leesfragment

‘Het huis aan de rivier’ van Daniela Raimondi

0

Het huis aan de rivier is een familiesaga en een historische roman ineen. In de loop van bijna tweehonderd jaar volgt Daniela Raimondi met veel gevoel voor drama en emotie de lotgevallen van de familie Casadio – een bonte verzameling personages waarvan generatie op generatie geraakt zal worden door ongeluk en voorspoed tijdens alle grote omwentelingen in de Italiaanse geschiedenis.

Lees hier de eerste pagina’s van Het huis aan de rivier van Daniela Raimondi.

‘Het is de schuld van een zigeunerin dat onze familie zo is ontspoord.’ Dat zei mijn grootmoeder vaak.
‘Het is de schuld van een zigeunerin dat onze familie zo is ontspoord.’ Dat zei mijn grootmoeder vaak, haar witte schort voorgebonden en haar mouwen opgestroopt tot haar ellebogen, terwijl ze voorbereidingen trof om pastadeeg te gaan maken. Vervolgens begon ze onze familiegeschiedenis te vertellen vanaf die gitaanse oermoeder, en ondertussen liet ze de eieren in de bloemvulkaan vallen. Een kleine polsbeweging en krak, daar ging een ei; nog zo’n beweging en krak, daar ging het tweede. Ze kneedde het deeg terwijl ze praatte, huilde en lachte. Ze geloofde rotsvast dat het huwelijk van een van onze voorvaderen met een zigeunerin ervoor had gezorgd dat de helft van onze familie een bleke huid en blauwe ogen had, terwijl de andere helft geboren werd met ravenzwart haar en donkere ogen.

Het waren niet zomaar kletspraatjes van een oude vrouw. De aankomst van de zigeuners in het dorpje Stellata, waar mijn familie vandaan komt, staat beschreven in een eeuwenoud document dat wordt bewaard in het historisch archief van de Biblioteca Ariostea in Ferrara.

De zigeunerkaravaan was in het dorp verschenen op een dag dat de regen met bakken uit de hemel viel. Het was november en het goot al weken aan één stuk. De velden gingen schuil onder een handbreedte water; daarna waren de paden verdwenen, de straten, de binnenplaatsen en uiteindelijk zelfs het marktplein. Om zich te verplaatsen namen de mensen hun toevlucht tot boten. Stellata was veranderd in een soort Venetië in het klein, maar dan een armoedige versie, zonder paleizen en gondels en met bouwvallige huizen, vermolmde sloepen en het brakke water van de rivier.

De huifkarren waren knarsend de schipbrug over de Po af gehobbeld en hadden daarna de dijkweg genomen. Het water gutste neer en de poten van de trekdieren zakten weg in de blubber. De wielen blokkeerden, het hout kraakte, en uiteindelijk zaten de wagens muurvast in de modder. De mannen probeerden ze tot diep in de nacht los te krijgen, maar bij vijf huifwagens lukte dat niet, zodat de zigeuners in afwachting van beter weer hun kamp moesten opslaan in het dorp.

Toen het ophield met regenen, werden de wagens losgewrikt en de wielen vervangen, maar door een reeks gebeurtenissen zagen de vreemdelingen zich genoodzaakt hun vertrek telkens uit te stellen: eerst moesten ze de afloop van een zware bevalling afwachten, daarna kreeg iemand dysenterie, vervolgens ging er een paard dood. Toen de zigeuners eindelijk klaar waren om hun weg te vervolgen, nam een van de strengste winters van de eeuw het dorp in een ijzige greep. Doorreizen leek iedereen een krankzinnig idee.

Om de verveling van de lange wintermaanden te verdrijven ging een van de zigeuners aan de slag als hoefsmid, anderen begonnen rieten manden, teugels, zeven en tamboerijnen te verkopen op de markt, weer anderen maakten muziek op doopfeesten en bruiloften. De lente kwam en ging; in de zomer brak de tyfus uit en moest het dorp in quarantaine. Naarmate de seizoenen verstreken sloop de dagelijkse sleur onvermijdelijk het leven van de zigeuners binnen.

Bijna zonder dat de dorpelingen van Stellata het doorhadden, ging hun afkeer van de nieuwkomers over in vertrouwdheid. Oude mensen stierven, kinderen werden geboren en jongelui werden verliefd zonder al te veel op de verschillen te letten. Feit is dat slechts enkele generaties later een derde van de inwoners van Stellata zigeunerbloed in zijn aderen had.

En hier verschijnt mijn betovergrootvader Giacomo Casadio ten tonele. In Stellata stond hij bekend als een eenling met een zwaarmoedig karakter. De natuur had hem echter gezegend met een levendige verbeelding, en van jongs af aan gaf hij blijk van visionaire bevlogenheid. Hij droomde ervan om schepen te bouwen, maar niet de eenvoudige schuiten die je alle dagen voorbij zag komen op de Po. Hij fantaseerde over vaartuigen met een ruim waarin niet alleen graan, hout, hennep en kleinvee konden worden verscheept, maar ook koeien en paarden. Kort samengevat: Giacomo Casadio had een schip voor ogen dat veel weg had van de Ark van Noach.

Dat idee had hij als kleine jongen gekregen, in de pastorie. Al bladerend in een bijbel was hij op een plaatje gestuit van de ark die op het punt stond uit te varen. Het was een prachtig schip, met een bolle buik, raampjes waar koppen van leeuwen en giraffen door staken, en daaronder rijen eenden, hanen en kippen, en natuurlijk koppeltjes geiten, dromedarissen, schapen en ezels. Een schip dat de zondvloed kon trotseren en alle levende wezens op aarde zou redden! Dat Bijbelse beeld had het zaadje van zijn obsessie geplant. Toen hij wat ouder was, begon Giacomo arken te bouwen op het erf achter zijn huis. Hij had er goed over nagedacht: de rivier was altijd al de snelste manier geweest om mensen, karren en dieren te vervoeren. En dan waren er nog de vissers, de kikkervangers, de zanddelvers… Stellata, waar de Po breed en diep was, kon een grote rivierhaven worden.

Het kostte hem drie jaar om zijn project te voltooien. Toen de ark klaar was, wachtte Giacomo tot 4 december – de naamdag van de heilige Barbara, de beschermvrouwe van de schippers – om hem te water te laten.

Die ochtend gonsde Stellata van de opwinding. Het hele dorp was uitgelopen om het schouwspel vanaf de dijk gade te slaan. Even later arriveerde ook de pastoor met het kruisbeeld, de mis[1]dienaars en het wijwater. Het schip werd naar de rivier gereden op een enorme kar waar twaalf ossen voor waren gespannen. Zodra ze de modderige waterkant bereikt hadden, begonnen de sterkste mannen aan de ark sleuren, waarbij ze de boomstammen waar hij op rustte een voor een verlegden, en lieten hem zo van de kar glijden, en dan verder over de oever. Er klonken verbaasde en bemoedigende kreten, er waren glijpartijen en momenten van gespannen verwachting, maar uiteindelijk dreef de ark op de Po. Uit de menigte steeg daverend gejuich en applaus op.

Met zijn kenmerkende grote, slungelige passen en een triomfantelijke blik ging Giacomo aan boord. Zijn blauwe ogen straalden toen hij de mensenmassa op de oever groette en hij stak zijn borst vooruit van trots. In zijn hele leven had hij zich nog nooit zo gelukkig gevoeld.

Helaas kwam de ark niet ver: binnen een uur zonk hij als een baksteen.

Giacomo zakte weg in een toestand van doffe verslagenheid die de hele winter aanhield. Zijn familie maakte zich zulke grote zorgen dat zijn vader uiteindelijk voorstelde om het nog een keer te proberen. ‘Je hèt ’n hiel best verstaând. Veulgende kier hoalt die boat van je grif de zeê!’ zei hij vol overtuiging.

Dankzij die aansporing overwon Giacomo zijn mismoedigheid en begon hij aan een tweede ark, maar die verging het niet beter dan de eerste. Hij zou er uiteindelijk een half dozijn bouwen, en allemaal zonken ze. Toegegeven, sommige bleven een paar dagen drijven. Met de zesde haalde Giacomo zelfs het stadje Comacchio en de Po-delta, maar net toen hij dacht dat zijn onderneming geslaagd was, begon het schip water te maken en een paar uur later lag het op de rivierbodem. Het water was ondiep op die plek, en naar verluidt konden palingvissers de grote mast nog generaties lang boven het water uit zien steken.

Tussen de mislukkingen door was Giacomo maanden achterelkaar zo volkomen uitgeput dat hij niet eens in staat was op het veld te gaan werken. Tot er opeens weer een periode van euforie aanbrak en zijn obsessie om een ark te bouwen weer de kop opstak. Op een gegeven moment werd het zelfs zijn vader te veel. ‘Nou is ’t genuug! Je hèt d’r al zes loat’n zink’n. Die lei’n als stien’n op de bojem van de Po!

Maar ondanks de zes boten die als stenen naar de bodem van de Po waren gezonken bleef Giacomo’s droom even groot, en zijn ouders wisten dat arken bouwen het enige was wat een sprankje geluk bracht in het leven van hun zoon, die al somber was geweest in de buik van zijn moeder. En zo veranderde het erf na een paar maanden opnieuw in een scheepswerf met steigers, stapels planken, emmers vol spijkers, trossen, tangen, zagen en rollen veelkleurig meertouw. Te midden van deze chaos van hout en gereedschap zat Giacomo te schaven, te timmeren en naden te dichten. Telkens als hij weer een ark af had, wachtte hij braaf tot de feestdag van de heilige Barbara om hem te water te laten, maar de beschermvrouwe van de schippers kwam hem nooit te hulp en zijn vaartuigen bleven zinken.

Als hij niet op het veld werkte of bezig was aan een nieuwe ark, bracht Giacomo zijn tijd in zijn eentje door. Hij had weinig vrienden en een panische angst voor vrouwen, zodat hij op zijn vijfenveertigste nog nooit een vriendin had gehad. Maar toen kruiste een zigeunerin zijn pad, op een dorpsfeest. Ze was hem al eerder opgevallen: ze was lang, met een lenig lichaam en een dikke bos zwart haar die tot haar middel reikte. Ze liep door Stellata alsof ze de koningin zelf was, in felgekleurde lange rokken en met een heleboel fazantenveren in haar haar, grote ringen aan haar vingers en een stel halskettingen op haar borst. Giacomo was haar altijd uit de weg gegaan, afgeschrikt door haar zelfverzekerdheid, en bovendien vertrouwde hij die vreemdelingen niet. Maar die dag kwam de zigeunerin naar hem toe en keek hem recht in zijn ogen. Toen ze hem aansprak, schrok hij zich wezenloos en probeerde ervandoor te gaan, maar de jonge vrouw greep hem bij de arm. ‘Waar ga je heen? Ik eet je niet op, hoor. Ik wil alleen je toekomst voorspellen.’

Lamoar zitt’n. Ik weet al hoe mijn toekomst eruitziet, dat hoef jij me heus niet te vertellen.’

Hij wilde weglopen, maar zij gaf zich niet gewonnen en pakte zijn handen beet. ‘Laat zien. Viollca vergist zich nooit.’

Ze voorspelde zijn toekomst niet. Ze bestudeerde zijn handpalmen, kneep daarna in zijn handen, sperde haar ogen open en deelde hem mee: ‘Eindelijk ben je er! Ik wacht al jaren op je.’

Een paar maanden later was Viollca zwanger en trouwden ze, tot groot ongenoegen van beide families.

1800

Er woonden maar een paar honderd mensen in het plaatsje, dat tussen de weg en de rivier lag ingeklemd; een armoedig dorp, maar met een naam die te mooi leek om waar te zijn. ‘Bezaaid met sterren’ betekende hij, maar verder was er weinig dichterlijks aan Stellata: een plein met arcaden, een sobere kerk uit de veertiende eeuw, twee fonteinen en de ruïnes van een oud fort bij de rivier. Weinig mensen wisten dat het dorp een roemrijke geschiedenis had. Vanaf de middeleeuwen was Stellata een strategische verdedigingspost geweest tegen de oprukkende Venetianen en Milanezen, omdat het direct aan de Po lag en op de grens tussen de tegenwoordige Veneto, Lombardije en Emilia-Romagna. Lucrezia Borgia was er op weg naar Mantua verschillende keren door gereisd, en ook had de zoon van Ariosto in Stellata gewoond. Dat laatste wist alleen don Mario, de pastoor, omdat de helft van het dorp analfabeet was en de andere helft hoe dan ook geen idee had dat de beroemde dichter hun onooglijke dorp had vermeld in zang xliii van zijn Razende Roeland:

Men passeerde ’t links gelegen
Melara, Sermide ter rechterzij,
Voorts Ficarolo en Stellata, beide
Waar zich de Po vertakt, elk aan een zijde.

Aan het begin van de negentiende eeuw was de houten brug tussen Ficarolo en Stellata er nog. Het was een pontonbrug, gemaakt van oude houten bootjes die met dikke touwen tegen elkaar waren gesjord, en hij verschilde waarschijnlijk niet veel van de brug die Ariosto al die eeuwen daarvoor had beschreven. Van het fort daarentegen bleef weinig meer over dan een paar door houtrot aangetaste balken, ingezakte daken en alom verspreide schapenkeutels.

De Casadio’s woonden net buiten het dorp, in een gehucht dat La Fossa werd genoemd, ‘De Gracht’, vanwege het kanaal dat dwars door hun land liep en dat de grens vormde tussen de provincies Ferrara en Mantua. Hun huis was een bakstenen gebouw in de kenmerkende stijl van de Povlakte, met een loggia, ruime en lichte kamers en hoge plafonds. Er was een hooischuur, een stal, een erf van aangestampte aarde, een varkenshok en een wijngaard. De muren waren onbepleisterd en voorzien van kleine raampjes met luiken die van mei tot oktober dicht bleven om de vliegen en de warmte buiten te houden.

In dit huis kwam Viollca wonen na haar huwelijk met Giacomo. Haar schoonouders hadden de grootste moeite om aan de bizarre gewoonten van hun nieuwe huisgenote te wennen. De zigeunerin van haar kant deed geen enkele toegeving: ze bleef haar veelkleurige rokken dragen en haar kapsel opsmukken met fazantenveren. Iedere ochtend verscheen ze met een oude vijzel en ging ze urenlang aftreksels van kruiden en vreemde wortels zitten brouwen.

Ze gaf zich ook over aan uitgebreide reinigingsrituelen die ieder spoor van onzuiverheid moesten uitwissen.

‘We kunnen pas gerust zijn als hier niets meer marhime is,’ zei ze vaak.

‘Mari… watte?’ vroeg haar schoonmoeder ontdaan.

Of iets marhime was, ‘bezoedeld’ in de taal van de Roma, werd bepaald door de scheidslijn tussen binnen en buiten. Viollca hield de kamers van het huis nauwgezet schoon en op orde, terwijl ze de verantwoordelijkheid voor de stallen en het erf aan de rest van het gezin overliet. In haar ogen was er namelijk geen ergere vorm van bezoedeling dan afval of dierlijke uitwerpselen aan te moeten raken. Ze werkte nooit op het veld, omdat het voor haar volk taboe was om gewassen te telen; wel bereidde ze alle maaltijden met de grootste zorg, ook al achtte ze slechts een paar dieren geschikt om op te eten of zelfs maar aan te raken. Ze had een afkeer van honden en katten omdat die zichzelf schoonlikten en zodoende onrein waren. Het liefste at ze vlees van stekelvarkens, die ze als de zuiverste dieren beschouwde omdat ze zich vanwege hun stekels niet konden likken.

Een andere vreemde gewoonte van Viollca was dat ze iedere avond een kommetje melk op het trapje voor de deur zette.

‘Wat doe je?’ vroeg Giacomo toen hij haar dat ritueel voor het eerst zag uitvoeren.

‘Het is voor de goede slang,’ antwoordde zij bedaard.

De zigeuners geloofden dat er in de funderingen van ieder huis een goede slang woonde met een witte buik en tanden zonder gif. Volgens hen kroop die slang iedere nacht over de slapende bewoners van het huis, om hen te beschermen en geluk te bren[1]gen. Maar als de slang werd gedood, zou een lid van de familie sterven en zouden de overlevenden getroffen worden door een reeks catastrofes. Daarom zette Viollca altijd wat melk voor de deur: als bedankje voor de slang, zodat hij iets te eten zou vinden op zijn nachtelijke omzwervingen.

Da’ zigeunerwief is pepelzot!’ klaagden haar schoonouders vaak. Maar tegelijkertijd verheugde het hen hoe de jonge vrouw Giacomo’s leven had veranderd. Hun altijd zo zwaarmoedige zoon stond zich nu iedere ochtend al neuriënd te scheren en ’s nachts bracht hij het gezin in verlegenheid door de niet mis te verstane geluiden die uit zijn slaapkamer kwamen. Uit liefde voor Giacomo leerden ze de merkwaardige gebruiken van hun schoondochter accepteren. En ze moesten toegeven dat Viollca’s geheimzinnige rituelen leken te werken.

‘Ik ben een drabarno en iedere drabarno weet hoe hij iemand moet genezen,’ verzekerde de zigeunerin hun. ‘Ik weet wat ik moet doen bij een paard, en voor mensen geldt precies hetzelfde. Als een paard buikpijn krijgt, moet je iemand zoeken die zulke vingers heeft, zie je? Iemand die met het topje van zijn wijsvinger zijn pink kan aanraken. Je raapt het hooi op dat onder het paard ligt en gooit het met die vingers over hem heen. Je gooit het, raapt het weer op en gooit het nog een keer op het paard. Drie keer, en dan is het beter. Maar voor mensen heb ik een vossenkop nodig, alleen de schedel, waaruit je dit brouwsel moet drinken. Hier, pak aan,’ zei ze tegen haar schoonvader. ‘Uit deze vossenschedel dronken bij ons zelfs kinderen, en we hebben nooit een dokter nodig gehad. En nu hierop kauwen.’

Wa hejje d’rin gedoan?’ vroeg hij.

‘Een mengsel van mosterdpoeder en het sap van bepaalde wortels die ik ken. Ik maak er balletjes van die u moet slikken voor en na het slapen. Ze zullen het vuur in uw longen blussen. Vooruit, zeg mij na: “Jezus werd geslagen, de joden zaten op zijn borst, God heeft hen verdreven. Op mijn borst zit een duivel. Witte wieven, verjaag hem en stop hem onder een zware steen!”’

‘God bestaat niet!’ protesteerde de oude man en hij sloeg met zijn vuist op tafel.

‘Het kan me niet schelen of u erin gelooft of niet, zolang u het maar opdrinkt,’ antwoordde zij onverstoorbaar.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief