leesfragment

‘Het kind in mij wil mindful moorden’ van Karsten Dusse

0

Nadat voormalig misdaadadvocaat Björn Diemel de principes van mindfulness leerde kennen, heeft dit zijn leven compleet veranderd. Hij is gestopt met zijn stressvolle baan en is zijn eigen bedrijf begonnen. Hij brengt nu eindelijk meer tijd door met zijn dochter en maakt liefdevoller ruzie met zijn vrouw. O ja, en hij runt ook nog – op een ontspannen manier – twee maffiaclans, want hij heeft de baas van de een vermoord en de ander opgesloten in de kelder van een kleuterschool.

Lees hier de eerste hoofdstukken van Het kind in mijn wil mindful moorden van Karsten Dusse!

Proloog

‘Het is nooit te laat voor een ongelukkige jeugd. Het is ook nooit te laat voor een gelukkige jeugd. Je jeugd is vooral: verleden tijd.
Of en hoe het verleden invloed heeft op je heden, maak je zelf uit.’

Joschka Breitner
Het innerlijke wenskind

De beer van een Rus had meer weg van een angstig kind toen hij in de kofferbak van zijn eigen auto klom.

‘En ik zie Dragan zo?’ vroeg Boris.

‘Je ziet Dragan zo,’ stelde ik hem gerust.

In harmonie met mezelf sloot ik het deksel van de kofferbak. Onbevooroordeeld en liefdevol. Kortom: mindful.

Ik ging achter het stuur van Boris’ auto zitten en startte de motor. Ik was tevreden. Ook al had ik gelogen. Boris zou Dragan nooit weerzien. In elk geval niet in dit leven. Want Dragan was al een week dood.

Boris zou echter niet sterven. Ik was het moorden meer dan zat. Het was mooi geweest. In overleg met Sascha had ik voor Boris een andere oplossing bedacht.

Met Boris in de kofferbak reed ik de parkeerplaats af. ’s Nachts om halfvier was er bijna geen verkeer op de weg. Een kwartier lang reden we door het duister dat mij comfortabel omhulde. Toen belde ik Sascha op.

‘Worden we gevolgd?’ wilde ik weten. De gespierde Bulgaar was op enige afstand achter me aan gereden om dat in de gaten te houden.

‘Nee. Ze hebben je allemaal ingehaald.’

‘Mooi zo.’ Ik haalde opgelucht adem.

‘Geen lijken meer?’ informeerde Sascha.

‘Geen lijken meer.’

Ik hoorde hem een zucht van verlichting slaken.

‘We zien elkaar bij de crèche,’ bevestigde ik ons plan.

‘De kelderdeur staat open,’ zei Sascha ten afscheid. Ik hing op.

1

Het innerlijke kind ‘Onze ziel heeft de opbouw van een Russische matroesjkapop. Als het rammelt in onze volwassen zielenpop, dan is dat in werkelijkheid het geluid van de gekwetste kinderzielenpop er binnenin.’
Joschka Breitner
Het innerlijke wenskind

Twee dingen zijn in mijn jeugd duidelijk helemaal misgegaan: mijn moeder en mijn vader. Dat kreeg ik tenminste veertig jaar nadien te horen toen ik me op aandringen van mijn vrouw voor het eerst bezighield met mijn innerlijke kind. Als ik dankzij mijn uiterst positieve ervaringen met mindfulness inmiddels niet was gesensibiliseerd voor onderwerpen op het psychologische vlak, dan had ik dat gedoe met innerlijke kinderen waarschijnlijk met een afgedaan als onzinnige prietpraat. Alles wat niet aan het licht kan komen bij een preventief onderzoek bij een proctoloog, zit er dus ook niet in. Zo dacht ik er vroeger over.

Een jaar geleden zou ik nog hebben verondersteld dat een boek over het innerlijke kind onder zwangerschapsliteratuur viel. Zo’n boek dat mannen weliswaar een heleboel informatie geeft over welke biologische processen er zich in hun partner afspelen, maar dat weinig zinvol is bij het verklaren van hun eigen zielenleven.

Inmiddels weet ik dat de psychologische benadering van het innerlijke kind helemaal niets te maken heeft met de voorbereiding op de geboorte.

Het speelt zich geheel en al af aan de andere kant van de baarmoeder. Voor beide geslachten. Volgens de leer van het innerlijke kind zitten wij emotioneel gezien net zo in elkaar als een matroesjkapop. Als het rammelt in onze volwassen zielenpop, dan is dat in werkelijkheid het geluid van de gekwetste kinderzielenpop er binnenin.

Wij staan onszelf niet in de weg, ons innerlijke kind doet dat. Omdat het met al zijn uit onze kinderjaren stammende kwetsuren een deel van ons is. Wie een einde wil maken aan het gerammel, moet het innerlijke kind helen.

De omgang met mijn innerlijke kind bleek voor mij de ideale methode om de oorzaken aan te pakken van problemen in het dagelijks leven waarvan ik de gevolgen probeerde in te dammen met behulp van mindfulness.

In mijn jeugd had je nog geen Siri en Alexa. De figuren die thuis het licht aandeden, de stereo-installatie bedienden en elke nog zo domme vraag beantwoordden, heetten mama en papa. Als er iets in mijn jeugd is verkloot, dan is het door die twee.

Dat was een geruststellende gedachte, aangezien ik met dat inzicht in mijn achterhoofd mijn ouders de schuld in de schoenen kon schuiven voor mijn huwelijksproblemen, mijn toekomstangst, mijn korte lontje en ook voor meerdere moorden.

Dat ik op mijn drieënveertigste uiteindelijk toch nog vader werd van mijn innerlijke kind, was onder meer terug te voeren op het feit dat ik zonder voorbehoedsmiddel had geruzied met mijn van mij gescheiden levende echtgenote. Katharina heeft een heel effectieve manier om problemen op te lossen. Voor het oplossen van haar problemen is altijd diegene verantwoordelijk zonder wie ze die problemen niet zou hebben. Voor het vermijden van ruzie in ons aflopende huwelijk was ík daarom verantwoordelijk.

En die taak had ik tijdens onze laatste gezamenlijke zomervakantie verknald. Omdat ik tegen haar uitdrukkelijke wens in een akkefietje had met een kelner in een berghut. Dat was voor haar de aanleiding om van mij te eisen dat ik eindelijk eens iets zou doen aan die voortdurende stemmingswisselingen van mij.

Dat ik die kelner nog een kleine trap na had gegeven, waardoor hij vervolgens op onfortuinlijke wijze om het leven was gekomen, wist ze toen nog niet eens.

Als goede echtgenoot en vader had ik nog terwijl we in de Alpen waren een afspraak gemaakt bij mijn mindfulnesscoach voor de week na mijn vakantie. Het feit dat Katharina spoorslags met onze gezamenlijke dochter Emily zou zijn vertrokken als ik dat niet had gedaan, had daar ook toe bijgedragen. Nog afgezien van de gevoeligheden van mijn vrouw was het mij ook zelf tegen die tijd wel duidelijk geworden dat ik aan mezelf moest gaan werken. Iets in mij verhinderde altijd weer dat ik gewoon van het leven kon genieten. Als zorgen een vloeistof waren, dan liep het vat van mijn ziel dankzij de mindfulness weliswaar niet over, maar het zat nog altijd boordevol. En soms, als er nog wat zorgen bij kwamen, dan klotste er toch iets over de rand. En dan kon ik helemaal flippen vanwege iets wat voor een ander een futiliteit leek.

Mijn manier van stoom afblazen was tot die tijd altijd onschuldig geweest. Ik gooide ’s nachts ijsblokjes naar aso’s in het park aan de overkant. Ik gaf cliënten die me op de zenuwen werkten opzettelijk verkeerd advies. Ik bracht het eten twee uur te laat naar de gevangene in mijn kelder. Allemaal dingen die ieder ander ook zou kunnen doen als hij zich kwaad maakt. En zolang hij niet wordt betrapt.

Dat ik een kelner van een berghut in een ravijn liet vallen, was dan toch van een heel andere orde.

Die escalatie wilde ik niet, en dus stond ik op een regenachtige avond begin september weer bij Joschka Breitner voor de deur. Een week na mijn vakantie. Krap een halfjaar na mijn laatste mindfulnesssessie.

Voordat ik op de bel drukte, ging ik even gewoon voor de deur staan en peilde mijn innerlijk. Er was veel veranderd in de afgelopen zes maanden.

Destijds was het lente geweest. De zomer stond voor de deur.

Nu was het herfst, de winter naderde.

Een halfjaar geleden had ik vol nieuwe energie de praktijk van de heer Breitner bij daglicht verlaten. Ik stroomde zogezegd een opbloeiende wereld binnen met mijn nieuw verworven inzichten over een mindfulle manier van leven.

Nu had de stroom van het leven me weer teruggespoeld. Het was al donker en onder mijn voeten ritselden de eerste vergeelde bladeren.

Eigenlijk had mijn leven inmiddels geheel en al gelukkig moeten zijn. Ik had het afgelopen halfjaar mijn beroeps- en privéleven met veel liefde en mindfulness volledig omgegooid, totdat het was zoals ik het altijd had willen hebben.

Ik had een verlammende vaste aanstelling bij een groot advocatenkantoor ingeruild voor een financieel solide onderbouwde existentie als vrijgevestigd advocaat.

Katharina en ik hadden de doodlopende straat van een gestrest huwelijk heringericht tot twee parallel verlopende levenswegen van gescheiden wonende ouders.

Onze dochter Emily genoot van haar plekje op de crèche dat door mij moeizaam in de wacht was gesleept, en was een vrolijk, levenslustig lid van de Nemo-groep.

In het prachtige oude pand waar de crèche in gevestigd was zat niet alleen mijn kantoor, maar ook mijn eigen woning.

Het hele pand werd door mij beheerd voor mijn belangrijkste cliënt: Dragan, de afwezige chef van een maffiaclan.

Al die veranderingen van de afgelopen maanden hadden veel te maken met het feit dat ik Dragan een halfjaar eerder had gedood. Het feit dat niemand dat wist, droeg in niet geringe mate bij aan mijn geluk. En om ervoor te zorgen dat ook in de toekomst niemand dat te weten zou komen, zat er voor mij niets anders op dan diens misdaadconsortium in zijn – Dragans – naam verder te laten draaien en tegenover Dragans clan net te doen alsof hun boss nog in leven was.

Als zijn advocaat viel me dat in theorie niet heel erg zwaar. Tenslotte had ik de legale dekmantel voor Dragans drugs-, prostitutie- en wapenzaakjes zelf opgezet en als adviseur de facto jarenlang geleid. Tegenover de rest hoefde ik dus alleen maar net te doen alsof ik dat nog altijd deed. Meer niet.

Maar één enkele faux pas, één onbedachtzame uitglijder, één kritische blik van buitenaf op mijn leven en het hele door mij geconstrueerde stelsel van leugens zou in elkaar donderen.

Bij alles wat ik deed moest ik ervoor zorgen dat ik onder de radar van maffia en politie bleef. De onopzettelijke dood van een kelner was daarom eerder contraproductief. Niet alleen voor mijn zielenleven, maar domweg voor mijn héle leven.

Het enige wat er mis was met mijn leven, was dat ik me geen enkele misser kon permitteren.

Mijn heden mocht dan fraaier zijn dan mijn verleden, maar ik was als de dood voor de toekomst.

Dat veroorzaakte stress, en die stress kon ik met mindfulness onder controle houden. De oorzaken ervan kon ik op die manier echter niet wegnemen.

Dankzij mindfulness draaide mijn hamsterwiel langzamer, maar ik wist er op de een of andere manier niet uit te komen. En daarom stond ik nu weer hier bij Joschka Breitner voor de deur. Door mijn gedachten te ordenen kwam er al wat helderheid in de dwarrelende deeltjes van mijn ziel. Toch aarzelde ik om aan te bellen, ook omdat ik er nog niet uit was hoeveel ik de heer Breitner eigenlijk over mijn problemen zou kunnen vertellen.

Over de bitse opmerkingen van Katharina, die me altijd weer duidelijk maakten hoe fragiel en diffuus onze relatie in feite was, zou ik hem in elk geval wel kunnen vertellen.

Over mijn schuldgevoelens tegenover Emily vanwege ons kapotte huwelijk zou ik praten.

Over mijn wens om naast gezin en cliënten gewoon ook eens tijd voor mezelf te hebben.

Over mijn kleine uitbarstingen, ook al vond ik dat pijnlijk. Dat alles zou ik ter sprake brengen, en bij al die dingen zou de heer Breitner me ongetwijfeld kunnen helpen. Maar over de dingen die mij het meest belastten zou ik niet kunnen praten.

Over de moorden die ik het afgelopen voorjaar had gepleegd, zou ik geen woord kunnen zeggen.

Over het dubbelleven dat ik sindsdien voerde zou ik zwijgen.

En in geen geval zou ik het hebben over Boris.

Boris, de Russische maffioso die ik gevangenhield in de kelder van de crèche. Boris, de enige die over voldoende kennis beschikte om mijn perfectewereldbubbel uiteen te laten spatten en die daar zelf ook belang bij had.

Boris, die ik een halfjaar eerder had ontvoerd om mijn eigen leven en dat van mijn dochter te redden. Boris, die ik niet wilde vermoorden omdat ik het moorden zat was. Die voor mij het levende bewijs was dat ik ook nee kon zeggen tegen het moorden. Maar die ik natuurlijk niet levenslang gevangen zou kunnen houden, terwijl ik hem evenmin ooit weer vrij zou kunnen laten. Voor wiens toekomst ik gewoon nog altijd geen oplossing had gevonden.

Boris, wiens dood voor mij al net zo’n belasting zou vormen als zijn leven dat nu al deed.

Over Boris zou ik niet kunnen spreken.

Ik zou Breitner dus niet alles vertellen. Ik zou doen alsof het om een vervolgafspraak ging. Alsof ik na een halfjaar gewoon weer eens met hem samen wilde evalueren wat er in mijn leven was gebeurd. Een paar schroefjes aandraaien. We hadden ook zo wel genoeg te bespreken als ik hem eerlijk zou vertellen hoe ik van kleine alledaagse muggen in gedachten reusachtige emotionele olifanten maakte die door de porseleinkast van mijn verder zo goedgehumeurde ziel marcheerden. Ik zou zeggen dat ik al die problemen met een mindfulnessoefening weer vrij snel kon laten samensmelten tot hun werkelijke kern, maar dat na een kort moment van rust en tevredenheid er altijd weer een basisonrust, een onzekerheid en kilte in mij terugkeerden.

Ik zou zeggen dat ik weliswaar had begrepen hoe ik met mindfulness grip op vrijwel elk probleem kon krijgen, maar dat ik niet begreep waarom dezelfde problemen altijd weer opnieuw opdoken.

Dat was het deel van de waarheid dat besproken diende te worden. Daarom stond ik nu weer bij Joschka Breitner voor de deur. Ik belde aan.

Ergens in het huis hoorde ik scharnieren piepen en hout over tegels glijden. Het licht in de hal ging aan en liet het gekleurde melkglas in de massieve houten deur warm oplichten. Kalme, gelaten voetstappen naderden. Even later ging de deur open. Joschka Breitner stond voor me. Hij begroette me met een vertrouwdheid alsof ik niet een halfjaar geleden de deur uit was gegaan, maar twee minuten geleden.

‘Meneer Diemel! Fijn dat u er weer bent. Kom binnen.’

‘Fijn dat u tijd voor me hebt.’

We gaven elkaar een hand. Hij deed een stap opzij en liet mij voorgaan. Ik liep de lange gang door naar zijn spreekkamer. Aan het einde van deze weg was er niets veranderd. Twee stoelen, een tafel, een boekenplank, een bijzettafeltje met een glazen theepot. De heer Breitner droeg dezelfde lichte kleding als altijd. Verbleekte spijkerbroek, katoenen overhemd, grofgebreid vest. Zijn blote voeten in vilten pantoffels.

Hij wekte niet de indruk alsof de tijd spoorloos aan hem voorbij was gegaan, maar eerder alsof hijzelf de tijd was en de wereld spoorloos aan hem voorbij was getrokken.

Terwijl ik mijn jas uittrok nam de heer Breitner mij belangstellend op.

‘U ziet er anders uit,’ merkte hij onbevooroordeeld op.

Ik keek langs mijn lichaam naar beneden. Een halfjaar geleden had ik nog maatpakken en designerkleding gedragen. Vandaag droeg ik jeans, een T-shirt, een trui en sneakers.

‘Tja…’ zei ik met een lachje en ik haalde mijn schouders op. Het was geruststellend om met de positieve veranderingen te kunnen beginnen. ‘Ik heb nu minder last van kledingdwang.’

Maar dat was niet de verandering die Joschka Breitner was opgevallen.

‘Ik bedoel uw ogen. Toen we elkaar voor het eerst zagen straalde daar iets in. Nu hebt u kringen onder uw ogen,’ stelde Breitner liefdevol eerlijk vast.

Liefdevolle eerlijkheid kan meedogenloos zijn. Ik was nog geen twintig seconden binnen en besefte nu al dat dit dus geen voortkabbelende vervolgafspraak zou worden, maar een inspannende confrontatie met mezelf. Het was duidelijk dat Breitner dit al had begrepen toen ik hem om de afspraak had gevraagd. Dat was tenslotte zijn werk. Hij wees naar de comfortabele, met ribfluweel beklede chromen stoelen. Ik hing mijn jas over de leuning en nam plaats, terwijl Breitner groene thee inschonk uit de glazen kan. Mijn zwijgen op zijn constatering was bevestiging genoeg.

‘We hebben elkaar lang niet gezien. Wat hebt u in de tussentijd meegemaakt?’ vroeg hij.

Ik nam een slok lauwe thee en dacht even na. Ik had vier mensen vermoord, mijn voormalige werkgevers afgeperst, de vroegere directeuren van de crèche gedwongen hun aandelen te verkopen zodat mijn dochter er een plek zou krijgen en een Russische maffioso ontvoerd. Niets van dat alles zou onderwerp van dit gesprek kunnen worden. En ook dat er in de vakantie een kelner dankzij mij zijn nek had gebroken, zou ik niet expliciet vermelden.

‘Ik heb een carrièreswitch gemaakt. Ik heb mijn baan opgezegd en ben nu zelfstandig. Mijn dochter zit inmiddels op de crèche. En we zijn op vakantie geweest,’ draaide ik om de hete brij heen.

‘Allereerst mijn hartelijke gelukwens met het professionele besluit.’ Breitner wist hoezeer ik geleden had op het grote kantoor. ‘Dat verklaart uw kledingstijl. Wat is de reden van het verdriet rond uw ogen?’

Ik zei niks. Ik wilde wel wat zeggen, maar ik kon het niet. Ik voelde dat het verdriet rond mijn ogen vloeibare vormen begon aan te nemen ín mijn ogen. Alleen al de vraag overweldigde me. Wanneer had iemand voor het laatst vastgesteld dat ik verdrietig was? Zonder daar zelf de reden voor te zijn? Ik moest twee keer diep ademen voordat ik mezelf weer in de hand had.

‘Ik… Het is…’ Ik zocht naar woorden die, zo ze al niet overeenkwamen met de waarheid, daar in elk geval ook niet mee in tegenspraak waren.

Breitner schoot me te hulp. ‘Het is allemaal goed. U bent hier. Vertel me gewoon waarom.’

‘Nou ja, mijn vrouw vindt dat…’

‘Dat was niet mijn vraag,’ zei hij mild.

‘Pardon?’ vroeg ik geïrriteerd.

‘Ik vroeg niet wat uw vrouw vindt,’ verduidelijkte Joschka Breitner mild glimlachend. ‘Als ik dat zou willen weten, zou ik het aan uw vrouw vragen, niet aan u. Ik wilde weten waarom ú hier bent.’

‘Omdat… Nou ja… Omdat…’ Ik capituleerde. Niet voor de heer Breitner, maar voor mezelf. Ik was niet de succesvolle, zelfstandige advocaat die al zijn problemen onder controle had en alleen een kleine mindfulnessupdate wilde. Dat kon ik Breitner noch mezelf wijsmaken. Ik was hier omdat ik bang was dat ergens in de nabije toekomst mijn hele leven me om de oren zou vliegen. Ik stortte zo eerlijk mogelijk in.

‘Omdat ik geen idee heb hoe het met mijn leven verder moet… met mijn huwelijk, met mijn… beroepsomgeving… met alles wat nog komt. Ik heb in het heden geen tijd voor mezelf en ik ben bang voor de toekomst. En ik heb geen idee waar ik moet beginnen.’

Breitner keek me geruststellend aan. Niet medelijdend.

‘Weet u wat? Er is vast een aanleiding geweest die u ertoe heeft gebracht mij te bellen en om deze afspraak te vragen, nietwaar?’

‘Klopt.’ Het voorval met de kelner van de berghut.

En dus begon ik te vertellen over de onopzettelijke aanleiding tot deze afspraak. Niet vermoedend dat dit ertoe zou leiden dat ik me intensief zou gaan bezighouden met mijn innerlijke kind, een wezen dat binnen de kortste keren met een onbevangen gemak datgene zou voortzetten waar ik nog geen zes maanden eerder opgelucht mee was gestopt: het mindfulle moorden.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief