soms wakker schrok, verdrietig omdat hij te groot was om zich door zijn moeder te laten troosten.

Daarna begon hij hees en onsamenhangend te schreeuwen: ‘Help, er ligt iemand in het water!’

Hij wist dat hij in de fontein moest springen om het lichaam te draaien, eerste hulp moest verlenen, iets moest doen. Maar de warme urine die langs zijn dijbeen liep benadrukte hoe slecht hij op dit moment in staat was om iemand te helpen.

Frederik keek opnieuw naar het lichaam in het water. Deze keer besefte hij ten volle waarnaar hij keek. Hij had nog nooit een lijk gezien.

Hij had nog nooit een lijk gezien.
Op trillende benen rende hij naar de kiosk. De automatische deuren schoven open en de geur van kaneelboter raakte hem samen met de aanblik van de neuriënde blonde verkoopster. Water van zijn pet drupte in Frederiks ogen en vermengde zich met zijn tranen.

‘Help! Bel de politie!’

De verkoopster keek hem met wijd opengesperde ogen aan, zette het blad met koffiebroodjes neer en haalde haar telefoon tevoorschijn.

*

Het regende pijpenstelen boven Kopenhagen. De contouren van de pannendaken en de silhouetten van de stad vervaagden. De hemel liet een stortvloed van onnatuurlijk warm water loodrecht op de kinderkopjes en paraplu’s van Gammeltorv vallen.

Rechercheur Jeppe Kørner kneep zijn ogen tot spleetjes terwijl hij naar boven probeerde te kijken. Helaas geen opklaring in zicht. Misschien was de wereld inderdaad bezig te vergaan en begonnen de oceanen met het terugveroveren van het land. Hij streek met een natte hand over zijn gezicht, onderdrukte een geeuw en dook onder het afzetlint door. Het water liep via de naden in zijn sportschoenen en die maakten een soppend geluid terwijl hij liep.

Achter het regengordijn zag hij in plastic gehulde silhouetten die bezig waren met het opzetten van tenten rond de fontein. Dezelfde soort die je huurde als je een tuinfeest gaf, in de hoop dat je hem niet nodig zou hebben. Jeppe zocht beschutting onder de dichtstbijzijnde tent en keek op zijn horloge. Het was iets over zevenen en de zon kwam op achter het wolkendek. Niet dat het veel verschil zou maken. De hemel zou vandaag alleen diverse kleuren grijs te bieden hebben.

Het naakte lichaam in de fontein reflecteerde het licht van de werklampen van de forensisch rechercheurs. Jeppe observeerde het tafereel terwijl hij een beschermende overall over zijn natte kleren aantrok. Het lijk lag als een snorkelaar in de Rode Zee met het hoofd naar beneden. Een vrouw, vermoedde hij vanwege de schouderbreedte en de welving van de rug, van middelbare leeftijd. Het haar was donker met een vleugje grijs en tussen de natte lokken was de hoofdhuid zichtbaar.

‘Wist je dat het de Caritas-bron heet?’
‘Wist je dat het de Caritas-bron heet?’

Jeppe draaide zich om en stond oog in oog met technisch rechercheur J.H. Clausen. De capuchon van zijn blauwe beschermende overall omlijstte het gerimpelde gezicht, waardoor hij een natte padvinder in het ruimtepak van een volwassen man leek.

‘Het zal je goeddoen dat het antwoord nee is, Clausen. Dat wist ik niet.’

Caritas is Latijn voor “barmhartigheid”. Daarom stelt het beeld bovenin een zwangere vrouw voor. Je weet wel, het symbool van naastenliefde.’ Clausen veegde de regen van zijn borstelige wenkbrauwen en schudde het water van zijn handen.

‘Ik wil liever weten waarom er een lijk in het bassin drijft.’ Jeppe knikte naar de fontein. ‘Wat hebben we?’

Clausen keek om zich heen en zag een paraplu, die tegen een van de poten van de tent stond. Hij zette hem op en deed voorzichtig een stap onder de tent vandaan. ‘Wat een rotweer, onmogelijke werkomstandigheden. Kom mee.’

Jeppe moest kromlopen om met zijn lange lichaam onder de paraplu van Clausen te passen. Ze bleven bij de stenen rand van het bassin staan en bekeken het lijk. De regendruppels gleden langs de witte huid naar beneden, waardoor het lijk op een marmeren beeld leek. De politiefotograaf probeerde bruikbare hoeken te vinden terwijl hij zijn camera beschermde tegen de regen.

‘De forensisch technici moeten haar natuurlijk uit het bassin halen en wegbrengen voor een autopsie. Tot die tijd kunnen we niet veel over haar zeggen, behalve dat het een Kaukasische vrouw van een jaar of vijftig met een gemiddelde lengte is.’ Een windstoot zorgde ervoor dat het lijk langs hen dreef en met het hoofd tegen de rand stootte.

‘Ze is om tien over halfzes gevonden door een krantenjongen. Twee minuten later is er vanaf de kiosk op de hoek naar de meldkamer gebeld. Ik weet niet waarom het lijk nog niet uit het water gehaald is. De krantenjongen en de verkoopster wachten samen met een agent in de winkel tot ze verhoord worden. De verkoopster is om vijf uur gearriveerd en weet heel zeker dat er toen niets in het water lag, dus moet het misdrijf tussen vijf uur en tien over halfzes plaatsgevonden hebben.’

‘Is ze midden in Strøget vermoord?’
‘Bedoel je dat dit de plaats delict is?’ Jeppe zette de capuchon af om een beter zicht op het plein te hebben. ‘Is ze midden in Strøget vermoord?’

Clausen draaide zich om naar Jeppe, waardoor de paraplu kantelde en de regen over hem heen stroomde. Zijn haar was onmiddellijk doornat.

‘Sorry, Kørner, verdorie. Ben je nat geworden? Nee, ik druk me niet zorgvuldig uit. Ze kan hier niet vermoord zijn. Om meerdere redenen.’

‘Het zou te riskant zijn…’ Jeppe probeerde de regendruppels te negeren die langs zijn nek gleden en in zijn regenjack verdwenen.

‘Het risico dat er iemand langs zou komen, is groot. Alleen al het feit dat iemand het heeft aangedurfd om een lijk in de fontein van Gammeltorv te gooien… Tja, dat gaat mijn verstand te boven.’ Clausen schudde ongelovig zijn hoofd. ‘Maar het is niet alleen daarom. Zie je de kleine sneden in de huid van de armen? Ze zijn naar beneden gericht, dus is het moeilijk om ze te zien.’

Jeppe kneep zijn ogen tot spleetjes. Precies bij het wateroppervlak zag hij kleine parallelle sneden in een symmetrisch patroon op de pols. Gapende wonden met wit vlees. Jeppe zag het beeld van een rottende walvis op het strand voor zich en verdrong zijn onbehagen. ‘Het water bevat geen bloed?’

‘Precies!’ Clausen knikte goedkeurend. ‘Ze moet hevig gebloed hebben, maar er is geen spoor van bloed te vinden, niet in het water en ook niet rondom het bassin. Ondanks de regen zouden we bloed gevonden hebben. Ze is op een andere plek vermoord.’

Jeppe keek om zich heen naar de oude gevels. ‘Er hangen hier meer dan genoeg bewakingscamera’s waarvan we de opnamen kunnen bekijken. Als de dader het lijk hier heeft gedumpt, moeten er beelden van zijn.’

‘Als?’ Clausen klonk verontwaardigd. ‘Ik kan je verzekeren dat ze de sneden niet zelf toegebracht heeft en daarna in de fontein gesprongen is.’

‘Waar zijn de sneden mee gemaakt?’

‘Dat kan ik nog niet zeggen. Nyboe moet eerst autopsie op haar verrichten.’ Clausen had het over professor Nyboe, de forensisch patholoog die over het algemeen de autopsies in de grote moordzaken voor zijn rekening nam. ‘Maar afgezien daarvan bevindt het moordwapen zich niet op het plein. De honden hebben een halfuur gezocht zonder iets te vinden. Er is ook geen spoor van haar kleding gevonden.’

Er klonk gebrom in Jeppes zak. Hij droogde zijn handen af aan de achterkant van zijn broek, haalde zijn mobiel voorzichtig tevoorschijn, zag ma op het display staan en drukte het gesprek weg. Wat wilde ze nu weer?

‘Iemand heeft met andere woorden vanochtend vroeg een naakt lijk door Strøget vervoerd en in de fontein gegooid?’

‘Wie verzint zoiets in vredesnaam?’
‘Daar lijkt het inderdaad op.’ Clausen trok een verontschuldigend gezicht, alsof hij medeverantwoordelijk was voor het absurde scenario.

‘Wie verzint zoiets in vredesnaam?’ Jeppe streek het water uit zijn nek en wreef in zijn brandende ogen. Hij had te kort en bovendien slecht geslapen. Een naakt vrouwenlijk was niet precies waarmee hij zich vandaag had willen bezighouden.

It’s raining again. Too bad I’m losing a friend.

Het irritante regenlied van Supertramp speelde in zijn achterhoofd en het irriteerde Jeppe dat hij niet eens zelf kon kiezen door welke muziek hij werd lastiggevallen als hij moe en gestrest was. Meestal waren het fragmenten van ultracommerciële popmuziek die hij tijdens het denken hoorde. It’s raining again. Oh no, my love’s at an end. Hij zette zijn capuchon op en liep naar de kiosk, waar de krantenjongen wachtte

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief