leesfragment

‘Het geheugenwoud’ van Sam Lloyd

Elissa, 13 jaar, is ontvoerd. Ze werd wakker in een ondergrondse cel in het Geheugenwoud.
Elijah, 12 jaar, woont al naast het Geheugenwoud zolang hij zich kan herinneren.
Als hij opduikt in haar cel, neemt Elissa aan dat Elijah haar zal helpen te ontsnappen of naar de politie zal gaan. Maar Elijah wil niet dat Elissa weggaat, bang als hij is om haar vriendschap te verliezen.

Het gedrag van haar ontvoerder wordt steeds onvoorspelbaarder en algauw zijn Elijahs bezoekjes Elissa’s enige vorm van verlichting. Elissa realiseert zich dat de vreemde, eenzame jongen haar enige kans op overleving is. Ze speelt een dodelijk kat-en-muisspel om hem over te halen haar te helpen en hun vriendschap zal hun beider lot bepalen…

Het geheugenwoud van Sam Lloyd is een spannende leestip voor de liefhebbers van Stephen King en CJ Tudor. Lees hier alvast de eerste pagina’s!

Elijah.
Dag 6

I

Als ze achter elkaar aan terugkeren in de kamer, zit ik niet meer op de stoel. Ik heb plaatsgenomen op de tafel, zwaaiend met mijn blote benen. Op mijn knie licht het roze vierkant van een pleister op. Vreemd eigenlijk dat ik me niet kan herinneren dat ik me heb verwond.

Ze trekken hun wenkbrauwen op als ze zien dat ik me heb verplaatst, maar niemand zegt er iets van. De tafel is aan de vloer vastgeschroefd, zodat hij niet om kan vallen en mij kan bezeren. Toen ik tien was, heb ik mijn been gebroken toen ik door het Geheugenwoud rende en ben ik bijna doodgegaan, maar dat is twee jaar geleden. Ik ben nu veel voorzichtiger.

‘Het ziet ernaar uit dat we helemaal klaar zijn, Elijah,’ zegt een van hen. ‘Heb je zin om naar huis te gaan?’

Voor het eerst valt me op dat er geen ramen zijn.
Ik kijk de kamer rond. Voor het eerst valt me op dat er geen ramen zijn. Misschien is dat vanwege het soort mensen dat er meestal komt: slechte mensen, niet zoals degenen die hier nu bij me zijn. Het zijn politieagenten, ook al dragen ze geen uniform. Eerder had degene die me een coca-cola bracht al verteld dat ze bunkerkleren aanhadden. Misschien maakte hij een grapje. Voor een twaalfjarige heb ik een nogal hoog IQ, maar grapjes heb ik nooit goed begrepen.

Heel even vergeet ik dat ze nog naar me kijken, nog op een antwoord wachten. Ik kijk even naar boven en knik, terwijl ik harder met mijn benen zwaai. Waarom zou ik géén zin hebben om naar huis te gaan?

Mijn gezicht vertrekt. Ik geloof dat ik glimlach.

II

We zitten in de auto. Papa rijdt. Volgens Magische Annie, die aan de andere kant van het Geheugenwoud woont, zeggen de meeste kinderen mam en pap tegen hun ouders. Ik ben er vrij zeker van dat ik dat vroeger ook deed. Ik weet eigenlijk niet waarom ik op mama en papa ben overgegaan. Ik lees veel oude boeken, voornamelijk omdat we geen geld hebben om aan nieuwe uit te geven. Misschien is het daarom.

‘Hebben ze je ondervraagd?’ vraagt papa.

‘Waarover?’

‘O, over wat dan ook, eigenlijk.’

Hij remt af bij een kruispunt, ook al heeft hij voorrang. Papa is altijd zo voorzichtig. Altijd bang dat hij een fietser raakt, iemand die een hond uitlaat of een traag overstekende egel.

‘Ze hebben naar jou gevraagd,’ zeg ik.
‘Ze hebben naar jou gevraagd,’ zeg ik.

Op de voorstoel draait mama zich opzij en kijkt naar hem. Papa’s blik blijft op de weg gericht. Hij houdt het stuur voorzichtig vast, met zijn polsen hoger dan zijn knokkels. Daardoor lijkt hij op een opzittende hond, en ineens denk ik aan de prent van Arthur Sarnoff die in onze woonkamer aan de wand hangt, van een beagle die met een stel gemene, op sigaren kauwende jachthonden aan het poolbiljarten is. De tekening heet Hé! Eén been op de grond! omdat de beagle op een trapje staat, wat valsspelen is. Mama heeft er een hekel aan, maar ik vind haar wel leuk. Het is de enige prent die we hebben.

‘Wat hebben ze je gevraagd?’

‘Och, je weet wel, papa, gewoon. Wat voor werk je doet, wat voor hobby’s je hebt, dat soort dingen.’ Ik besluit hun andere vragen nog niet te vertellen, en ook niet wat ik heb geantwoord. Niet voordat ik wat langer heb kunnen nadenken. Er is de afgelopen dagen veel gebeurd, en ik moet eerst alles op een rijtje zetten. Soms kan het leven behoorlijk verwarrend zijn, zelfs voor een kind met een hoog IQ.

‘Wat heb je hun verteld?’

‘Ik heb gezegd dat je een tuinier bent. En dat je dingen repareert.’ Ik druk een kuiltje in de roze pleister op mijn knie en huiver. ‘Ik heb hun verteld over de kraai die je hebt gered.’

Op een ochtend vonden we bij de achterdeur een kraai, die met een gebroken vleugel klapperde. Papa heeft hem drie dagen achtereen verzorgd en hem in melk gedoopt brood gevoerd. Op de vierde dag kwamen we beneden en zagen we dat hij weg was. Kraaienbotten, zei papa, genezen veel sneller dan mensenbotten.

 

III

We komen aan de rand van de stad. Minder gebouwen, minder mensen. Op de stoep zie ik twee jongens met een uniform aan: een grijze broek, bordeauxrode blazer en versleten zwarte schoenen. Zo te zien zijn ze ongeveer even oud als ik. Ik vraag me af hoe het zal zijn om op school les te krijgen in plaats van thuis. Er is geen boek in mijn huis dat ik niet tienmaal heb gelezen, zodat ik er vrij zeker van ben dat ik het goed zal doen. Volgens Magische Annie heb ik de woordenschat van iemand met veel grotere schoenen. Ooit was er een toneelschrijver die zestigduizend woorden kende. Als het kan, zou ik hem graag verslaan.

Terwijl we voorbijsnellen, druk ik mijn handpalm tegen het raam. Ik stel me voor dat de jongens zich omdraaien en zwaaien. Maar dat doen ze niet en dan zijn ze verdwenen.

Ik sta er versteld van hoe knap ze er vandaag uitziet.
‘Heb je het over mij gehad?’ vraagt mama.

Haar hoofd is nog altijd opzijgedraaid. Ik sta er versteld van hoe knap ze er vandaag uitziet. Als de laagstaande zon tussen de wolken door schijnt, licht haar kapsel op als piratengoud. Ze ziet eruit als een engel, of zo’n krijgshaftige koningin over wie ik heb gelezen: Boudicca misschien, of Artemisia. Ik wil op de voorstoel klimmen en bij haar op schoot kruipen. In plaats daarvan draai ik mijn ogen omhoog en doe alsof ik me erger. ‘Ik ben niet helemáál achterlijk. Alleen maar omdat ik deze ene keer verdwaald ben.’

‘Achterlijk’ is mijn nieuwe lievelingswoord. Vorige week was het ‘flapuit’, een achttiende-eeuws woord voor iemand die als een kip zonder kop praat. Iedereen zou een paar flapuiten moeten kennen, bij voorkeur in het gezelschap van een paar achterlijke lieden.

Ik kijk weer uit het raam. Ditmaal zie ik alleen maar weilanden. ‘Ik hoop dat het goed gaat met Grietje.’

‘Grietje?’ vraagt papa.

Meteen krijg ik een vreemd gevoel in mijn buik; een vette glibberigheid, alsof er een slang binnen in me zit, die zich oprolt en weer ontrolt. Grietje, schiet me te binnen, is een geheim. Ik kijk op en zie dat papa me via de achteruitkijkspiegel aankijkt. Hij fronst zijn wenkbrauwen. Mijn handen beginnen te trillen.

Ik werp een blik op mama. Haar hals klopt. ‘Grietje bestáát niet, Elijah,’ zegt ze. ‘Ik dacht dat je dat wel wist.’

In mijn buik ontrolt de slang zich nog verder. ‘Ik… Ik bedoel Magische Annie,’ stamel ik, en mijn woorden buitelen over elkaar heen. ‘Zo noem ik haar voor de grap weleens. Dat heb ik verzonnen. Gewoon zomaar.’

Ik beweeg mijn tong over mijn tanden en slik. ‘Ja, papa.’
Papa kijkt weer in de achteruitkijkspiegel. ‘Volgens mij past Magische Annie beter bij haar dan Grietje,’ zegt hij. ‘Denk je niet, makker?’

Mijn mond smaakt zuur, alsof ik op een kever of een pad heb gebeten. Ik beweeg mijn tong over mijn tanden en slik. ‘Ja, papa.’

 

IV

Onze buurt is anders dan die ik op de televisie van Magische Annie heb gezien. Er zijn geen flats of rijen moderne woningen, alleen maar bossen, velden, schuren, koeienstallen en het grote herenhuis dat Huize Rufus wordt genoemd. Op het terrein staan hier en daar wat stenen cottages, waaronder dat van ons. Huurcottages worden ze genoemd.

Achter het Geheugenwoud ligt het Knokkelmeer. Dat is niet de echte naam van het meer; volgens mij heeft het geen naam. Ik heb er gewoon ooit, tussen het riet langs de oever, een drietal botjes gevonden die nog aan elkaar zaten met rottende gewrichtsbanden. Ze leken van de wijsvinger van een klein kind te zijn. Ik heb ze opgenomen in mijn Verzameling Aandenkens en Vreemde Vondsten, een gewichtige naam voor wat eigenlijk een tupperwaredoos is, verstopt onder een loszittende vloerplank in mijn kamer.

Niet ver van het meer ligt een plek die ik Wielstad noem. Het is meer een kamp eigenlijk, een ongeregelde groep trucks en caravans die hier lang geleden naartoe zijn gereden en meestal te verroest zijn om ooit weer te vertrekken. Ik ben er nooit achter gekomen waarom de Meuniers het volk van Wielstad op hun land toelaten, maar dat doen ze wel.

De Meuniers wonen in Huize Rufus. Het zijn er maar twee, ronddolend in die enorme ruimte. Leon Meunier brengt het grootste deel van zijn tijd in Londen door. Op de dagen dat hij op het landgoed is, zie ik hem in zijn zwarte Land Rover Defender rondsnorren met een gezicht alsof hij bang is dat de hemel op het punt staat neer te vallen. Het huis en de tuinen zouden een geweldige plaats zijn om te onderzoeken, maar papa wil me nooit laten gaan.

Onze auto komt met een ruk tot stilstand.
Onze auto komt met een ruk tot stilstand. Het dringt tot me door dat we thuis zijn. Op de voorstoel buigt mama haar hoofd. Ik vraag me af of ze aan het bidden is. Als ik omlaagkijk, zie ik dat mijn handen niet meer trillen. Ik doe mijn gordel los en pak de deurkruk vast, maar ik kan er natuurlijk niet uit. Mijn ouders maken nog gebruik van het kinderslot, ook al ben ik twaalf.

Ik wacht tot papa de deur opendoet. Dan hijs ik me uit mijn stoel. Hij sjokt het tuinpad op, met opgetrokken schouders, alsof hij alle problemen van de wereld meetorst. Mama en ik lopen achter hem aan.

De ramen van onze cottage zijn donker, laten geen glimp zien van wat er binnen is. De voordeur bestaat uit een enkel stuk eikenhout. Er is geen brievenbus. Papa krijgt zelden post, en als dat wel gebeurt, wordt die bij Meunier bezorgd. Mama krijgt helemaal niets. Er zit geen nummer op onze deur, omdat we niet aan een straat wonen. Als iemand mij ooit zou schrijven, zou hij dit op de envelop moeten zetten: Elijah North, cottage van de jachtopziener, p/a DE EDELACHTBARE LORD MEUNIER VAN FAMERHYTHE, Huize Rufus, Meunierfields. Dat is een heel verhaal om op te schrijven, wat verklaart waarom mama niet de enige is die door de postbode wordt genegeerd.

Aan de lateibalk is een omgekeerd hoefijzer gespijkerd, daar opgehangen om ons wat geluk te brengen. Ik loop eronderdoor naar binnen.

 

V

Ik ben in mijn kamer, sta bij het raam. We zijn twintig minuten thuis. Ik zou graag willen ontsnappen, maar dat durf ik niet, nog niet.

Als ik de achterdeur rammelend open hoor gaan, ga ik nog dichter bij het raam staan. Beneden in de tuin verschijnt mijn vader. Hij haalt een pakje Mayfairs uit zijn borstzak en steekt er eentje op. Leunend tegen het kolenhok blaast hij een mistige rookwolk de lucht in. Ik ga naar de gang, sluip de trap af en door de voordeur naar buiten.

Vanuit onze cottage is het vijf minuten lopen naar het Geheugenwoud.
Vanuit onze cottage is het vijf minuten lopen naar het Geheugenwoud. Ik doe er half zo lang over, hollend over het pad langs het Braakland. Boven mijn hoofd hangt een drukkende, staalgrijze lucht. De dag doet zwaar aan, alsof hij onder zijn eigen gewicht dreigt te bezwijken.

Ik ben halverwege als ik het gekrijs hoor. Als ik me omdraai, zie ik op het Braakland een kibbelende groep kraaien. Hun aandacht is ergens door getrokken; waarschijnlijk de resten van een konijn of fazant die door een vos zijn achtergelaten. Ooit las ik dat een doodbidder ook weleens een kraai wordt genoemd.

Tamelijk grof.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief