leesfragment

‘Grid’ van Nick Cook

‘Ga er goed voor zitten, want het zal nog even duren voordat je weer op adem bent.’ – Terry Hayes, auteur van Ik ben Pelgrim

Lees hier alvast de eerste pagina’s van deze spectaculaire thriller van Nick Cook; een mengeling van De dag van de Jakhals, Homeland en Inception.

Elke dag wordt de president van de Verenigde Staten met de dood bedreigd. De Secret Service verzekert hem dat hij geen gevaar loopt, maar hij gelooft hen niet langer. Want keer op keer droomt hij over zijn eigen dood, een nachtmerrie die zo realistisch is dat het lijkt alsof hij gewaarschuwd wordt.
Josh Cain, lijfarts van de president, wordt verzocht om naar een kerk nabij het Witte Huis te komen, waar een ex-marinier dreigt zelfmoord te plegen. De man vertelt hem over een plot om de president te vermoorden en onthult geheimen die hij niet kán weten, voordat een politiekogel een eind maakt aan zijn leven. Het is het begin van een reeks gebeurtenissen die Cain met andere ogen naar de wereld om hem heen doen kijken. Naar wat werkelijk is en wat niet…

1

We zijn halverwege de toren als ik de stem van de springer hoor.

‘Me-meneer Cain? Bent u dat, daar beneden?’

Forensic Services plaatst het accent in Tennessee, West Virginia of Kentucky. Het stotteren wijst ook op een hoop andere dingen.

Ik zet mijn handen aan mijn mond en roep omhoog in het duister. ‘Hier ben ik.’

‘Alleen?’

Ik kijk naar Hart – ‘Hetta,’ verkondigde ze toen we tien minuten geleden aan elkaar werden voorgesteld, en ze nam daarna ook nog de moeite om het te spellen. Ze hield me met uitgestrekte hand tegen. De andere hand zit om haar wapen geklemd. Een kaal lichtpeertje bungelt aan het plafond aan een gerafelde draad en doet rare dingen met onze schaduwen terwijl zij haar hoofd schudt.

'Ik heb ter bescherming een agent bij me.'
‘Nee,’ roep ik terug. ‘Ik heb ter bescherming een agent bij me. Ze heeft de onderhandelaar van het Metropolitan Police Department afgelost.’

Er valt een stilte.

Boven ons ontwaar ik slechts de grootste van de twee kerkklokken en de onderste helft van de ladder naar het hoogste niveau, waar de springer zich vanaf dreigt te werpen.

We wachten terwijl de wind rond de toren giert en zoveel stof en vogelpoep doet opwaaien dat mijn ogen tranen en ik steken in mijn keel voel.

En dan: ‘Meneer Cain? Ik heb het de onderhandelaar ook al verteld. Wat ik te zeggen heb, is alleen voor uw oren bestemd. Uw collega moet een niveau lager blijven s-staan.’

‘Meneer,’ roept Hetta. ‘U, daar boven. Ik heet Hetta Hart en ik ben een speciaal agent van de United States Secret Service. Ik bescherm dokter Cain. U moet steeds op een plaats blijven waar ik u kan zien. Als ik u niet kan zien, kan ik niet instaan voor uw veiligheid. Is dat duidelijk?’

Dit toespraakje van haar verrast me. Ik zou het haar hebben ontraden. Maar het is al gebeurd.

‘Duidelijk, agent Hart. Volkomen d-duidelijk.’

Hij stelt voor dat we naar de volgende verdieping komen en dat Hart onderaan de ladder blijft. Vandaar heeft ze onbelemmerd zicht op ons beiden.

‘Maar ik ga ervan uit, agent Hart, dat u m-mij begrijpt als ik u nogmaals zeg dat ik geen kwaad in de zin heb en dat ik wanneer er iemand valsspeelt, zonder mankeren zal springen. Is dat d-duidelijk, mevrouw?’

Hetta is heel even van haar stuk gebracht. Ik ook. Het is een blijk van respect voor gezag dat we geen van beiden hadden verwacht.

‘Volkomen.’

Ze geeft aan dat ik naar boven mag gaan.

Ik manoeuvreer me langs de klok. Hij is oud en groot – onderaan wellicht zo breed als een klein autootje – en hij voelt zo koud aan dat hij het laatste restje gevoel uit mijn vingertoppen wegtrekt.

'Ik begreep dat toen niet en betwijfel of ik dat nu wel doe.'
Er dient zich een halfgevormde herinnering uit mijn kindertijd aan: van een predikant op mijn vaders begrafenis, sprekend over Jezus of God die ‘als een dief in de nacht’ komt. Ik begreep dat toen niet en betwijfel of ik dat nu wel doe, maar het doet me aan de kerk denken. Waarom hier?

De man is hier al ruim vierentwintig uur, volgens Lefortz. Misschien langer.

Hij wist gedurende drie missen onopgemerkt te blijven, de laatste op een drukke middag met twee senatoren en hun gezinnen in de gemeente. Security moest al minstens één keer de stofkam erdoorheen hebben gehaald.

Wanneer ik mijn voet op de onderste sport van de ladder zet, krijg ik een heel raar gevoel. Alsof ik hier eerder ben geweest.

Hetta kijkt me aan. ‘Gaat het?’ fluistert ze.

Ik knik.

Ik begin te klimmen en de stilte maakt plaats voor het geluid van natte sneeuw en ijskoude regen tegen de koepel boven ons. De wind voert het gedreun van rotorbladen en het gekraak van politieradio’s mee. Ik zie door het luik boven mijn hoofd een zoek licht over de muur schijnen.

Ik zet mijn vingertoppen op de rand van de opening en trek mezelf op.

Hij balanceert op de richel bij het noordelijke bommelgat. Achter hem tekenen zich kantoorgebouwen af tegen de zwarte lucht, buiten het schijnsel van de zoeklichten. Hij draagt een zwarte hoody en een Levi’s; de hoody is strak over het masker getrokken, de grimas daarvan is naar mij gericht. Lefortz had me erover verteld, maar toch schrik ik ervan. Het plastic heeft in silhouet de textuur van echte huid.

De gewelfde wenkbrauwen, lepe glimlach en het sikje zijn berucht geworden door hacktivisten, demonstranten op Wall Street en plaatsen waar wereldleiders bijeen zijn om te praten over klimaatverandering, mondialisering en de oorlog tegen terreur. Het is een Guy Fawkes-masker, genoemd naar de anarchist die in zestienhonderdzoveel het Britse Parlement probeerde op te blazen.

Ik heb ook ergens gelezen dat demonstranten hem – het – zelf Guido noemen.

Hij heeft de latten van het bommelgat weggeslagen en houdt zich vast aan een lange, roestige spijker die uit de bovenrand van de omlijsting steekt.

Op de commandopost schatten ze dat hij pakweg 70 kilo weegt, 1,80 meter lang is, misschien iets korter, en halverwege of achter in de dertig is. Op grond van wat hij zegt en de manier waarop is de consensus dat hij een militair of een ex-militair is. Dat denk ik ook.

Hij gebaart dat ik met mijn rug tegen de muur moet gaan zitten.
Hij gebaart dat ik met mijn rug tegen de muur moet gaan zitten.

De politieagenten maakten geen grapje. Er is nauwelijks plaats voor ons beiden. De vloer is ongeveer 2 bij 2 meter, met het open valluik in het midden.

Hij draait zich om en kijkt uit over het vakbondsgebouw naast de kerk, in de richting van de kantoren erachter.

Lefortz bracht me op de hoogte gedurende de dertig minuten van de rit hierheen. Hij had me kort na 3.40 uur wakker gebeld.

Guido had een lockpickgun gebruikt om alle deuren vanaf de kelder van de kerk tot het dak open te maken. Een schoonmaakster in een kantoor aan de overkant van de straat meende binnen het licht van een zaklamp te zien bewegen. De twee patrouillerende agenten die ter plekke arriveerden, troffen alle deuren en hekken op slot aan: geen sporen van braak.

Toen ze een halfuur later naar binnen konden, vonden ze voedsel en een fles water in de bezemkast, samen met een kaart van Lafayette Square en plattegronden van het Witte Huis en het noordelijke terrein.

Vrijwel iedere hekbestormer die ooit het noordelijke terrein wist te bereiken – voor Jim Lefortz de Presidential Protection onder handen nam – leed aan een depressie of een psychose, in elk geval het soort aandoening waardoor een mens gaat denken dat hij een audiëntie bij de leider van de vrije wereld kan krijgen door per parachute diens slaapkamer of het Oval Office binnen te dringen.

Ik heb in mijn carrière met veel instabiele mensen te maken gehad; velen waren militair of ex-militair. En als je een soldaat of ex-soldaat hebt die in de war is en wrok koestert, dan heb je een geladen wapen.

Mijn leven stond in het teken van zorgen dat veteranen worden behándeld na de dienst die ze dit land hebben verleend, niet geschoffeerd.

Als deze man zegt dat hij niemand kwaad wil doen en naar beneden komt nadat hij zijn zegje heeft gedaan, dan zal ik hem het voordeel van de twijfel geven.

Wanneer puntje bij paaltje komt, zijn er slechts drie dingen die belangrijk zijn.

Wie is hij?

Wat wil hij?

Waarom vroeg hij naar mij?

Waarom vroeg hij naar mij?
Ik trek mijn knieën tegen mijn borst en wacht. De natte sneeuw is veranderd in vlokken, die zich nu als een spinnenweb rond mijn voeten en in de plooien van mijn jack ophopen. Onderaan de ladder zie ik Hetta, maar niet het wapen dat ze, zoals ik weet, in haar rechterhand houdt.

Een windvlaag dreigt Guido uit balans te brengen en ik weersta de neiging hem vast te pakken. Hij lijkt kalm, als je bedenkt wat een ellende hij heeft veroorzaakt. Ik neem zijn ‘normaal’ echter niet klakkeloos aan; het is vermoedelijk een teken van dissociatie: een barrière die hij tussen zichzelf en de wereld heeft opgetrokken.

Hij draait zich naar me toe en iets wat voor ons beiden onzichtbaar is, trekt aan zijn linkerhand.

‘M-meneer C-Cain, gelooft u in God?’

De vraag wordt gevolgd door een spasme, een overdreven versie van wat zojuist aan zijn arm trok. Een myoclonische aanval kan worden veroorzaakt door een verandering in de chemie van het lichaam – een door cafeïne opgewekt spasme van een arm of been, bijvoorbeeld, als we wegdommelen – maar als het bij Guido een myoclonus is, is die misschien toe te schrijven aan een overdaad aan adrenaline of, net als het stotteren, een trauma uit het verleden.

Hoe het ook zij, ik moet gaan doen waarvoor ik hier ben gekomen: hem ervan overtuigen dat de wereld waarin hij het vertrouwen heeft verloren nog steeds hoop biedt – niet zo eenvoudig nu ik niet eens weet of ik dat zelf geloof.

‘Ik weet niet wat je allemaal van mij weet…’

‘Veel.’

Dit leidt me even af. Ik concentreer me weer. ‘Maar ik weet bar weinig over jou. Kunnen we…?’

Hij onderbreekt me. ‘Beantwoord de vraag, alstublieft.’

Met zijn vrije linkerhand, die met de myoclonus, maakt hij een miniem gebaar, iets wat eruitziet als een opgestoken duim. Zijn hand hangt langs zijn zij en ik hoop hevig dat hij niet heeft gezien dat ik het zag, maar ik ben er even door van mijn stuk gebracht en dwing mezelf terug.

Geloof ik in God?

‘We doen allemaal vreselijke dingen, maar in ieder mens schuilt iets goeds, en misschien heeft die goedheid een bron. Ik weet niet wat die bron is. Wist ik het maar. Maar sommige mensen noemen die God.’

Hardop uitgesproken klinken de woorden belachelijk.
Hardop uitgesproken klinken de woorden belachelijk, omdat het niet de mijne zijn; het zijn niet eens mijn gedachten. Ze zijn een warrige weergave van de geloofsovertuiging van iemand anders, iemand van wie ik ooit meer hield dan van het leven zelf. Maar het is beter dan de waarheid en hij lijkt er tevreden mee.

‘En denkt u dat de p-president een goed mens is?’

‘Ja, dat denk ik.’ Een waarachtig antwoord, maar ook nu weer niet de hele waarheid. Hij is een politicus, god nog an toe, wil ik eigenlijk zeggen.

Hij kijkt naar het tafereel beneden, opnieuw trekt de myoclonus aan zijn arm. Daarna strekt hij langzamer de wijsvinger van zijn linkerhand en ook zijn duim.

‘Ik heb de onderhandelaar verteld dat er een complot bestaat om de president te vermoorden. Het zit goed in elkaar, heel vernuftig, en het zal goed worden uitgevoerd, tenzij u het weet te voorkomen.’

Hij heft zijn hoofd op en kijkt uit over de daken, wat mij de kans geeft een blik omlaag te werpen. Hetta houdt een hand achter haar oor en schudt haar hoofd.

Ze kan ons niet horen.

Guido draait zich weer naar mij toe.

‘President T-Thompson is onze beste hoop en ik weet, omdat het in uw aard ligt, dat u geen middel onbeproefd zult laten om hem te beschermen.’

Zijn ogen blijven op mij gericht en ik denk aan iets wat ik al heel lang niet heb gehoord: het geluid van een inbelmodem.

Guido en ik zijn de afgelopen vijftien minuten bezig geweest met het equivalent van al dat gekraak en gepiep, bij elkaar op zoek naar compatibiliteit, en ineens zijn we verbonden.

Ik weet niet waarom of hoe, maar ineens kunnen we zakendoen.

Ik moet de ‘handdruk’ afronden – de laatste beetjes essentiële diagnostische informatie inwinnen – en dan starten met het proces dat hem veilig omlaag zal brengen: zorgen dat hij weggaat bij het bommelgat, dat hij zijn masker afzet en hem dan naar een veilige plaats brengen; ergens waar ik met hem verder kan praten, erachter kan komen wat hij nodig heeft en kan zorgen dat hij hulp krijgt.

Maar ik weet ook dat hij niet meer mijn verantwoordelijkheid is zodra hij zich aan mij uitlevert.

Hij zal worden gearresteerd.
Hij zal worden gearresteerd, een aanklacht wegens braak aan zijn broek krijgen, verhoord worden over het complot tegen de president en verplicht dertig dagen ter observatie worden opgenomen in een psychiatrische kliniek terwijl de aanklacht tegen hem wordt voorbereid.

Tegelijkertijd zullen mensen zoals Hetta – misschien zelfs Hetta zelf – van de Protective Intelligence and Assessment Division, mensen die bedreigingen van de president moeten inschatten en van het handjevol anderen voor wie de Service verantwoordelijk is, bij hem gaan vissen naar alles wat de vredeskampen bij de noordelijke omheining linkt aan een bedreiging voor de president, zodat directeur Cabot eindelijk zijn excuus heeft om de demonstranten van Lafayette Square te verwijderen.

Guido draait dezelfde kant op als daarnet: naar de kantoorgebouwen achter het dak van de vakbond. De wind valt weg en ik hoor het verre gejank van een politiesirene. Zijn woorden zijn plotseling duidelijk en niet mis te verstaan. Geen spoor van gestotter.

‘Zegt de term ground truth u iets, kolonel?’

Mijn grimas vertelt hem waarschijnlijk alles wat hij wil weten.

‘Het is een term die we altijd gebruikten, een die belangrijk voor me werd.’

Hij zuigt zijn longen vol lucht. ‘Ik kwam hier om iets te verifiëren.’

‘En is dat gelukt?’

‘Ja, meneer. Ik kijk ernaar.’

‘Dat begrijp ik niet.’

‘Dat komt nog wel, kolonel. Dat komt nog wel.’

Iets zegt me dat ik moet opstaan, maar Guido wankelt plotseling en duikt naar voren, zijn armen wijd gespreid.

En de tijd doet wat hij altijd op momenten van shock doet.
En de tijd doet wat hij altijd op momenten van shock doet: hij rekt onmogelijk lang uit.

Hij verdraait ook.

Ik hoor het schot, een gedempte klik, ver weg en verdraaid door de wind, nádat hij begint te vallen. Nadat het bloed uit zijn rechteroog sproeit en mijn jack bespat.

Dan ligt hij op me, zijn gezicht omlaag, trillend en stuiptrekkend, hoofd op mijn borst.

Ik rol hem op zijn rug en het bloed blijft stromen, zwart en kwaadaardig in het schemerlicht, uit de vergrote, gerafelde rechteroogholte.

Ik trek zijn hoofd op mijn schouder en zie het gat achter in zijn capuchon. Ik trek die omlaag en besef dat het masker er zo eentje is dat worstelaars dragen, met veters van achteren.

Ik frunnik aan de knoop, maar die is glad door het bloed en ik weet dat dit geen zin heeft, dus laat ik zijn hoofd zakken en neem het in mijn armen en zie aan zijn ogen en de spastische bewegingen in zijn armen en handen dat hij nog leeft.

Ik leun naar achteren. Het bloed borrelt op door zijn mondstuk en zijn ogen boren zich in de mijne. Hij wil me iets vertellen.

Hij tilt een hand op tot die bijna mijn gezicht raakt en dan is Hetta daar, met zwiepende staart, mes in de hand. Ze snijdt de veters door. Het masker valt af.

Ik kijk omlaag. De kogel is door de occipitale en temporale kwab gegaan en door zijn rechteroog eruit gekomen, waarbij hij een groot deel van zijn gezicht heeft weggerukt.

Niemand kan nog iets voor hem doen.

Er is zoveel bloed dat ik het metaal erin kan ruiken en proeven. Het zijn een smaak en een geur die ik goed ken. Ze voeren me prompt terug.

Ik doe het enige wat ik kan doen. Ik trek hem tegen me aan, zo dicht dat ik zijn hart voel stoppen.

Hetta keert zich af en raakt het kruisje aan haar nek aan, zoals ze telkens deed wanneer de springer in de mobiele commandopost werd genoemd. Wanneer ik zijn lichaam neerleg en hem voor het eerst helemaal zie, begrijp ik waarom. Het komt niet alleen doordat de kogel zijn halve gezicht heeft weggerukt; het restant is zo ernstig verbrand dat er in feite niets van over is.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief