leesfragment

‘Helden’ van Stephen Fry

In Mythos  beschreef Stephen Fry de wereld van de goden, in Helden  vertelt hij op sprankelende wijze de dramatische, geestige, tragische en tijdloze verhalen van de stervelingen uit de mythologie. Stap aan boord van de Argo en beleef met Jason zijn heroïsche queeste naar het Gulden Vlies. Beleef de avonturen van Oidipous, die het raadsel van de Sfinx weet op te lossen. Volg Herakles op zijn pad als hij zijn twaalf werken moet verrichten en dool rond in het Labyrint van koning Minos, waar de monsterlijke Minotauros op je wacht. Huiveringwekkend en meeslepend zijn de verhalen van de Griekse helden, die ons opnieuw laten zien waartoe wij mensen in staat zijn.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van het nieuwste boek van Stephen Fry!

Inleiding

ZEUS zit op zijn troon.
ZEUS zit op zijn troon. Hij is de heerser over hemel en aarde. Zelf wordt hij onder de duim gehouden door HERA, zijn zuster-en-gemalin. De verantwoordelijkheid voor domeinen en deelgebieden die het rijk der stervelingen betreffen is verdeeld over de leden van zijn familie, de overige tien Olympische goden. In de allervroegste tijden liepen de goden nog op aarde rond en gingen gewoon om met de sterfelijke mensen, knoopten vriendschappen met hen aan, brachten hen in vervoering, bedreven de liefde met hen, straften hen, pijnigden hen, veranderden hen in bloemen, bomen, vogels en insecten, en verbonden, verenigden, verstrengelden, verstonden en vermaakten zich op alle mogelijke manieren met ons. Maar sinds de mensheid in de loop der eeuwen almaar in omvang is toegenomen en steeds welvarender is geworden, is de intensiteit van dit verkeer geleidelijk afgenomen.

In het tijdperk dat nu is aangebroken begeven de goden zich nog altijd regelmatig onder de mensen en leiden en misleiden, begunstigen en vervloeken hen, maar PROMETHEUS geschenk, het vuur, heeft de mens in staat gesteld op eigen benen te staan en stadstaten, koninkrijken en dynastieën op te bouwen. De hitte van het vuur is reëel, en heeft de mensheid de macht gegeven om te smelten, te smeden, te scheppen en te fabriceren, maar evengoed is het een innerlijk vuur: dankzij Prometheus zijn we nu begiftigd met de goddelijke vonk, het creatieve vuur, het bewustzijn dat ooit uitsluitend de goden toebehoorde.

Het Gouden Tijdperk is overgegaan in het Tijdperk van de Helden  mannen en vrouwen die hun lot in eigen hand nemen en hun menselijke kwaliteiten, hun moed, schranderheid, ambitie, snelheid en kracht inzetten om verbazingwekkende daden te verrichten, gruwelijke monsters te verslaan en grote culturen en geslachten voort te brengen die de wereld veranderen. In hen brandt het goddelijk vuur dat hun beschermer Prometheus uit de hemel heeft gestolen. Ze vrezen, respecteren en aanbidden de goden die hun het leven geschonken hebben, maar diep vanbinnen weten ze dat ze tegen hen opgewassen zijn. De mensheid is aan haar adolescentie begonnen.

Omdat hij onsterfelijk is, groeit zijn lever iedere nacht weer aan, zodat de kwelling de volgende dag herhaald kan worden.
Prometheus zelf – de Titaan die ons heeft geschapen, onze vriend en voorvechter – ondergaat nog steeds zijn verschrikkelijke straf: geketend aan een bergwand wordt hij elke dag bezocht door een roofvogel die uit het zonlicht naar beneden schiet, zijn flank openrijt, hem zijn lever uitrukt en die voor zijn ogen opeet. Omdat hij onsterfelijk is, groeit zijn lever iedere nacht weer aan, zodat de kwelling de volgende dag herhaald kan worden. En de dag daarna, en daarna, steeds opnieuw.

Prometheus, wiens naam ‘vooruitziend’ betekent, heeft voorspeld dat nu de mensheid over het vuur beschikt, de dagen van de goden geteld zijn. Zeus’ woede over de ongehoorzaamheid van zijn vriend komt evenzeer voort uit een onderhuidse, maar hardnekkige vrees dat de mens de goden zal overvleugelen, als uit diepe gekwetstheid en het besef verraden te zijn.

Prometheus heeft ook voorzien dat hij ooit verlost zal worden. Een sterfelijke menselijke held zal de berg beklimmen, zijn boeien verbreken en de Titaan bevrijden. Samen zullen ze de Olympiërs redden van de dreigende ondergang.

Maar welk gevaar zou de goden kunnen bedreigen?
Onder de aarde smeult al honderden generaties lang een diepe wrok. Toen de Titaan KRONOS zijn vader OURANOS, de oergod van de hemelen, ontmande en diens geslachtsdelen wegslingerde over Griekenland, ontsprong overal waar de druppels bloed en zaad neerkwamen een ras van Giganten. Deze chronische, uit de aarde voortgekomen wezens geloven dat eens de tijd zal komen dat ze de arrogante nieuwkomers, de door Kronos verwekte Olympische goden, van de troon kunnen stoten. De Giganten wachten op de dag dat ze in opstand kunnen komen, om uiteindelijk de Olympos te veroveren en hun eigen heerschappij te vestigen.

Prometheus knijpt zijn ogen dicht tegen de zon. Ook hij beidt zijn tijd. Intussen blijft de mensheid druk in de weer met haar aardse beslommeringen – streven, ploeteren, leven, liefhebben en sterven in een wereld die op dit moment nog bevolkt wordt door min of meer goedaardige nimfen, faunen, saters en andere geesten van de zeeën, rivieren, bergen, wouden, beemden en velden, maar die ook krioelt van slangen en draken, veelal afstammelingen van de oer godin GAIA, beter bekend als Moeder Aarde, en TARTAROS, de god van de diepe onderaardse krochten. Hun kinderen, de monsterlijke ECHIDNA en TYFON, hebben een hele meute giftige en misvormde gedrochten voortgebracht, die de landstreken en oceanen onveilig maken waar de mens heer en meester poogt te worden.

Dat zijn de helden.
Om zich in een dergelijke wereld te handhaven voelen de stervelingen zich genoodzaakt de goden om gunsten te smeken, zich voor hen neer te werpen, offers aan hen te brengen, en hen met lofprijzingen en gebeden voor zich te winnen. Maar langzamerhand beginnen sommige mannen en vrouwen te vertrouwen op hun eigen kracht en slimheid. Dat zijn de mannen en vrouwen die lef hebben en die – al dan niet met hulp van de goden – de wereld tot een veilige plaats proberen te maken waar de mens kan gedijen. 

Hera’s droom

Ontbijt op de Olympos. Zeus zit aan het uiteinde van een lange stenen tafel. Hij nipt van zijn nectar en denkt na over de dag die voor hem ligt. Een voor een druppelen de andere Olympiers binnen en schuiven aan. Ten slotte verschijnt Hera. Ze neemt plaats op haar zetel aan het andere uiteinde van de tafel, tegenover haar echtgenoot. Haar gezicht is verhit, haar haar zit in de war. Zeus kijkt enigszins verbaasd op.
‘In al die jaren dat ik je ken ben je nog nooit te laat geweest voor het ontbijt. Niet een keer.’
‘Nee, dat klopt,’ zegt Hera. ‘Het spijt me, maar ik heb slecht geslapen en ik ben niet helemaal mezelf. Ik had vannacht een nare droom. Heel naar. Wil je hem horen?’
‘Uiteraard,’ liegt Zeus. Hij vindt het vreselijk als iemand anders in geuren en kleuren over een droom vertelt, net als wij allemaal. ‘Ik droomde dat we werden bestormd,’ zegt Hera. ‘Hier, op de Olympos. De Giganten kwamen in opstand, beklommen de berg en vielen ons aan.’
‘Tjongetjonge…’

Het was geen grapje, hoor, Zeus.
‘Het was geen grapje, hoor, Zeus. Ze kwamen met zijn allen naar boven en vielen ons aan. En je bliksemschichten haalden niets uit. Die schampten als onschuldige dennennaalden van ze af. De leider van de Giganten, de grootste en sterkste, had het op mij persoonlijk voorzien en probeerde me… me… probeerde zich aan me op te dringen.’
‘Nee toch. Wat afschuwelijk,’ zegt Zeus. ‘Gelukkig was het maar een droom.’
‘Was het wel een droom? Hm? Het was allemaal zo helder. Het had meer weg van een visioen. Een voorspelling wellicht. Die heb ik eerder gehad. Dat weet je.’
Dat was waar. Door Hera’s rol als godin van huwelijk, familie, fatsoen en orde zag je makkelijk over het hoofd dat ze ook een sterk ontwikkeld zesde zintuig had.
‘En hoe liep het af?’
‘Heel raar. We werden gered door je vriend Prometheus en…’
‘Dat is mijn vriend niet,’ snauwt Zeus. Prometheus’ naam mag niet worden genoemd op de Olympos. De klank van de naam van zijn voormalige goede vriend is voor Zeus als citroensap op een snee.
Perseus...
‘Als jij het zegt, lieverd. Ik vertel alleen maar wat ik heb gedroomd, wat ik zag. Het gekke is dat Prometheus een mens bij zich had. En die sterfelijke man trok de Gigant van me af, gooide hem van de Olympos en redde ons.’
‘Een mens, zeg je?’
‘Ja. Een man. Een sterfelijke held. En in mijn droom wist ik, ik weet niet precies hoe en waarom, maar het was duidelijk, heel duidelijk, dat die man afstamde van Perseus.’
‘Perseus, zeg je?’
‘Perseus. Geen twijfel mogelijk. De nectar staat bij jou, lieverd…’
Zeus geeft de kruik door.
Perseus.
Die naam heeft hij lang niet gehoord.

Nieuwsgierig geworden? Het boek bestel je hier:

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief