leesfragment

‘Het hollandse huis’ van Ann Patchett

Het hollandse huis vertelt het verhaal van een band tussen broer en zus, over het huis van hun jeugd en over een verleden dat hen maar niet los kan laten. Ze kunnen enkel op elkaar rekenen. De nieuwste roman van bestsellerauteur Ann Patchett is een epische vertelling over nalatenschap, liefde en vergiffenis.

Lees hier alvast de eerste pagina’s!

DEEL EEN

Hoofdstuk 1

De eerste keer dat onze vader Andrea uitnodigde in het Hollandse Huis kwam Sandy, onze huishoudster, naar de kamer van mijn zus met de mededeling dat we beneden moesten komen. ‘Jullie vader wil jullie voorstellen aan een kennis,’ zei ze. ‘Een kennis van het werk?’ vroeg Maeve. Ze was ouder en had dus een meer ontwikkeld beeld bij het begrip ‘kennissen’. Sandy dacht na over de vraag. ‘Ik denk van niet. Waar is je broer?’

‘Erkerbank,’ zei Maeve. Sandy moest de gordijnen wegtrekken om me te vinden. ‘Waarom doe je toch altijd de gordijnen dicht?’

‘Privacy,’ zei ik, hoewel ik acht was en geen benul van privacy had.
Ik zat te lezen. ‘Privacy,’ zei ik, hoewel ik acht was en geen benul van privacy had. Ik vond het een mooi woord en hield van het besloten gevoel dat de gordijnen gaven als ze dicht waren.

Wat het bezoek betrof, dat was een mysterie. Onze vader had geen kennissen, althans niet van het soort dat op een zaterdagnamiddag bij ons aan huis kwam. Ik verliet mijn geheime plek, liep naar de trap en ging op het tapijt liggen waarmee de hal was bekleed. Uit ervaring wist ik dat ik, op de grond liggend en tussen de trapstijl en eerste spijl door kijkend, uitzicht had op de salon. Daar stonden voor de open haard onze vader en een vrouw, voor zover ik kon zien, naar de portretten van meneer en mevrouw VanHoebeek te kijken. Ik kwam overeind en ging terug naar de kamer van mijn zus om verslag uit te brengen.

‘Het is een vrouw,’ zei ik tegen Maeve. Sandy wist dat natuurlijk al. Sandy vroeg of ik mijn tanden had gepoetst, waarmee ze bedoelde of ik ze die ochtend had gepoetst. Niemand poetst zijn tanden om vier uur ’s middags.

Sandy moest alles in haar eentje doen, omdat Jocelyn op zaterdag vrij was. Sandy had het vuur in de haard al moeten aansteken en de deur moeten openen en iets te drinken moeten aanbieden en bij dat alles was ze nu ook nog verantwoordelijk voor mijn gebit. Sandy had ’s maandags vrij. Sandy en Jocelyn hadden allebei op zondag vrij, want mijn vader vond dat je mensen niet op zondag kon laten werken.

‘Ja,’ zei ik, omdat ik ze waarschijnlijk had gepoetst.

‘Poets ze nog maar eens,’ zei ze, ‘en kam je haar.’

Dat laatste was bedoeld voor mijn zus, wier haar even lang, zwart en dik was als tien bij elkaar gebonden paardenstaarten. Hoeveel ze het ook kamde, het zag er nooit gekamd uit.

Toen we eenmaal presentabel bevonden werden, gingen Maeve en ik naar beneden en bleven onder de brede boog van de vestibule staan kijken naar onze vader en Andrea die naar de VanHoebeeks keken. Ze zagen ons niet, of ze namen geen notitie van ons – dat was moeilijk te zeggen –, en dus wachtten we. Maeve en ik bewogen ons altijd stilletjes door het huis, een gewoonte die was ontstaan om onze vader niet te irriteren, hoewel het hem meer irriteerde als hij het gevoel had dat wij hem beslopen. Hij droeg zijn blauwe pak. Dat droeg hij nooit op zaterdag. Ik zag voor het eerst dat zijn haar op zijn achterhoofd grijs werd. Naast Andrea zag hij er nog langer uit dan hij al was.

‘Dat moet een troost zijn, om ze bij u te hebben,’ zei Andrea tegen hem, niet op zijn kinderen, maar op zijn schilderijen doelend.
‘Dat moet een troost zijn, om ze bij u te hebben,’ zei Andrea tegen hem, niet op zijn kinderen, maar op zijn schilderijen doelend. Op hun portretten waren meneer en mevrouw VanHoebeek, die voor zover ik wist geen voornamen hadden, oud, maar niet echt bejaard. Ze waren beiden in het zwart gekleed en stonden er vormelijk stijf bij, een getuigenis van een andere tijd. Zelfs in hun aparte omlijstingen zagen ze er zo verbonden, zo getrouwd uit, dat ik altijd had gedacht dat het één groot schilderij was geweest dat iemand doormidden had gesneden. Andrea hield haar hoofd achterover om die vier priemende ogen te bestuderen die een jongen afkeurend leken te volgen, waarbij het er niet toe deed op welke canapé hij ging zitten. Maeve prikte zwijgend met een vinger tussen mijn ribben zodat ik een gil zou slaken, maar ik hield me in. We waren nog niet voorgesteld aan Andrea, die er, op de rug gezien, klein en keurig uitzag in haar jurk met ceintuur en met boven op haar lichte opgestoken haar een donker hoedje dat niet groter dan een schoteltje was. Ik zat bij de nonnen op school en was dus wel zo verstandig om een gast niet door mijn gelach in verlegenheid te brengen. Andrea kon onmogelijk weten dat de mensen op de schilderijen bij het huis hoorden, dat alles in het huis bij het huis hoorde.

De VanHoebeeks in de salon waren de showstoppers, het levensgrote getuigschrift van door de tijd versleten mensen, wier strenge, stuurse gezichten met Hollandse nauwgezetheid en een onmiskenbaar Hollands gevoel voor licht waren weergegeven, maar op elke verdieping hingen tientallen kleinere portretten – in de gangen hun kinderen, in de slaapkamers hun voorouders, her en der de naamloze mensen die ze bewonderd hadden. En er was ook één portret van Maeve toen ze tien was; dat was lang niet zo groot als de schilderijen van de VanHoebeeks, maar minstens net zo goed. Mijn vader had per trein een beroemde kunstenaar uit Chicago laten komen.

Het verhaal is dat hij mijn moeder had moeten schilderen, maar onze moeder, aan wie niet verteld was dat de schilder twee weken in ons huis zou blijven, weigerde te poseren en dus schilderde hij Maeve in plaats van haar. Toen het schilderij af en ingelijst was, hing mijn vader het in de salon tegenover de VanHoebeeks. Maeve beweerde graag dat ze daar had geleerd mensen net zo lang aan te kijken tot ze hun ogen neersloegen.

‘Danny,’ zei mijn vader, toen hij zich eindelijk omdraaide waarbij hij keek alsof hij ons precies op de plek waar we stonden had verwacht. ‘Zeg eens gedag tegen mevrouw Smith.’

Ik ben er heilig van overtuigd dat Andrea’s gezicht even betrok toen ze naar Maeve en mij keek.
Ik ben er heilig van overtuigd dat Andrea’s gezicht even betrok toen ze naar Maeve en mij keek. Ook als mijn vader zijn kinderen niet ter sprake gebracht zou hebben, had ze van hun bestaan moeten weten. Iedereen op Elkins Park wist wat er gaande was in het Hollandse Huis. Misschien had ze gedacht dat wij boven zouden blijven. Per slot van rekening was ze gekomen om het huis te zien, niet de kinderen. Of misschien gold de blik op Andrea’s gezicht alleen Maeve, die met haar vijftien jaar en op gympen al een kop groter was dan Andrea op haar hoge hakken. Vanaf het moment dat het duidelijk werd dat Maeve langer zou worden dan alle andere meisjes en het merendeel van de jongens in haar klas, was ze geneigd krom te lopen, en onze vader liet nooit na haar houding te corrigeren. Ze had net zo goed Hoofd-op-rug-recht kunnen heten. Jarenlang gaf hij haar, elke keer dat hij langs haar liep, met zijn vlakke hand een klap tussen haar schouderbladen, met als onbedoeld gevolg dat Maeve er nu bij stond als een soldaat op wacht bij de koningin of als de koningin zelf. Zelfs ik zag dat ze intimiderend kon zijn: haar lengte, het glanzend zwarte haar als een pantser, de manier waarop ze haar ogen omlaagrichtte om naar iemand te kijken in plaats van haar hoofd te buigen. Maar met mijn acht jaar was ik nog steeds geruststellend kleiner dan de vrouw met wie onze vader later zou trouwen. Ik stak mijn hand uit om haar kleine hand te schudden en noemde mijn naam; daarna deed Maeve hetzelfde. Het verhaal gaat weliswaar dat Maeve en Andrea elkaar van meet af aan niet mochten, maar dat is niet waar. Maeve was bij de kennismaking heel keurig en beleefd en ze bleef keurig en beleefd totdat dat niet langer mogelijk was.

‘Hoe maakt u het?’ zei Maeve, en Andrea antwoordde dat ze het heel goed maakte.

Andrea maakte het goed. Ja, natuurlijk. Andrea had al jarenlang de bedoeling gehad om het huis binnen te komen, haar arm door die van onze vader te steken terwijl ze de brede stenen treden beklom en over het rood betegelde bordes liep. Ze was de eerste vrouw die onze vader thuis uitnodigde na het vertrek van onze moeder, hoewel Maeve me had verteld dat hij een tijdje iets met ons Ierse kindermeisje, Fiona, had gehad.

‘Denk je dat hij met Vos naar bed ging?’ vroeg ik haar. Als kind noemden we Fiona Vos, deels omdat ik moeite had met de naam Fiona en deels vanwege haar enorme, betoverend rode haardos die in soepele golven over haar rug viel. Het bericht van deze affaire kwam mij ter ore zoals de meeste informatie: vele jaren na dato, toen ik samen met mijn zus in een voor het Hollandse Huis geparkeerde auto zat.

‘Ja, of anders maakte ze midden in de nacht zijn kamer schoon,’ zei Maeve.

Mijn vader en Vos op heterdaad. Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik kan me het niet voorstellen.’

‘Je moet het je ook niet willen vóórstellen. Jezus, Danny, het is walgelijk. Trouwens, je was nog maar een baby toen Vos hier de scepter zwaaide. Het verbaast me dat je nog weet wie ze is.’

Maar Vos had me met een houten lepel geslagen toen ik vier jaar was.
Maar Vos had me met een houten lepel geslagen toen ik vier jaar was. Naast mijn linkeroog heb ik nog steeds een klein litteken in de vorm van een golfclub – het merkteken van Vos, noemde Maeve het. Vos beweerde dat ze appelmoes stond te koken toen ik haar liet schrikken door haar rok vast te pakken. Ze zei dat ze probeerde me uit de buurt van het fornuis te krijgen en dat het nooit haar bedoeling was geweest om me te slaan, hoewel het volgens mij moeilijk moet zijn om toevallig een kind met een lepel in zijn gezicht te raken. Het verhaal was slechts belangrijk voor zover het mijn eerste duidelijke herinnering was – aan iemand of aan het Hollandse Huis of aan mijn eigen leven. Ik herinnerde me niets van onze moeder, maar ik wist nog heel goed hoe Vos’ lepel tegen de zijkant van mijn hoofd knalde. Ik herinnerde me nog hoe Maeve, die beneden in de vestibule stond toen ik het uitgilde, de keuken binnenstormde zoals een hert over de heg aan de achterkant van onze tuin zou springen. Ze stortte zich op Vos, waarbij ze haar tegen het fornuis drukte en de blauwe vlammen omhoogschoten terwijl de pan met appelmoes op de grond viel en wij allemaal door de spetters brandwondjes ter grootte van een speldenprik opliepen. Ik werd naar de dokter gestuurd voor zes hechtingen, Maeves hand werd verbonden en Vos werd ontslagen, hoewel ze – dat kan ik me nog heel goed herinneren – huilde en zei dat het haar ontzettend speet en dat het echt een ongeluk was. Ze wilde niet vertrekken. Volgens mijn zus was dat de andere verhouding van onze vader, en zij zou het wel weten, want als ik vier was toen ik dat litteken opliep, dan was zij al elf.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief