leesfragment

‘Het begint met een blik’ van Kelly Moran

Een plek om je goed te voelen, drie dierenartsen om verliefd op te worden, heerlijke romance, verslavende feelgood: het eerste deel in de Redwood Ridge-serie is nu verkrijgbaar! Scroll snel naar beneden voor een extra lang leesfragment van  Het begint met een blik.


Redwood Ridge, een schilderachtig stadje in Oregon. Precies de juiste plek voor een nieuwe start. En die heeft Avery Stowe hard nodig na een rampzalig huwelijk, ook voor haar autistische dochter Hailey. Er is maar één probleem: de lokale, aantrekkelijke dierenarts, Cade O’Grady. Een nieuwe relatie is namelijk het laatste wat Avery wil. Ze weet alleen niet hoe lang ze Cade kan weerstaan. Vooral omdat de hele stad heeft samengespannen en voor Cupido begint te spelen…

Een plek om je goed te voelen, drie dierenartsen om verliefd op te worden – het eerste deel van de Redwood Ridge serie. Ben je benieuwd wat andere lezeressen van deze roman vonden? Je leest het hier.

Het begint met een kus verschijnt op 6 mei, Het begint met een nacht maakt de trilogie compleet op 9 juni.


1

Avery Stowe kneep haar ogen een beetje dicht en boog zich dichter naar het stuur in een poging om tussen de dikke witte sneeuwvlokken door te kijken die het donkere, stille Redwood Ridge bedekten. Dit soort sneeuwbuien hadden ze niet in San Francisco. Haar moeders vooruitziende blik om haar Toyota Camry in te ruilen voor een suv was misschien wel goed geweest. Met haar auto waren ze nooit een winter in Oregon doorgekomen. Zelfs haar grillige moeder zou toch wel één keer gelijk hebben? Eén keer dan.

Dankbaar dat ze na twee dagen reizen bijna op hun bestemming waren, wierp Avery een blik op Hailey, die op de achterbank zat, en zuchtte. Gerustgesteld dat haar dochter nog lag te slapen in haar stoelverhoger richtte ze haar aandacht weer op de weg.

Er was al tien centimeter gevallen sinds ze de grens van Californië met Oregon waren gepasseerd. Het was absurd. Mooi, maar wel absurd. Ze was nog nooit buiten het warme, zonnige Californië geweest, dus dit was nogal een cultuurschok. Maar… nieuw jaar, nieuwe start. Zowel zij als Hailey had dit nodig.

Zelfs al zag het nieuwe dorp eruit als Silent Hill, het stadje uit de gelijknamige horrorfilm. Ze keek of ze ergens enge zombiegevallen zag, maar ze zag er niet een.

Het was al avond, de winkels waren allemaal dicht, en de enige verlichting kwam van de ouderwetse lantaarns die langs de tweebaansklinkerweg stonden. Avery dacht dat haar moeder een klap van de mallemolen had gehad – van alle vier de wieken – toen ze hier tien jaar geleden naartoe was verhuisd nadat ze een rijtje vakantiehuisjes had geërfd van een tante van wier bestaan ze nooit hadden geweten. Maar haar moeder was er gelukkig, en ze dacht dat Avery en Hailey dat ook zouden zijn.

Op papier leek het inderdaad ideaal.
Op papier leek het inderdaad ideaal. ‘Niet Silent Hill, niet Silent Hill.’ Maar serieus, waar was iedereen?

Ingeklemd tussen de kust en de uitlopers van de Klamath Mountains was Redwood Ridge zowel een toeristenplaatsje als een charmant dorp met vijftienhonderd inwoners. Blijkbaar had het iets, als het in staat was haar moeders aandacht zo lang vast te houden. Talloze onafhankelijke winkeltjes flankeerden de straat aan beide kanten. Het was alsof je een stap terug deed naar een eenvoudiger, gelukkiger tijd. Waren er nou ook nog maar mensen.

Tien minuten later begon de sneeuw minder hevig te vallen en reden ze over een weggetje beschut door cipressen, dennen en sequoia’s. Het was best fantastisch, eigenlijk, maar ze zou het later pas kunnen waarderen. Bij daglicht. Op dit moment zag het eruit als de set van Friday the 13th.

Misschien moest ze maar helemaal niet meer naar horrorfilms kijken.

Ze kwamen langs een paar grotere huizen die nog kerstversiering hadden, en acht kilometer verderop sloegen ze af naar de vakantiehuisjes. Ze stopte voor het eerste huisje en zette daar de auto neer terwijl ze om zich heen keek. Níét Friday the 13th.

Dat was duidelijk. Geen enge films meer.

Er waren in totaal vijf blokhutten, op gelijke afstand van elkaar. Ze waren allemaal gelijkvloers en de daken waren bedekt met sneeuw. Ze waren allemaal hetzelfde, allemaal met een kleine veranda en een puntdak. Bij de eerste scheen er een warm, geel licht door de ramen en kwam er rook uit de schoorsteen. Haar moeders auto stond ernaast geparkeerd.

Voor het eerst in wat wel tien jaar leek, ademde Avery in en deed haar ogen dicht. Geen sirenes of claxons. Geen gesprekken of haast. Geen ex of schoonfamilie om ruzie mee te maken. Alleen maar… rust.

Totdat Jason uit Friday the 13th arriveert met zijn witte ijshockeymasker op…

Oké, zo is het genoeg. Van nu af aan alleen nog maar comedy’s.

Ze zouden eraan moeten wennen, maar voor Hailey zou de verhuizing de moeite waard zijn.
Ze zouden eraan moeten wennen, maar voor Hailey zou de verhuizing de moeite waard zijn. Met haar dochters aandoening stond een overmaat aan prikkelingen gelijk aan woedeaanvallen en driftbuien. Het stadsleven was niets voor hen. Misschien zou Hailey in deze omgeving beter tot haar recht komen. Dat haar moeder dichtbij was, was nog een extra pluspunt. Tijdens haar jeugd had Avery vaak het gevoel gehad alsof zij de ouder was in hun tweepersoonsgezinnetje, aangezien haar moeder zich altijd in haar eigen droomwereld bevond. Maar ze had nooit gebrek aan liefde gehad, en op dit moment kon ze heel goed wat steun gebruiken. Het was zo lang geleden dat ze iemand had gehad op wie ze kon leunen.

Avery wierp een blik op de achterbank en stak haar arm naar achteren om op Haileys knie te tikken. ‘Hé, liefje. We zijn er.’

Alsof er een schakelaar werd omgezet, knipperde haar dochter met haar wimpers, waardoor haar ogen zichtbaar werden, net zo blauw als die van haar vader. Al haar andere uiterlijke kenmerken had ze van Avery. Dik bruin haar en een mollig, maar lenig lichaam. Zelfs op haar zevende leek Hailey al als twee druppels water op haar moeder.

Hailey nam haar omgeving in zich op op de schijnbaar ongefocuste manier waar Avery aan gewend was geraakt sinds was vastgesteld dat haar dochter autistisch was. Haar blik schoot overal heen en bleef nooit langer dan een milliseconde ergens hangen. Na een tijdje gaf ze een gilletje en wapperde ze met haar handen.

Goed gedaan, mam, stelde Avery zich voor dat ze bedoelde.

Aangezien Hailey een niet-verbale autist was, tot nu toe althans, gaf Avery in gedachten vaak haar eigen dialoog vorm. Het had haar geholpen ermee om te gaan.

Ze glimlachte, blij dat Hailey vond dat het er leuk uitzag. ‘Oma is binnen op ons aan het wachten. Wil je ons nieuwe huis zien?’ Tenminste, het zou hun nieuwe huis zijn totdat Avery een appartementje of een huisje kon vinden dat ze konden huren. Misschien níét naast kamp Crystal Lake uit Friday the 13th. Hailey gaf weer een gilletje en frummelde aan de autogordel, die ze met veel moeite open kreeg. Avery stapte snel uit de auto en ving haar dochter op bij het achterportier voordat ze ervandoor kon gaan. Ze besloot te wachten met uitladen tot ze het huisje hadden gezien, dus liet ze de koffers in de auto en stuurde Hailey het trappetje van de veranda op, ervoor zorgend dat ze haar niet meer aanraakte dan nodig.

De aanblik van haar moeder veroorzaakte een brok in Avery’s keel.
De deur zwaaide naar binnen open voordat ze konden kloppen, en de aanblik van haar moeder veroorzaakte een brok in Avery’s keel. Justine Berry was dan misschien grillig en onvoorspelbaar, maar ze was er altijd voor haar geweest. Na alles wat zij en haar dochter hadden doorgemaakt, had Avery gewoon behoefte aan… haar moeder.

‘Wat fijn dat jullie er zijn!’ Ze bukte zodat ze op gelijke hoogte met Hailey was, en ze kon zich maar met de grootst mogelijke moeite inhouden om haar kleindochter niet te knuffelen.

Het ging tegen haar moederinstinct in om haar niet aan de borst te drukken, maar Avery kende Haileys beperkingen. Voordat ze naar haar toe waren gereden, had ze haar moeder wel duizend keer gewaarschuwd, voor het geval ze het zou vergeten. Haar moeder en geheugenverlies gingen hand in hand.

Hailey duwde haar oma opzij en rende het huisje in. Uit de weg, oma. Ik heb wel betere dingen te doen.

Avery haalde haar schouders op. ‘Ze vindt het leuk. Dat is alleen maar goed.’

Het volgende moment werd ze door haar moeder omhelsd en werd ze platgedrukt tot ademhalen onmogelijk was. De vertrouwde geur van patchoeli vulde haar neus. Ze slikte de dreigende tranen in en glimlachte. ‘Hoi, mam.’

‘Jou kan ik tenminste wel knuffelen.’ Mam deed een stap achteruit en klopte op haar ongetemde bruine haar, dat tot haar schouders kwam. Ze gaf de voorkeur aan een natuurlijke aanpak bij alles, dus het had waarschijnlijk in jaren geen conditioner of stylingproduct gezien. De fijne lijntjes om haar mond en haar ogen waren dieper geworden in het jaar sinds ze Avery voor het laatst in San Francisco had opgezocht, wat alleen maar bijdroeg aan haar moeders charme. Ze was een vrouw die vaak lachte en zonder voorbehoud liefhad. Vier exen waren daarvan het bewijs. ‘Hoe waren de wegen?’

Avery deed de deur achter zich dicht. ‘Een beetje glad, maar het ging wel. Wauw, mam. Dit is een te gekke plek.’

Helemaal geen B-horrorfilm.

Het hele huisje was van onbewerkt hout, steen en glas. Blinkend schoon en rustiek. Een open haard van rode baksteen die van de vloer tot het plafond reikte, gaf vanuit een hoek warmte. Banken met een geruite bekleding stonden naast grenen tafels met barsten erin op de kale houten vloer. De woonkamer was ruim en van de keuken gescheiden door een eiland. Er zaten grote vensters met een weids uitzicht in de achterwand van de open kamer, waar maanlicht viel op het water dat door een smalle rivierbedding sijpelde.

Hailey verdween een korte gang in en gaf een gilletje.
Hailey verdween een korte gang in en gaf een gilletje. Avery wilde achter haar aan gaan, maar haar moeder hield haar tegen met een hand op haar arm.

‘Er is daar geen uitgang en ze kan nergens in. Dit zijn huurhuisjes, dus ze zijn vrij kaal. Ik heb wel een keukenvoorraad voor jullie aangelegd.’ Ze glimlachte en omhelsde haar opnieuw. ‘Ik ben zo blij dat je er bent. Tien jaar, en nu pas krijg je mijn dorp te zien.’

Avery zette het schuldgevoel van zich af en knikte. Ze kon het verleden niet terugdraaien. ‘Je hebt heel wat gedaan aan het terrein, weet ik nog dat je zei. Dit is prachtig.’

Mam zuchtte. ‘Goede aannemers en geld dat me was nagelaten, hebben daarvoor gezorgd. We zitten vrij vol, het hele jaar door. Ik woon boven mijn winkel in het dorp, maar ik wil vannacht wel bij jullie blijven, als je dat goedvindt.’

Haar moeder bezat, naast de vakantiehuisjes, een tweedehandskledingwinkel, die ze Spaarzaam had genoemd. Voor zover Avery wist, had ze iemand in dienst om de zakelijke kant van de bedrijven te regelen. Financiën waren niet haar moeders sterkste kant. Ze had meer dan genoeg idealistische dromen en ideeën, maar de cijfers en de details werden wijselijk overgelaten aan anderen.

‘Ik zou het heerlijk vinden als je bleef slapen. Het begint trouwens al laat te worden.’

Over slapen gesproken, Hailey was de afgelopen minuten wel erg stil. Met stijgende ongerustheid liep Avery door de gang en trof haar dochter slapend aan op een van de twee eenpersoonsbedden, opgerold tot een bal, met haar muts nog op en haar jas nog aan.

Genegenheid en liefde bonsden zo diep in haar borst dat het pijn deed. Voorzichtig maakte ze de rits van Haileys jas open, maar ze liet hem wel aan zodat ze haar niet wakker zou maken. Avery haalde de muts van haar hoofd en ging met haar vingers door het donkere haar van haar dochter. De enige keren dat ze Hailey openlijk kon aanraken, was wanneer ze sliep, anders vond Hailey aanraking zo vervelend dat ze begon te gillen. Maar gelukkig had Avery die paar rustige momenten vroeg op de avond om naar haar te kijken en over haar perfecte bleke wangetjes te aaien.

Hondsmoe sloeg Avery nauwelijks acht op de kale houten meubels of op de erker. In de keuken trof ze haar moeder aan, die in een pan op het fornuis stond te roeren. Nog steeds een beetje verdoofd bleef ze in de deuropening staan.

Nog steeds een beetje verdoofd bleef ze in de deuropening staan.
Haar moeder draaide zich om en grijnsde. ‘Ik heb warme chocolademelk gemaakt. Ga maar zitten in de woonkamer. Rust even uit. Je ziet er afgepeigerd uit. Ik zal je een beker brengen.’

‘Is het… te drinken?’

Mam schudde haar hoofd en zei toen: ‘Volgens mij wel.’

‘Weet je nog die keer…’

‘Eén brand. Dat was maar één brand, Avery!’

Te uitgeput om ertegen in te gaan, grijnsde Avery, ging in een stoel zitten en deed haar ogen dicht, verbaasd dat hij zo lekker zat. Het knetterende vuur en de geur van chocolademelk brachten haar tot rust en stelden haar in staat een beet je dieper weg te zakken in haar eigen hoofd. De duisternis trok zwaar aan haar bewustzijn.

Voordat ze het wist, zat ze te bibberen en stond er een afgekoelde kop chocomel naast haar op het bijzettafeltje. Er dreven mysterieuze brokken in. Knipperend met haar ogen kwam ze overeind. Haar moeder zat op de stoel naast haar te slapen.

Wauw. Hoe lang waren ze onder zeil geweest?

Ze nam even de tijd om zich uit te rekken voordat ze bij Hailey ging kijken, maar stond toen op en keek door de kamer om er zeker van te zijn dat haar moeder het gas wel had uitgedaan. Het zou niet de eerste keer zijn dat ze zich ergens door had laten afleiden en het was vergeten. Gerustgesteld dat het gas uit was, probeerde Avery de bron van de tocht te vinden die door de kamer cirkelde, en verstijfde toen ze de achterdeur open zag staan.

Nee. O god, nee.

‘Mam!’ schreeuwde Avery, al halverwege de gang. Haar hart bonkte van misselijkmakende paniek.

Hailey lag niet meer in bed.

Nee, nee, nee, nee, nee…

‘Hailey is weg. We zijn in slaap gevallen. Ik heb de deur niet op slot gedaan.’
Terugsnellend naar de woonkamer botste ze tegen haar moeder op en liep gauw om haar heen.

‘Wat is er?’

Avery trok snel haar laarzen aan en pakte haar jas. ‘Hailey is weg. We zijn in slaap gevallen. Ik heb de deur niet op slot gedaan.’ Een fout waarvan ze wel wist dat ze hem niet moest maken. Hailey ging er veel te vaak vandoor. Niet om weg te lopen, maar omdat ze in haar eigen wereld leefde en geen idee van gevaar had.

O, god. Haar dochter was daarbuiten in de kou, in de wildernis, ’s nachts. In deze streek kwamen poema’s voor, om het nog maar niet te hebben over…

‘Bel de politie.’

Ze rende naar de achterdeur en liep om het huis heen, maar Hailey was niet in de auto of op de veranda. Terwijl de angst haar bij de keel greep, liep Avery weer terug om het huis en botste opnieuw tegen haar moeder op.

‘Hier zijn voetafdrukken.’ Haar moeder sloeg een sjaal om haar nek. ‘Ze is recht het bos in gelopen.’

Avery keek omlaag. Een paar kleine voetsporen van het formaat van haar dochters schoenen voerde weg van het huisje en dieper het dichte bos in. Ze ging op weg, de sporen volgend. De koude lucht prikte in haar longen, en haar vingers waren al gevoelloos tegen de tijd dat ze het groepje dennen had bereikt.

Hailey was zo klein. Ze zou het niet lang uithouden, blootgesteld aan deze temperaturen. Het moest dik onder nul zijn. En Hailey kon ook niet praten. Als ze hulp nodig had, kon ze er niet om vragen. Avery had onderzoek gedaan vóór de verhuizing. Ze kende de flora en de fauna, wist dat haar dochter het risico liep aangevallen te worden door een dier, en door welke dieren. Zwarte beren, poema’s en lynxen kwamen in haar hoofd op. Hailey zou niet weten hoe ze zich moest verdedigen.

Avery’s ogen werden wazig van de tranen. Ze versnelde haar pas tot een sprint, en de sneeuw spoot omhoog in haar kielzog.

Als het nou maar goed met je gaat, liefje. Als het nou maar goed gaat.

De voetstappen maakten een scherpe draai naar rechts en toen ze de bocht om waren, verliet de lucht haar longen met een ruisend geluid.

Hailey zat op een boomstronk, met haar rug naar hen toe. Haar roze jasje had ze nog aan, maar ze was buiten zonder muts. De opluchting was duizeligmakend.

De opluchting was duizeligmakend.
‘Hailey.’ Avery liep om de boomstronk heen en ging op haar hurken zitten. ‘We hebben het hierover gehad, liefje. Je kunt niet zomaar weglopen…’

Er was bloed. Veel bloed. Bij Haileys voeten. Op de voorkant van haar jas.

‘Waar ben je gewond? Waar ben je gewond, liefje?’ Ze ging met haar trillende, ijskoude vingers over Haileys hoofd, omlaag langs haar hals, naar haar borst, en stopte toen.

Er stak een warm, pluizig kopje uit Haileys gedeeltelijk geopende jas.

Er bleef een schreeuw in haar keel steken, totdat ze besefte dat het een hondje was. Nee, een puppy. Een klein, zandkleurig pluizig ding. Hailey was hem aan het wiegen, over zijn koppie aan het aaien, en wild om zich heen aan het kijken.

Avery zag aan de bewegingen dat ze zenuwachtig en bang was, dus hield ze haar stem gedempt. Hailey zou een levend wezen nooit iets aandoen, dus moest ze het dier hier buiten hebben gevonden. ‘Je hebt een hondje gevonden. Het is oké, Hailey. Is het hondje gewond? Is dat waar het bloed vandaan komt? Mag mammie kijken?’

Voorzichtig tilde ze de trillende bal haren uit de handen van haar dochter, en het arme ding kefte. Verrast door het geluid in de stille nacht viel ze achterover op haar achterste in de sneeuw. Het kon niet meer dan zes weken oud zijn, hooguit drie kilo. Droevige, bange bruine ogen keken in die van haar, en Avery smolt.

‘Hemeltjelief. Je bent een schatje.’

‘Avery… zijn pootje.’ Haar moeder gebaarde met haar kin naar het hondje en stak haar handen in haar zakken.

In het maanlicht liet Avery haar blik over het diertje dwalen en zag waar haar moeder op doelde. De onderste helft van een van zijn voorpootjes ontbrak. De vacht was doorweekt met bloed. Haar maag draaide zich om. Wat kon ermee gebeurd zijn?

De misselijkheid ging niet weg. ‘Arm diertje van me.’

‘Het komt wel goed, liefje.’
Hailey begon steeds harder te wiegen.

Avery legde haar hand op haar dochters arm. ‘Het komt wel goed, liefje.’

Ze keek naar haar moeder, omdat ze geen idee had wat ze moest doen. Ze had nog nooit een huisdier gehad. Het vroor buiten en wie wist hoe lang dat hummeltje al gewond buiten in het bos rondliep en hoeveel bloed het had verloren. Aan al het rood waarmee de sneeuw doortrokken was te zien, leek het een hele hoop voor zo’n klein beestje. Het had geen naamplaatje of halsband. Het deed niet veel meer dan jammeren en trillen. Ze moest Hailey ook uit de kou zien te krijgen.

Haar moeder trok haar sjaal van haar hals en gaf hem aan haar. ‘Ik zal de O’Grady’s bellen. Zij runnen de dierenartsenpraktijk in het dorp. Ga maar. Ik zal Hailey terugbrengen naar het huisje…’

Hailey schoot overeind en greep Avery’s jas vast, en er ontsnapte een opgekropt geluidje aan haar keel, ook al schoot haar blik ergens anders heen.

‘Ze wil mee.’ Ze keek haar moeder aan. ‘Wil je haar jas dichtritsen? En bel de dierenarts. We moeten gaan. Dit hummeltje heeft niet veel tijd.’

 

Cade O’Grady staarde naar de piepkleine grijze kitten die melk zoog uit het flesje dat hij vasthield. De pluizenbol was zo klein dat ze in één hand paste. Zijn woede laaide weer op en hij blies geërgerd en keek om zich heen, de kleine ruimte rond die zijn spreekkamer binnen de kliniek was.

Het was al laat en hij had besloten om langer te blijven om wat patiëntendossiers bij te werken. Dat was zeker twee uur geleden en die dossiers moesten nog steeds ingevuld worden. Maar goed dat hij was gebleven, anders zou de kleine kitten in zijn hand zijn overleden, net als haar moeder en haar broertjes en zusjes.

Wat voor soort iemand liet verdomme een doos kittens in de sneeuw achter voor de deur van een dierenkliniek? Cade had geen idee hoe lang ze aan de elementen overgeleverd waren geweest – iemand had ze achtergelaten bij de kennels bij de achterdeur – maar de kitten die hij nu aan het voeden was, was de enige die het had overleefd. Hij knarste met zijn tanden, kwaad genoeg om de klootzak te vermoorden als hij hem ooit zou weten te vinden.

Gelukkig was de kitten, die eruitzag als een Braziliaanse korthaar, een bikkel.
Gelukkig was de kitten, die eruitzag als een Braziliaanse korthaar, een bikkel. Ze was meteen begonnen met drinken en had geen infuus nodig. Hij had haar onderzocht en haar temperatuur en bloeddruk waren naar omstandigheden goed, en hij had geen uiterlijke tekenen van verwondingen gezien.

Hij deed zijn ogen dicht en hoorde dat er werd ingesproken op het antwoordapparaat op de receptiebalie buiten zijn spreekkamer. Als het een noodgeval was, zou hij worden opgepiept, want hij had deze week oproepdienst. Animal Instincts was een kleine kliniek, veertig jaar geleden door zijn vader begonnen, en werd gerund door Cade en zijn twee broers sinds hun vader was overleden. Bijna negen jaar geleden intussen. Dat was moeilijk te bevatten.

Toen het flesje leeg was, zette hij het op het bureau en keek de kleine kitten in haar oogjes. ‘Jij bent een schattig dingetje, hè?’

Het miauwde bevestigend.

Hij lachte voor het eerst die dag en aaide over het kopje. ‘En nog bescheiden ook. Ik denk dat ik je Cutin noem. Vat je hem? Een combinatie van cute en kitten? Cutin.’

Miauw.

‘Je hebt gelijk. Ze zouden ter plekke mijn mannelijkheidsbewijs moeten innemen.’

Met knedende pootjes ging het in het holletje van zijn arm zitten en viel in slaap.

‘Ik ga er maar van uit dat dat betekent dat je het ermee eens bent. Kan ik nog iets voor je betekenen? Een biertje, misschien?’

Het reageerde niet. Ze. Zé reageerde niet. Hij moest ophouden haar ‘het’ te noemen.

Hoofdschuddend pakte hij een dossier. Zijn semafoon piepte. Hij vloekte. Net toen hij hem uit de zak van zijn doktersjasje wilde pakken, werd er zo hard op de voordeur gebeukt dat die rammelde.

Hij keek naar de kitten. ‘Wat een klotedag.’

Ze miauwde slaperig om zich daarbij aan te sluiten. Ja hoor! Wat dacht je van die van mij?

Cade stond op, zette Cutin op een kussentje in een doos op een bureaustoel en keek op de semafoon terwijl hij naar de voordeur liep. Het gebons werd heftiger. Hij herkende het nummer niet, maar de vrouw die voor de kliniek stond, was Justine nog-wat, die een tweedehandswinkeltje had verderop in de straat.

Ze snelde naar binnen, gevolgd door een vrouw die hij niet kende en een meisje van een jaar of acht.
Hij haalde de deur van het slot en hield hem open. Het was tenminste gestopt met sneeuwen. ‘Was jij het die me heeft opgepiept?’

Ze snelde naar binnen, gevolgd door een vrouw die hij niet kende en een meisje van een jaar of acht. ‘Ja, ik heb je opgepiept.’ Justine veegde donker, verwaaid haar uit haar gezicht.

Hij deed de deur weer dicht en op slot tegen de bijtende luchtstroom die vanaf de berg omlaagkwam.

De andere vrouw strekte haar armen uit. In een gebreide sjaal zat een puppy.

Cade keek omlaag naar al het bloed op de roze jas van het meisje. Shit. Hij kwam meteen in actie en gebaarde dat ze hem moesten volgen. ‘Deze kant op.’

‘Ik blijf wel hier in de lobby wachten,’ zei Justine. Haar gezicht had een verdacht groene kleur aangenomen. ‘Al dat medische gedoe… Ik red me hier wel.’ Ze ging snel zitten om dat te benadrukken.

In een behandelkamer trok Cade handschoenen aan, draaide zich om en pakte het diertje aan. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik weet het niet zo goed. Hailey vond hem ongeveer een halfuur geleden in de sneeuw.’ Haar stem was gehaast maar kalm, zonder enig teken dat ze ondersteboven was van al het bloed.

Heel voorzichtig zette hij de puppy op de behandeltafel en wikkelde de sjaal los om de situatie in ogenschouw te nemen. Gele labrador. Mannetje. Ogen nauwelijks open. Lethargisch. Ondervoed. Een week of vijf, zes oud. Trillend. Poot verdwenen onder de knie. De wond was gestold en bloedde niet actief meer.

Allejezus.

Bijtend op de binnenkant van zijn wang dwong hij zichzelf de vrouw aan te kijken. ‘Kom hier bij de tafel staan terwijl ik wat spullen pak, alsjeblieft.’

Haar donkere, chocoladebruine ogen werden groot bij zijn strenge toon. Ze draaide zich om naar het meisje. ‘Wil jij op de stoel gaan zitten, liefje? Ik ben gewoon hier vlakbij.’

Het meisje antwoordde niet, maar bewoog druk heen en weer en vermeed oogcontact. Na een tijdje ging ze op een stoel in de hoek zitten. Ze was waarschijnlijk ook in shock.

Ze was waarschijnlijk ook in shock.
Toen de vrouw de onderzoekstafel naderde, liep Cade weg. Hij pakte een zak zoutoplossing en warmde hem op in de magnetron. Hij trok een verwarmingsdekentje tevoorschijn, plugde het in, schoof het onder de puppy en sloeg het vervolgens om zijn rug. Toen haalde hij een otoscoop uit zijn zak, boog zich voorover en keek in de oren van het hondje.

‘Hoe lang is hij buiten geweest?’

Ze verschoof een beetje, en de geur van iets fruitigs zweefde in de ruimte tussen hen in. Een soort bessenluchtje. ‘Ik weet het niet. We…’

‘Je weet het niet,’ herhaalde hij toonloos, en hij controleerde de bek van de puppy. Het tandvlees was bleek, maar de tanden zagen er prima uit.

Hij gebruikte een thermometer om de rectale temperatuur te meten en keek naar de vrouw. Hoewel hij niet iedereen in Redwood Ridge kende, kwam ze hem absoluut niet bekend voor. Ze had een knap, vol gezicht en golvend bruin haar dat tot haar schouders viel onder een gebreide muts. Ze waren ongeveer van dezelfde leeftijd, misschien eind twintig als hij moest schatten. Ze beet zo hard op haar rode lippen dat ze opzwollen.

Mooi zo. Het was alleen maar terecht dat ze zich schuldig voelde. Een nieuw huisdier buiten laten, zonder erop te letten, was verwijtbaar. Bovendien vertoonde de pup tekenen van verwaarlozing. Aan zijn poot te zien was hij waarschijnlijk in een berenval beland. Aangezien ze met Justine mee waren gekomen, nam hij aan dat ze een domme toerist was die een van de blokhutten huurde en niet wist hoe gevaarlijk de berg – of het dierenleven dat van de berg omlaagkwam – kon zijn.

‘Is hij helemaal bij qua inentingen? Nog andere aandoeningen?’

‘Ik weet het niet. Het is niet…’

‘Is er iets wat je wél weet?’ blafte hij.

Ze deed haar mond dicht en draaide haar hoofd om te kijken of alles nog goed was met haar dochter, die nu naar het plafond zat te staren.

Schuldgevoel vanwege zijn toon borrelde bij hem op.
Schuldgevoel vanwege zijn toon borrelde bij hem op, maar verdomme, een hond verwaarlozen was het laagste van het laagste. Hij had het zo vaak gezien. Mensen namen een huisdier omdat het schattig was of omdat ze eenzaam waren en hadden geen idee hoeveel verantwoordelijkheid erbij kwam kijken. En dan werden ze achtergelaten of naar het asiel gebracht, vergeten.

Die toeristen was hij ook zat. Een van de dieren die nu in de kliniek woonden, was bij hen gebleven omdat een stomme toerist niet de moeite had genomen om hun één jaar oude Deense dog op te komen halen nadat die zijn poot had gebroken.

Hij had echt een hekel aan mensen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief