leesfragment

‘Herinneringen aan de toekomst’ van Siri Hustvedt

Herinneringen aan de toekomst is een hoogtepunt in het rijke oeuvre van Siri Hustvedt: een indrukwekkende vertelling waarin gebeurtenissen uit het verleden in een geheel nieuw perspectief worden geplaatst. In een tijd waarin de machtsverhouding tussen man en vrouw ter discussie staat, stelt Hustvedt het spanningsveld tussen herinneringen en waarheid centraal.

De eerste pagina’s van Hustvedts nieuwste roman lees je hier.

Hoofdstuk een

Jaren geleden verruilde ik de weidse vlakten van landelijk Minnesota voor het eiland Manhattan om op zoek te gaan naar de held van mijn eerste roman. Toen ik er in augustus 1978 arriveerde, was die held nog niet echt een personage maar eerder een ritmische mogelijkheid, een vrucht van mijn verbeelding in embryonale vorm, iets wat voelde als een metrum waarvan de slagen gelijk opgingen met mijn voetstappen door de straten van de stad. Ik denk dat ik hoopte in hem mezelf te ontdekken, te bewijzen dat hij en ik elk verhaal dat ons zou toevallen waard waren. Ik was niet op zoek naar geluk of troost in New York. Ik was op zoek naar avontuur en ik wist dat een avonturier moet lijden voordat hij na ontelbare beproevingen te land en ter zee weer thuiskomt of door de goden wordt weggevaagd. Wat ik toen niet wist en nu wel: al schrijvend werd ook ik geschreven. Het boek was al lang voor ik de prairie verliet begonnen. In mijn brein stonden al tal van kladversies van een detectiveverhaal gegrift, maar dat betekende nog niet dat ik wist hoe het er in werkelijkheid uit zou komen te zien. Mijn ongevormde held en ik waren op weg naar een plaats die weinig meer was dan een glimmend verdichtsel: de toekomst.

 

Voor het schrijven van de roman had ik mezelf precies twaalf maanden gegeven
Voor het schrijven van de roman had ik mezelf precies twaalf maanden gegeven. Als mijn held aan het eind van de eerstvolgende zomer dood ter wereld kwam of niet levensvatbaar bleek of zo’n droogstoppel dat zijn leven geen commentaar verdiende, met andere woorden, als hij toch geen held was, dan zou ik hem en zijn roman achter me laten en me op de voorouders van mijn doodgeboren (of mislukte) jongen storten, de bewoners van de boekdelen in de fantoomsteden die wij bibliotheken noemen. Ik had een promotieplaats in de vergelijkende literatuurwetenschap bemachtigd aan Columbia University en op mijn vraag of ik een jaar later mocht beginnen, had ik van de onzichtbare autoriteiten een langdradige brief ontvangen waarin mijn verzoek werd ingewilligd.

Een donkere kamer met keukenblok, een nog donkerder slaapkamertje, een piepklein zwart-wit betegeld badkamertje en een kast met doorzakkend plafond aan West 109th Street, nummer 309, kostten me 210 dollar per maand. Het was een naargeestig flatje in een bladderend, geblutst, gehavend gebouw, en als ik ook maar ietsje anders in elkaar had gezeten, een fractie wereldwijzer was geweest of een tikkeltje minder belezen, dan zouden mijn ambities en ik in de stinkende zomerhitte zijn weggekwijnd door de galgroene verf en het uitzicht op twee grauwe bakstenen muren, maar de manier van kijken die dat vereiste, hoe subtiel verschillend ook, was mij toen nog vreemd. Lelijk was mooi. Ik behing de gehuurde kamers met de betoverde zinnen en alinea’s die ik naar believen uit de vele boekdelen in mijn hoofd lichtte.

Zijn brein vulde zich met alles wat hij in zijn boeken las, zowel met betoveringen als met twisten, veldslagen, tweegevechten, verwondingen, galanterieën, minnekozerijen, tegenslagen en de onwaarschijnlijkste onzin; en zijn verbeelding werd zo geprikkeld, dat hij dat hele stelsel wonderlijke spinsels als waar ging beschouwen en er voor hem niets waarders op de wereld bestond.

In mijn herinnering hebben mijn eerste momenten in mijn eerste woning iets stralends dat niets met zonlicht te maken heeft. Ze stralen van een idee. Toen de borg was overgemaakt, de eerste maand huur betaald en de deur achter de gedrongen, grijnzende conciërge meneer Rosales dichtgevallen, gooide ik mijn armen triomfantelijk in de lucht en danste ik in mijn van zweet doordrenkte t-shirt mijn eigen versie van de horlepiep op de kale vloerplanken.

Ik was drieëntwintig en had een bul in de filosofie en Engels op zak van St. Magnus College (een kleine instelling voor geesteswetenschappen in Minnesota gesticht door Noorse immigranten), vijfduizend dollar op de bank (die ik bij elkaar had gespaard door na mijn afstuderen een jaar lang kosteloos bij mijn ouders te wonen en in mijn geboortestad Webster achter de bar te staan), een Smith Corona- schrijfmachine, een gereedschapskist, door mijn moeder geschonken kookgerei en zes verhuisdozen vol boeken. Ik timmerde een bureau van een paar houten balken en een stuk spaanplaat. Ik kocht twee borden, twee mokken, twee glazen, twee vorken, twee  messen en twee lepels in afwachting van de toekomstige geliefde (of reeks geliefden) met wie ik, na een nacht van uitzinnig rampetampen, een ontbijt van toast en eieren wilde kunnen eten, dat, bij gebrek aan een eettafel en stoelen, zittend op de vloer zou worden genuttigd.

Ik weet nog hoe de deur achter meneer Rosales dichtviel en ik herinner me mijn uitbundige stemming.
Ik weet nog hoe de deur achter meneer Rosales dichtviel en ik herinner me mijn uitbundige stemming. Ik herinner me de twee kamers van mijn oude woning en in gedachten kan ik van de ene naar de andere lopen. Ik zie de ruimte zo voor me, maar de precieze compositie van de barsten in het slaapkamerplafond, de grillige kartellijnen en het ragfijne bloemwerk van haarscheurtjes waarvan ik weet dat ze er waren omdat ik er eindeloos naar heb liggen staren, kan ik eerlijk gezegd niet meer beschrijven, en evenmin herinner ik me hoe groot de koelkast precies was, maar ik geloof aan de kleine kant. Wel weet ik bijna zeker dat hij wit was en afgeronde hoeken had, geen scherpe. Hoe meer herinneringen ik probeer op te halen, hoe meer details er naar boven zullen komen, maar die kunnen evengoed verzonnen zijn. En daarom zal ik niet nader ingaan op, om maar iets te noemen, het uiterlijk van de aardappels die achtendertig jaar geleden op mijn bord lagen. Ik zal je niet vertellen of ze gekookt waren of lichtjes gebakken of gegratineerd of gefrituurd want dat kan ik me niet herinneren. Ben jij een van die lezers die genoegen scheppen in memoires vol onmogelijk gedetailleerde herinneringen, dan heb ik een nieuwtje voor je: vertrouw nooit een auteur die beweert dat de opgebakken piepers van meer dan een kwarteeuw geleden hem of haar nog levendig voor ogen staan.

 

En zo arriveer ik in de stad waarover ik al sinds mijn achtste droom zonder er ooit een voet te hebben gezet (als kind vroeg ik me altijd af hoe je verder moest lopen als je je voet ergens had neergezet).

 

Zo dus arriveer ik in de stad die ik ken uit films en boeken en die New York is maar tegelijk ook andere steden, Parijs en Londen en Sint-Petersburg, de stad waarin helden voor en tegenspoed kennen, een echte stad die tegelijk ook een denkbeeldige stad is.

 

Ik herinner me het spookachtige licht dat op 25 augustus, de eerste nacht dat ik in flat 2b sliep, door de kapotte jaloezieën naar binnen viel. Ik zei tegen mezelf dat ik een nieuw gordijn nodig had omdat het anders nooit echt donker zou zijn in de kamer. De lucht was zwaar van de hitte.

 

De lakens waren klam van mijn zweet en ik had wrede en heldere dromen.
De lakens waren klam van mijn zweet en ik had wrede en heldere dromen, maar tegen de tijd dat ik de volgende ochtend een mok koffie voor mezelf had gemaakt en naar het schuimrubberen matras had gedragen om hem daar leeg te drinken, was ik ze vergeten. In mijn eerste week in New York was ik ’s ochtends aan het schrijven en reisde ik ’s middags rond met de metro. Ik had geen bestemming voor ogen, maar weet nog dat mijn hart sneller ging kloppen als ik in de rammelende ondergrondse door de ingewanden van de stad raasde en dat mijn pas ontdekte vrijheid bijna te mooi leek om waar te zijn. Een toegangsmuntje kostte vijftig cent en zolang je niet via de trap naar buiten ging, kon je overstappen zo vaak je wilde zonder opnieuw te hoeven betalen. Ik tufte van noord naar zuid met de irt, zoefde per sneltrein over de a-lijn, flitste van west naar oost met de shuttle, verkende de kronkels van de l en als de f bij Smith en Ninth Street bovengronds kwam en ik plotseling zicht kreeg op het dampende Brooklyn met zijn swingende combo van oprijzende betonblokken, pakhuizen en reclameborden, dan verscheen er een glimlach op mijn gezicht. Zittend of staand in een wagon en heen en weer geschud door het stoppen en weer optrekken, bewees ik eer aan de alomtegenwoordige graffiti, niet omdat die mooi was maar omdat er een opstandige geest uit sprak, een geest die ik in me wilde opzuigen en in mijn eigen creatieve scheppingen hoopte te evenaren. Ik laafde me aan het geknars van de treinstellen en aan de stem van de omroeper wiens mededelingen door de luidspreker veranderden in een onverstaanbaar maar sonoor gekraak. Ik verwelkomde het gedrang van de mensenmassa als ik in een collectieve golf de deur uit werd gestuwd en dacht aan Whitmans woorden: ‘met mijzelf gedesintegreerd, iedereen gedesintegreerd en toch onderdeel van het systeem’. Ik wilde deel uitmaken van dat systeem. Ik wilde iedereen zijn. Ik luisterde naar alle talen die werden gesproken, sommige herkenbaar – Spaans, Mandarijn, Duits, Russisch, Pools, Frans, Portugees – en sommige die ik nog nooit gehoord had. Ik genoot van de verscheidenheid aan huidskleuren om me heen, want in Webster was ik overvoerd geraakt met lutherse fletsheid in al haar verhitte tinten, van roze tot rood tot boerenbruin verbrand.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief