leesfragment

‘Het huis aan het einde’ van Irwan Droog

0

Irwan Droog verliet de drukte van de Nederlandse stad om samen met zijn vriendin en hond op een minuscuul, afgelegen eilandje in Noorwegen te gaan wonen. Hij duikt in de geschiedenis van het eiland en zijn bewoners en schrijft over zijn jaloersmakende avontuur in Het huis aan de einde. Ontdek hier de eerste twee hoofstukken.

Noordwaarts

Het is begin januari 2021, de eerste Nederlanders staan op het punt gevaccineerd te worden tegen covid-19, en ik sta op het punt te emigreren.

De auto is uitgedost met dakkoffer en winterbanden – die laatste zijn absoluut noodzakelijk, schreef Bjørn, andere banden zijn zelfs verboden in het noorden van Noorwegen. Bjørn woont zelf in Oslo, maar hij heeft een huis op Selvær, een klein eilandje in de poolcirkel. Hij voorziet me al wekenlang van adviezen en schuwt daarbij de nodige doemscenario’s niet: het kan zijn dat de wegen slecht begaanbaar of afgesloten zijn, neem sneeuwkettingen mee, leer in colonne achter een sneeuwschuiver aan te rijden, neem slaapzakken mee (ook voor de hond!) voor als je langs de weg strandt en tank bij elk benzinestation, want als je eenmaal voorbij Steinkjer bent worden die steeds schaarser. En let op: als het stormt zal de boot niet gaan, en Noorwegen kan elk moment de grenzen dichtgooien om de nieuwe coronavariant buiten het land te houden. Rij sowieso zo veel mogelijk door Zweden, daar zijn de wegen beter. Bjørn deelt websites en apps waarmee ik het verkeer, het weer en de dienstregelingen van de veerponten kan bijhouden en raadt me de sms-alerts van die laatste aan. Hij drukt me meermaals op het hart de boot naar Selvær vierentwintig uur van tevoren te bellen, zodat de kapitein weet dat er iemand naar het laatste eiland op de route wil. Anders gaat hij er niet heen.

Een paar dagen voor vertrek bel ik bij mijn Amsterdamse buren aan om een stofzuiger te lenen die nog gewoon een slang heeft; onze winterkleren zijn netjes verpakt in vacuümzakken, maar die moet ik nog wel even compact zuigen, en dat gaat niet met m’n robotstofzuiger. Ik vraag me af of ik die zal gaan missen, die luxe, dat gemak. Ik vraag me sowieso af of ik mijn leven in de stad zal missen. De laatste maanden speelde dat zich vooral in mijn woonkamer af; ik werkte al vanuit huis, en de eerste lockdown hield me alleen maar meer binnen dan ik normaal gesproken al was. Toen de kans zich voordeed om me niet langer op te sluiten in mijn huurappartementje in Amsterdam-Noord maar te vertrekken naar een vrijstaand huis op het puntje van een verafgelegen eiland in de Noorse Zee, hoefde ik daar dan ook niet lang over na te denken. Ik loop al bijna twintig jaar rond met de wens langere tijd in Noorwegen door te brengen, sinds ik er op mijn achttiende voor het eerst een zomervakantie doorbracht. En sinds mijn reis naar Spitsbergen in 2018 werd die wens nog specifieker: een eiland, een Noors eiland, een mooiere plek kon ik me eigenlijk niet voorstellen.

Die droom blijk ik te delen met Kim; zij verlangt altijd al naar een leven buiten de stad, in een kleinere gemeenschap waar het contact met de mensen om je heen persoonlijker is. We ontmoetten elkaar net toen de lockdown begon, werden als vanzelf elkaars quarantainegezelschap – veel van die tijd in mijn woonkamer brachten we samen door. Zelfs zoveel, dat het idee om samen te gaan wonen op Selvær eigenlijk helemaal niet zo gek is, al zijn we op het mo[1]ment dat we vertrekken nog geen jaar samen. We gaan er allebei naartoe met onze eigen redenen; we vluchten niet voor de stad, willen ook zeker geen definitief afscheid ne[1]men van vrienden en familie, maar we weten allebei dat dit een kans is die we moeten grijpen: once in a lifetime.

Ik weet niet precies wat ik op Selvær hoop te vinden. Voor de hand liggende antwoorden zijn rust, ruimte, stilte, natuur; ik zou alleen al naar Noorwegen vertrekken om op een willekeurige plek te gaan zitten kijken naar het landschap, dat zo onvoorstelbaar anders is dan het vlakke Nederland. Elk bezoek aan Noorwegen is overweldigend: de immense bergen, diepe ravijnen, rotsen, bossen, kolkende watervallen en wild stromende, glasheldere rivieren maken elke keer opnieuw indruk. Alles in Nederland lijkt door anderen op maat gemaakt, op mijn maat, waardoor ik soms geen idee meer lijk te hebben van hoe de wereld er ook alweer eigenlijk uitziet. Zet me in Noorwegen neer en ik weet het weer: de wereld is enorm, wild, ruw en spectaculair. Daar zijn is een verademing, een bevrijding.

En toch: straks zitten we op een eiland, zo klein dat je het in een halfuurtje helemaal rond kunt lopen. Zal dat echt voelen als een bevrijding, of zitten we daar net zo op[1]gesloten als in mijn woonkamer thuis.

.

Met de stofzuiger op de grond van de hal vertel ik de buurman over onze plannen. Dat had ik al weken, maanden eerder kunnen doen, maar het voelde al die tijd nog te onzeker, te onwerkelijk – het waren plannen, soms gaan die gewoon niet door. Hoe grootser de plannen, des te groter de kans dat de twijfel, de angst, de onvoorspelbare gevolgen te zwaar gaan wegen en je alles toch maar afblaast. We – Kim, hond Zorro en ik – vertrekken naar een afgelegen, dunbevolkt eilandje in Noorwegen, zeg ik. Misschien voor een paar maanden, misschien voor een jaar, dat weten we nog niet; niet permanent, nog niet tenminste, maar we houden alle opties open. Steeds als ik iemand erover vertel, merk ik dat ik het hele project een beetje kleiner maak. ‘Het is eigenlijk meer een soort lange vakantie dan een emigratie’; ‘als het niks is zijn we binnen een week weer terug’; ‘we zien wel hoe het loopt’. Terwijl ik heel goed weet dat ik mijn leven nog nooit eerder zo ingrijpend heb omgegooid – alles achterlaten en vertrekken, dat doe je toch niet echt? Een Nederlandse omroep die een cameraploeg mee wil sturen – ‘denk aan Ik Vertrek, maar in dit geval gaat het natuurlijk niet over onrealistische dromen en verbouwingen die in de soep lopen’ – houden we op afstand. We zien de tagline al voor ons: Nederlands stel vlucht midden in de lockdown het land uit om een bestaan op te bouwen op onherbergzaam visserseiland. En dan natuurlijk hopen dat het allemaal misgaat, en lachen om die veganistische Hollander die met ingehouden walging toekijkt hoe zijn nieuwe buren de glibberige visvangst in kratten op de kade laten glijden.

Ze zullen een oogje in het zeil houden terwijl ik weg ben, mijn buren op driehoog in Amsterdam-Noord, waar sinds kort tweehonderd nieuwe woningen uit de grond worden gestampt op het veldje waarop ik vanaf mijn balkon uitkijk.

.

Nu zitten we dus in de auto. Zorro op de achterbank, zo’n twintig kilo hondenbrokken onder de stoelen gestouwd, een achterbak vol laptops, tassen, koffers, eten voor onder weg en een dakkoffer vol warme kleren. Ik heb een vijftal overnachtingen geboekt om de rit naar het noorden vooral niet te gehaast af te leggen, het dashboardkastje ligt vol met de uitslagen van recente coronatests om aan alle grenzen te tonen, en een stapel papieren die bewijzen dat we een legitiem doel hebben: we wonen op het eiland Selvær, in de gemeente Træna, in de provincie Nordland.

We rijden probleemloos door Nederland, Duitsland en Denemarken, maar stranden bij een Zweedse douanier. Hij luistert aandachtig naar ons verhaal, glimlacht en wenst ons veel succes – maar we mogen het land niet in. Precies op de dag dat we met de pont in Zweden aankomen, heeft de overheid besloten dat reizigers die via Denemarken komen teruggestuurd moeten worden; er heeft daar blijkbaar een flinke corona-uitbraak plaatsgevonden. De enige glimp van Zweden die we te zien krijgen, is het stuk asfalt dat ons in een u-bocht terug naar de pont brengt. De douanier verzoekt ons achter een politiewagen aan te rijden, die zal ons het land uit escorteren. Ik overweeg nog heel even om vol op het gaspedaal te trappen en met loeiende sirenes achter ons aan het land in te racen, want ik zie al voor me hoe we ook bij hernieuwde pogingen teruggestuurd zullen worden en dit misschien wel onze enige kans is onze plannen door te zetten – maar we keren gedwee om.

We annuleren alle pittoreske Zweedse huisjes waar we onderweg zouden overnachten, proberen het nu rechtstreeks en rijden dwars door Denemarken om de boot van Hirtshals naar het Noorse Larvik te nemen. Aan de overkant van het Skagerrak staan we samen met alle andere opvarenden te wachten op onze beurt om wederom een coronatest te ondergaan, met op de achterbank een licht zenuwachtige hond die na de urenlange bootreis toch wel erg graag even zou willen plassen – maar hij mag niet naar buiten van de politieagente die langs de rij auto’s patrouilleert en bang is dat hij de drugshonden afleidt van hun werk. Maar dan seint ze ons door: eenmaal voorbij de slagbomen vieren we de aankomst in ons nieuwe thuisland dan ook op een besneeuwde parkeerplaats met een triomfantelijk plassende hond.

Na een paar dagen rijden over de E6, die van Oslo helemaal naar het hoge noorden kronkelt, na een handvol overnachtingen in hutjes in de achtertuinen van boerderijen, en nadat we in de noordelijke stad Mo i Rana voorlopig voor het laatst genoten van supermarkt, snackbar en kabel-tv, is het nog een klein stukje naar de kust en zet de boot ons laat op de avond midden in een sneeuwstorm af op het eiland. Het welkomstcomité, dat bestaat uit Heidi en Knut, moet op gepaste afstand blijven, maar ze hebben onze reis op de voet gevolgd aan de hand van updates die we ze stuurden over onze grensovergangen en testuitslagen, en zij hebben ons al die tijd op de hoogte gehouden van de inreisbeperkingen die Noorwegen vrijwel elke dag doorvoerde of aanpaste. Nu is het voorbij: de sleutel van ons huis treffen we aan in de voordeur, we zullen nog een paar dagen in quarantaine moeten, maar we zijn er.

.

De volgende ochtend sta ik op het balkon aan de achterkant van het huis uit te kijken over het witte landschap. Op een paar houten paaltjes in het landschap na, en een oude houten kar vol kleurrijke boeien en vlotters, die de vissers daar waarschijnlijk opslaan en af en toe in de Noorse Zee laten dobberen, zie ik niets wat door mensenhanden is gebouwd. Een besneeuwde vlakte, honderd meter diep, met de rafelige rotspunten van een bescheiden heuvel aan het eind. Links de kustlijn, een paar meter gladde, steile rotsen vol zeewier en dan zee. Aan de horizon, tientallen kilometers verderop, tekent de Noorse kust zich af, berg na berg na berg. Bij zonsopkomst lijkt er op elke laag een ander licht te schijnen; de witte bergtoppen kleuren geel, feloranje en rood, de lucht erboven is een helder, wolkeloos roze, lila en blauw. Imposanter nog is de lichte bolling die als een dikke schuimkraag boven op het landschap in de verte ligt, deels verscholen achter de bergen: ik kijk uit op Svartisen, ‘zwart ijs’, de op een na grootste gletsjer van Noorwegen. De nieuwbouw in mijn Amsterdamse achtertuin lijkt even heel ver weg; ik leun op de balustrade, adem de koele Noorse zeelucht in en ontspan.

Probeer een eiland

Het leven op Selvær is, op het eerste gezicht, overzichtelijk. Waar had ik het in Amsterdam toch altijd zo druk mee? Het is alsof ik daar van de ene binnenkomende e-mail naar de volgende leefde. Ik werd wakker, ging naar buiten met Zorro, kwam thuis en begon dan achter de feiten aan te lopen: alles had haast, alles moest eigenlijk gister al af zijn. Ik zou in theorie de hele week dag en nacht kunnen doorwerken – het is een luxe om als freelance redacteur niet om werk verlegen te zitten, maar voor je het weet zit je avonden en weekenden door te werken.

Hier word ik wakker, loop ik met de hond en bepaal ik opeens zelf hoe de dag eruit zal zien. Ik werk nog steeds – een van de vele voordelen van thuiswerken is dat je het echt overal kunt doen –, maar er is iets met de tijd op dit eiland. Er lijkt simpelweg meer van te zijn. Dat kan met de rust te maken hebben, hoewel het hier niet stil is: de wind jaagt rond het huis, de meeuwen krijsen als ze de roofvogels wegjagen, de golven van de Noorse Zee slaan voor het raam van mijn werkkamer tegen de rotsen. Maar er is wel een afwezigheid van geluid: er is geen verkeer, geen constante ruis van de stad, er zijn geen buren boven, onder of naast. Er is zelfs geen deurbel – de deuren zitten hier niet op slot, als je ergens langsgaat loop je gewoon naar binnen. Mensen kijken je raar aan als je aanklopt en buiten blijft staan wachten tot er wordt opengedaan, en andersom is het verstandig altijd een pruttelende pot warme koffie paraat te hebben voor eventuele plotse binnenlopers. Alle post wordt bezorgd in postvakjes bij de winkel, die haal je op wanneer je wil. Mijn telefoon staat hier standaard op stil – elk ander geluid dan de natuur rond het huis voelt alsof het iets verstoort.

.

Als we in september 2020 drie dagen op Selvær zijn om voor het eerst rond te kijken en kennis te maken, leidt Heidi ons rond over het eiland, samen met Jim, een van de lokale vissers. We bekijken een handvol huizen vanbinnen – die staan allemaal het grootste deel van het jaar leeg. We bezoeken ook het schoolgebouw, dat sinds 2015 niet meer in gebruik is. Hoewel er al jaren geen kinderen meer op het eiland wonen, zijn de kindertekeningen en schoolfoto’s van kleine klasjes nog aan de muren geprikt, en in het enige lokaal hangen de uitrolbare landkaarten nog voor het schoolbord. Er is zelfs een zwembad naast de aula, maar dat fungeert nu voornamelijk als opslagruimte voor oude bureaustoelen.

Selvær is eigenlijk de naam van het grootste van een aantal eilanden die aan elkaar vastzitten middels aangelegde dijken. In het noorden kun je via een golfbreker naar Langskjæret, Hestøya en Nord Sommerauken lopen, niet meer dan rotsen en heuvels met een handvol huizen en op het hoogste punt een grillhytte, een ronde hut met een bankje en een vuurplaats. Vanaf daar is het nog een klein stukje te voet naar Sør Sommerauken, maar daar kun je alleen naartoe lopen als het eb is; anders moet je er met een bootje heen. De eilandjes aan deze kant van de golfbreker zijn bij elkaar opgeteld zo’n kilometer lang. Aan de zuidkant van Selvær is er een schiereiland, Olderøya; ook daar staat een aantal huizen, Jim woont hier met zijn vrouw Nina – in het weekend woont hun zestienjarige dochter er ook, maar de rest van de week zit ze op een eiland in de buurt, waar nog wel een school is. Ze wonen naast het voormalige postkantoor en een supermarkt die al sinds 2014 dicht is, maar waar je door het raam nog steeds doosjes Sunlight-zeep, bleekmiddel en een enkel pakje tandenstokers in de schappen ziet liggen. Aan het eind van de weg ligt een oude kade met een loods waar ooit een fiskebruk huisde, een visfabriek, waar de vangst gesorteerd en schoongemaakt werd. ‘In die fabriek maakten ze vroeger fish bowls,’ zei Jim. ‘Dat was een enorme industrie hier.’

Vissenkommen? Ik zag de vervallen loods al voor me in zijn gloriedagen, de golfplaten glimmend in de zon, rijen en rijen op elkaar gestapelde glazen kommen.

Fish balls,’ zei Jim lachend – fiskebøller, een Noorse lekkernij.

Voor zover je kunt spreken van een dorpskern, ligt die verspreid rond de heuvel in het midden van Selvær. Als je vanaf de haven langs die dorpskern loopt, langs de school, de winkel en het kleine kerkje, de Fiskernes-kapel, staan er linksaf nog een paar huizen richting de golfbreker. Het laatste van de rij is een statig vrijstaand pand, lichtgrijs-blauwig, met een trapje van twee treden naar de voordeur en aan de achterkant een serre, een balkon erboven. Als je binnenkomt heb je eerst een kleine ruimte waar je je natte schoenen kunt laten uitlekken, onder de kapstokken voor alle winterjassen en reflecterende wind- en water dichte pakken, de zogenaamde Selvær Suits – de standaard uitdossing van de eilandbewoners, beschikbaar in felblauw en feloranje. Dan loop je een open keuken in met links een deur naar een grote stua, een woonkamer met zithoek en een bureau, en aan de rechterkant een dubbele deur naar de eetkamer met een aangrenzende studeerkamer. Op de eerste etage twee slaapkamers met tweepersoonsbedden, en nog drie kleinere slaapkamers met stapelbedden – het huis is duidelijk ingericht om familie en vrienden te ontvangen. Op de zolder liggen yogamatten en staan roeimachines en hometrainers, in de kelder staan werkbanken en is brandhout opgeslagen.

Toen we er in september langs liepen, droomden we over leven in een huis als dit. Het deed me denken aan het huis waar Forrest Gump opgroeit, zo’n licht, groot herenhuis, met alle ruimte voor bezoekers, in een oase van rust. ‘Het is vast van de burgemeester of zo,’ zei Kim, ‘laten we dat maar uit ons hoofd zetten.’

Nu wonen we er.

De eigenaren, Tor en Ida, brengen het grootste gedeelte van het jaar door in Oslo. De rest van de tijd staat het huis leeg. Dit deel van het eiland heet Nesset, zo staat te lezen op een klein houten bordje aan een lantaarnpaal voor de deur. Het huis zelf heet Nessestua, ‘huis op Nesset’, maar wat dat precies betekent is niet helemaal zeker; Bjørn, bij wie ik altijd terechtkan voor dit soort vragen, denkt dat het iets te maken kan hebben met een nese, neus, in de betekenis ‘uitstekend, puntig deel van iets’; dit stukje grond is het verst van de haven verwijderd, het uiterste puntje van Selvær. Nessestua, huis op Nesset: het huis aan het einde. De eilandraad van Selvær, een mysterieuze club die voor zover ik heb kunnen ontdekken uit zo’n vijf mensen bestaat – onder wie Heidi, Jim en Bjørn – wilde iets ondernemen tegen de vergrijzing van de bevolking, en de leegloop: het lege schoolgebouw met het ongebruikte zwembad spreekt boekdelen. Jongeren trekken overal in Noorwegen van de dorpen en het platteland naar de steden om een opleiding te volgen, en komen daarna niet meer terug, of alleen om vakantie te vieren. En hoe minder mensen er op Selvær wonen, hoe minder belangrijk het eiland wordt voor de beleidsmakers op het vasteland, die onder andere beslissen over de dienstregeling van de veerponten, postbezorging en dergelijke voorzieningen, die toch vrij essentieel zijn voor de mensen hier. In de lente en de zomer wordt het eiland wel bezocht door toeristen, die veelal komen om te vissen of vogels te spotten, maar recentelijk besloot de raad om actief meer mensen naar het eiland te trekken. Buureiland Husøy, waar 350 mensen wonen, heeft hier een programma voor ontwikkeld, ‘Prøv en øy’: probeer een eiland. Jongeren krijgen daar tijdelijk woonruimte aangeboden, om ze te laten ervaren hoe mooi het leven er kan zijn – in de hoop dat ze zich er permanent vestigen, en anders om er tijdelijk wat nieuw leven in te blazen en het een beetje op de kaart te zetten.

Selvær besloot tot een soortgelijke actie. Bjørn herinnerde zich gelezen te hebben over projecten in het zuiden van het land, waar Nederlanders kleine gemeentes lieten opbloeien. Het is een ideale ruil: Nederland is dichtbevolkt, druk en de woningmarkt is flink overspannen, Noorwegen heeft zeeën aan ruimte, betaalbare leegstaande huizen op enorme lappen grond, en behoefte aan mensen die zich in die kleine gemeenschappen willen vestigen; de Noren zelf trekken vooral naar de steden. Dus ging Bjørn op zoek naar Nederlanders. Idealiter zouden zij, in ruil voor gratis of in elk geval betaalbare woonruimte, iets op het eiland ondernemen waar iedereen wat aan zou hebben: de bewoners, de toeristen en de nieuwkomers zelf. Die woonruimte betrof in eerste instantie Lilleborg, een kleurrijk labyrint van een huis dat eigendom is van de oude boer Trygve en dat al tijden leegstaat.

Aanvankelijk zocht het eiland één Nederlands stel en werden Kim en ik uitgenodigd om kennis te komen maken, maar toen ook de biologe Marlieke en werktuigbouwkundige Thijs zich aanmeldden, bleken zij perfect aan te sluiten op de plannen die Trygve met de boerderij had; zij zouden hun intrek nemen in Lilleborg, en wij mochten ‘proefwonen’ in Nessestua, een zeer royaal gebaar van Tor en Ida: we betalen voor de onkosten en klussen waar nodig in en rond het huis. We mogen het eiland ‘proberen’.

In de wintermaanden zit iedereen, voor zover er al mensen op het eiland zijn, tevreden thuis (of op zee), maar als het begint te dooien, de dagen langer worden en de mensen elkaar weer willen gaan opzoeken, met inachtneming van de coronaregels – ook hier is er een anderhalvemetersamenleving ontstaan –, hopen we in elk geval een bijdrage te kunnen leveren aan het sociale leven op Selvær. Alle eilandbewoners – zo hartje winter lijken het er maar tien, vijftien te zijn, maar naar het schijnt wonen er toch rond de veertig mensen – komen graag samen, maar het ontbreekt voor een groot deel aan initiatieven. Kim en ik hopen dus bijvoorbeeld het schoolgebouw te gaan benutten voor filmavonden, een leesclub, borrels, wat dan ook. Een ander pand is zelfs ooit ingericht als restaurant, inclusief keuken en bar: ook dat staat nu leeg. Tot er concrete plannen zijn leren we Noors, verkennen we het eiland, proberen we alle inwoners te ontmoeten en vergapen we ons aan het uitzicht, de roofvogels die langs onze ramen scheren en het noorderlicht, waarvan we in onze eerste weken al voorzichtige glimpen groen hebben opgevangen in de donkerblauwe avondluchten.

.

Tor vermoedt dat Nessestua zo’n tweehonderd jaar oud is. In grote lijnen is de geschiedenis ervan nog wel te achterhalen, maar er is ook veel in raadselen gehuld – iedereen die we spreken kent weer een ander stukje van de puzzel.

In elk geval heeft het huis jarenlang op het Noorse vasteland gestaan; het was gebruikelijk dat huizen op een gegeven moment aan de eilanden verkocht werden. Omstreeks 1860 werd Nessestua verscheept naar Husøy, het grootste eiland binnen de gemeente Træna. In 1925 werd het opnieuw verkocht en verplaatst, ditmaal naar Selvær; de koper was – jawel – de burgemeester, de rijkste man die hier rondliep. Hij heeft een tijdje in het Storting gezeten, het Noorse kabinet, handelde in gedroogde vis en was de eigenaar van een klein vrachtschip dat onder andere kolen naar de eilanden bracht. Hij overleed in de jaren vijftig van de vorige eeuw; daarna heeft het huis tot eind jaren zeventig leeggestaan.

Toen kreeg Nessestua een nieuwe bestemming. In die tijd werd in Noorwegen een nieuwe organisatie in het leven geroepen, of eerder een beweging: Framtiden i våre hender, ‘de toekomst in onze handen’. Het ideaal was om een andere manier van leven te verspreiden: de kloof tus sen arm en rijk te dichten, in harmonie met elkaar en de wereld te bestaan. Uit naam van die beweging ontstonden er her en der projecten die die idealen in de praktijk wilden brengen; zo ook op Selvær, waar een kleine groep mensen besloot het leegstaande huis op te knappen en te gebruiken als school voor jongvolwassenen, om hun nieuwe waarden bij te brengen en zo de wereld te verbeteren. Daarnaast dachten ze de eilandbewoners ook wel iets te kunnen leren over het in balans met de natuur leven op verafgelegen plekken – maar daar had de oudste vissersgemeenschap van Noorwegen weinig behoefte aan. De leraren waren bovendien amper ouder dan de studenten; al snel legden hun idealen het af tegen de werkelijkheid van het eilandleven. Langzaam maar zeker werden drugs, seks en slechte economische omstandigheden problematisch genoeg om het einde van het project in te luiden: de docenten moesten uiteindelijk bij de eilandbewoners om eten vragen en waren na twee jaar weer weg – althans, zo gaat het verhaal.

Wel hebben ze Nessestua waarschijnlijk van de ondergang gered. Door hun verbouwingen van de buitenpanelen en de ramen heeft het huis daarna nog dertig jaar standgehouden tegen weer en wind; toen Tor en Ida het kochten moest het volledig gerenoveerd worden, maar zonder de Fremtiders zou het al veel eerder vergaan zijn.

.

Ik zit in een leunstoel in de serre met m’n laptop op schoot, Kim is beenwarmers aan het haken en Zorro ligt in een stoel naast me. Een knusse huiselijke scène; wie nu over het veld achter het huis loopt en een blik naar binnen werpt, zou denken dat we hier al jaren wonen. Zorro – een galgo español, oftewel Spaanse windhond – heeft zich opgerold tot een zwarte donut, maar zijn lange nek steekt uit en zijn ronde oranje oogjes staren alert naar buiten, volgen de meeuwen die zich laten meevoeren door de wind die langs de kust raast. Af en toe maken de vogels een duikvlucht naar de witte golven die met veel geweld tegen de rotsen van de branding uiteenspatten en metershoog de lucht in vliegen, maar ik zie ze vooralsnog niet bovenkomen met verse vis of krabbetjes in hun snavel. Toch zullen ze er meer dan genoeg vangen; het water hier zit vol leven, en de besneeuwde grond rond Nessestua ligt vol kleine krabbenscharen en -pantsers. Ik overweeg een Selvær Suit uit de kelder op te diepen en aan te trekken, handschoenen aan te doen en mijn camera om m’n schouder te hangen, om de golfbreker op te lopen en foto’s te maken van de kolkende zee, met in de verte de puntige bergtoppen van de Noorse kust in een witte mist gehuld, langgerekte grijsblauwe wolken erboven. Maar eigenlijk heeft Zorro het goed bekeken; hij is al gewend aan zijn nieuwe omgeving, lijkt tevreden op de eerste rij te zitten bij een natuurspektakel waarvan hij zich op zijn Amsterdamse balkon geen voorstelling zou kunnen maken, laat staan tijdens zijn eerste maanden als zwerfhond in de Spaanse hitte. Er zit ergens een jachtinstinct in hem – hij zou nu ook best achter de vogels aan willen rennen –, maar zijn afkeer van harde wind is groter; ik besluit bij hem te blijven zitten en gewoon eens een tijdje naar buiten te kijken. Ik kan hier ook wel aan wennen.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief