nieuws

‘Het laatste deel’ van Robert Seethaler

In het wonderschone Het laatste deel stelt Robert Seethaler, auteur van de geliefde roman Een heel leven, zich de tocht voor die de Oostenrijkse componist Gustav Mahler in 1908 maakte van New York naar Europa. Aan dek van het schip Amerika denkt de stervende man na over zijn leven, de liefde, de muziek en de dood.

Een leesfragment

Met gebogen hoofd zat Gustav Mahler, zijn lichaam in een warme wollen deken gewikkeld, op het speciaal voor hem afgescheiden deel van het zonnedek van de Amerika te wachten op de scheepsjongen. De zee lag grijs en lui in het ochtendlicht. Er was niets te zien behalve wat zeewier, dat in sliertige eilanden op het wateroppervlak dreef, en een bijzonder merkwaardig schijnsel aan de horizon, dat echter absoluut niets te betekenen had, zo had de kapitein hem verzekerd. Mahler zat op een stalen kist, met zijn rug tegen de wand van een dekcontainer, en voelde het doffe gelijkmatige stampen van de scheepsmotoren onder zich. Op de kist lag een rol touw waaruit een ijzeren haak omhoogstak. De haak was bij de punt gaan roesten, het touw was gerafeld en zwart van de olie. Iemand had hem over de geur van de zee verteld, maar ze rook naar niets. Hierboven had je alleen de stank van staal en machineolie, en de wind die uit het noorden kwam en nooit leek te draaien. Mahler hield van de wind. Hij had het idee dat die domme gedachten uit zijn hoofd blies.

Vanaf het achterdek kwam de jongen met de thee. Hij balanceerde het dienblad op zijn ene hand en liet de andere over de reling glijden. Mahler keek toe hoe hij de pot en het kopje, beide van dun, blauwwit porselein, en ook nog een suikerstrooier en een zilveren schaaltje met koekjes op de kist uitstalde. De bewegingen van de jongen waren houterig en voorzichtig als die van een oude man, maar zijn gezicht was kinderlijk en glad.

‘Hoelang zit je al op zee?’ vroeg Mahler.

‘Het is mijn eerste jaar, meneer de directeur,’ antwoordde de jongen.

‘Ik ben geen directeur, dus laat dat,’ zei Mahler. ‘En neem die koekjes weer mee!’

De jongen knikte. ‘Als u me verder niet nodig hebt.’

Mahler schudde zijn hoofd en de jongen vertrok. In de theepot dreven minuscule donkere blaadjes, en dat terwijl hij Russische witte thee had besteld. Iemand had hem verteld dat witte thee de ziel kalmeert. Dat was natuurlijk onzin, maar soms was het nuttig om in zulke dingen te geloven.

De thee was heet en hij dronk langzaam. Dit was het enige dat hij vandaag zou gebruiken. Hij voelde al lang geen honger meer, misschien zou hij morgen wel weer eten.

De stalen romp onder hem knarste en de stroeve lijsten op de reling vibreerden.
De stalen romp onder hem knarste en de stroeve lijsten op de reling vibreerden. Hij dacht de schreeuw van een meeuw te horen. Maar dat kan niet, dacht hij. Zes dagen op volle zee en nergens land te bekennen. Of wel? Hij zou het eens aan de kapitein vragen of aan de jongen.

Eens had hij één enkele meeuw klein en wit op de golven zien dobberen. Dat was in de haven van New York geweest, toen hij in een felverlichte barak van de douane zat en steeds weer door het stoffige raam over de haven had uitgekeken, terwijl de ambtenaren hem ondervroegen over doel en duur van zijn verblijf. Ten slotte was hij gedwongen een hele stapel papieren te ondertekenen, en toen hij daarna weer naar buiten keek, was de meeuw verdwenen.

Het deed hem denken aan de zomer van drie jaar geleden. Op een middag was hij opgesprongen van de vloerplanken waarop hij twee uur doodstil had gelegen met alle aandacht geconcentreerd op zijn bonzende, in alle kleuren gloeiende hoofdpijn. Hij stond een paar seconden in de kamer te zwaaien voor hij naar zijn bureau wankelde, een vel van door hem persoonlijk van lijnen voorzien muziekpapier uit een la trok en haastig begon te krabbelen. Er had een vogel geroepen in de spar achter het componeerhuisje. Waarschijnlijk een van die roodbruine die zich nauwelijks lieten zien en die door de plaatselijke bevolking ophalers werden genoemd omdat ze naar men zei de zielen van de gestorvenen naar hun bestemming brachten. De roep bestond uit drie losse tonen, die in tegenstelling tot het uiterlijk van de vogel niets vrolijks of lieflijks hadden, maar simpelweg alleen maar gemeen klonken. Spottend, hees en haperend – maar precies goed. Het waren de tonen die hij zo lang had gemist, zonder er eigenlijk ooit naar op zoek te zijn geweest. Nu waren ze er. Hij hoefde ze alleen maar vast te houden. Een kwart en een kleine terts stijgend. Spottend en gemeen. Dan afbreken. En nog eens. En nog eens. Wat er daarna kwam was duidelijk: dalend en weer stijgend en nog eens en nog eens. Hij had meer van die Amerikaanse inkt mee moeten nemen, bedacht hij. De inkt hier was totaal ongeschikt. Hij was te dun en drupte van de punt nog voor de pen het papier raakte. Maar hop, druppels, vlekken, al dat geklieder, het maakte niet uit, hij zou het toch over moeten schrijven, later, vanavond, vannacht, nu was het zaak dit vast te houden. Wat telde was de roep van de vogel, verder niets.

Hij schreef snel en het voelde goed en gemakkelijk aan. In ’s hemelsnaam, dacht hij, laat het niet ophouden. Niet voordat het af is.

Drie uur later viel de pen uit zijn hand, zijn nek was stijf en in zijn schouder zat een stekende pijn die als een strakgespannen vioolsnaar tot in zijn vingers schoot. Ik wou dat ik nog even door kon, dacht hij. Wie weet wanneer het terugkomt, je kunt het nooit weten. Maar voor deze keer was het voorbij.

Hij keek op en verbaasde zich over hoe licht het was. De zon scheen door het raam en legde lichtbalken vol zwevende stofdeeltjes in de kamer. Hij knipperde met zijn ogen, ze brandden. Voor hem lag een stapel beschreven muziekbladen. Die zou hij vanavond aan de piano eens nader bekijken of morgen, er zat misschien iets bruikbaars tussen. Maar ook dat stond niet vast.

Met beide handen duwde hij zich van de rugleuning af en liep naar de tafel waar een karaf water zou moeten staan, maar dat was niet het geval. Altijd hetzelfde, dacht hij. Achteloos, vergeetachtig, knullig, die boeren, Alma, het dienstmeisje, hijzelf. Ik had die karaf vanochtend al moeten vullen, dacht hij. Of gisteravond. Het water was nu dan wel warm en laf geweest, maar ik zou tenminste wat hebben.

Hij wierp nog een laatste blik op de chaos op zijn bureaublad.
Hij wierp nog een laatste blik op de chaos op zijn bureaublad, aarzelde even en liep toen de deur uit.

Buiten was het warm, de hemel straalde in een wolkeloos blauw, maar het had net de afgelopen nacht geregend en de weiden en de bossen lagen er sappig groen bij. De lucht was vol gonzende insecten. Een koe loeide. Vast die zwangere, die met een zwarte ster op haar voorhoofd, dacht hij. Misschien was het vandaag zover. Over de weg naar Toblach renden kinderen. Onder hun voeten wervelde het stof op en hun gelach en gegil was tot hier te horen. Op het sleutelrekje dat een man uit het dorp aan het deurkozijn had gespijkerd en waarop gewoonlijk de sleutel en soms een telegram of een briefje uit het huis lagen, zat een sprinkhaan met bevende vleugels.

Nu nog, bijna drie jaar later, zag hij het beest voor zich: de knobbels en de haren op zijn poten, het nekpantser en de kop met de starre, glanzende ogen.

De stem van de bootsman rukte hem uit zijn gepeins. Iedere ochtend hield die op het achterdek appel onder de matrozen en deelde bevelen uit. Zijn hortende geschreeuw hield een tijdje aan, vervolgens waren alleen nog maar het gelijkmatige pulseren van de motoren en het gebruis van de boeggolven te horen.

Mahler leunde met zijn hoofd tegen de wand. Hij had dorst, zijn mond was droog en zijn tong voelde aan als een stuk hout, maar hij wist dat de thee zijn dorst niet zou lessen.

Het moet verschrikkelijk zijn om van dorst te sterven, dacht hij. Maar elk sterven is verschrikkelijk. Of dacht je dat je het voor het uitzoeken had?

Hij dacht aan de boerderij die hoog op de helling onder de sparrenbossen lag, rustig en afgelegen, met een breed uitzicht over het dal. Hoewel er aan het begin van die zomer lange tijd niets van dit uitzicht te zien was geweest. De wolken hingen laag, het goot onafgebroken en hij bracht hele dagen door in bed waar hij lag te luisteren naar het water dat de dakspanen losrukte en de groente uit de bedden spoelde. Van werken kon geen sprake zijn, de weg naar het componeerhuisje was een stortbeek en hij had het gevoel dat het daarbinnen kouder was dan buiten. De spirituskachel was te klein, door de kieren in het dak drupte mosgroen water en het vocht kroop in al zijn leden en ontstemde de piano. Dus bleef hij in bed. Hij vond zijn bed heerlijk. Het hout kraakte behaaglijk bij al zijn bewegingen, de donsdekens waren dikker en de matrassen zachter dan in de stad, en zo nu en dan had hij vlak voor het inslapen het gevoel dat hij zijn lichaam kwijt zou raken in de wolkenwattige diepte. Maar ook hier sliep hij niet vast of lang. Al zolang hij zich kon herinneren lag hij hele nachten te woelen. Hij droomde veel, en ook al kon hij zich de volgende ochtend die dromen nauwelijks herinneren, er bleef een eigenaardig onbehaaglijk gevoel in hem achter, dat nog een groot deel van de dag bleef hangen. Vaak lag hij wakker. Hij hoorde geluiden in de wanden, geschraap of geritsel. Dan stond hij op, liep de kamer rond en zocht naar een oorzaak. Hij piekerde en maakte zich zorgen. Hij dacht aan de muziek. In het donker voelde hij haar aanwezigheid, alsof ze een ademend levend wezen was met een gewichtloos lichaam dat steeds verder uitdijde, tot ze de hele kamer leek te vullen.

Gustav Mahler is een flakkerend vlammetje in de storm van zijn eigen vertwijfeling.
Gustav Mahler is een flakkerend vlammetje in de storm van zijn eigen vertwijfeling. Dit had een of andere Weense smeerkanis over hem geschreven, het ‘vlammetje’ sloeg natuurlijk op zijn tengere voorkomen en zijn lichaamslengte van nauwelijks een meter zestig. Hij was in luid lachen uitgebarsten en had de krant meteen daarna in stukken gescheurd. Inwendig moest hij echter toegeven dat de smeerkanis gelijk had. Hij was nog niet eens vijftig en al een legende: de grootste dirigent van zijn tijd en misschien van alle tijden die nog komen konden. Maar voor deze roem betaalde hij, met het ineenstorten van een zichzelf opbrandend lichaam.

Hij had zich nooit gezond gevoeld. Het zat in de familie: van zijn dertien broers en zussen stierven er zes in hun vroege kinderjaren, wat dat betrof kon het kind Gustav al wel als overlevende worden bestempeld. Sinds zijn schooltijd leed hij aan migraine, slapeloosheid, duizelingen, hij had ontstoken amandelen, pijnlijke aambeien, een prikkelbare maag, een onrustig hart. Hij beet voortdurend op de binnenkant van zijn wangen, tot bloedens toe, hij zwaaide met zijn handen en stampte ongecontroleerd met zijn voet op de vloer bij het dirigeren, soms ook tijdens het lopen en het staan. Soms gaven zijn overprikkelde ledematen hem niet de mogelijkheid tot rust te komen als hij met gesloten ogen in bed lag, en dan stond hij weer op en begon in het donker heen en weer te lopen.

‘U zou uit moeten rusten,’ had een bevriende arts jaren geleden tegen hem gezegd. ‘Het liefst een leven lang.’

‘Bedankt,’ had hij geantwoord, hij had het honorarium betaald en was vervolgens vertrokken. Hij maakte zichzelf wijs dat een lichaam dat zoveel soorten invaliditeit en ziekte in zich kon verdragen, wel door en door sterk moest zijn. En misschien was dat inderdaad wel zo. In ieder geval had hij deze arts niet nog eens bezocht, de vriendschap was over.

Het einde van de koude dagen was ingeluid door de föhnwind. Begin juli viel hij met licht en warmte van de toppen van de Dolomieten het dal in. Mahler zat met blote voeten in het bedauwde gras voor het huis, dronk melk en at broodkapjes met zwart verbrande korsten, zonder beleg. Hij hield niet van de boerderijboter, wantrouwde de matte, gelige glans die ze in de ochtendzon had en vond bovendien dat ze een beetje naar gier smaakte. In plaats van de boter op het brood te smeren, vette hij zijn wandelschoenen ermee in. Toen liep hij naar het dorp, liet bij de grofsmid vier vliegenhorren voor de slaapkamer maken, in dubbele lijsten, en bestelde bij de hoeve van de oude boer Karner een kleine houten kuip vol verse, gladgestreken, naar hooi en kruiden geurende roomboter.

De warmte deed zijn leden goed, het was weer een plezier om te kunnen bewegen. Hij wandelde door het dal naar Aufkirchen en Radsberg of in zuidelijke richting naar de Toblacher See, waar de regenbooglibellen boven het zwarte wateroppervlak zoemden, en verder door het dunner wordende bos omhoog naar de Lungkofel. De paardenbloemen in de berm schopte hij van hun stelen en de liedjes van de vogels in de weiden floot hij na. Hij hield van de vogels en kende de meeste namen. Als hij die niet kende, gaf hij ze een naam. Hij noemde ze oefenzanger, zwartmutsje of wilde meid.

Hij begon weer te werken. Het componeerhuisje was intussen droog en op de vloer, op zijn bureau, het voetenkrukje en de piano, overal lagen partituren voor het New York Philharmonic die gedeeltelijk af waren, genoteerd op losse bladen, en aan het eind van de zomer zou hij het Lied von der Erde hebben voltooid en van de Negende een bruikbare versie af hebben.

Het begin was er in ieder geval.
Het begin was er in ieder geval. De sprinkhaan zat er nog steeds en bewoog niet meer, Mahler liep naar beneden naar de boerderij en ging door de openstaande deur naar binnen. De muren van het oude gebouw waren dik als die van een burcht en binnen was het aangenaam koel. Hij stond in de gang en ging luisterend even op in de stenen stilte. Vervolgens trok hij zijn schoenen uit en liep op zijn sokken de krakende trap op.

Toen hij de kamer in kwam, zat Alma er al. De tafel was gedekt: soep, brood, een glas water en twee kleine rode zomerappeltjes, glanzend en zonder een plekje. Ze had de appels vast zelf uitgezocht, gewassen en opgepoetst, dacht hij. En nu zit ze daar te wachten, zoals ze sinds haar kinderjaren op iets of iemand wacht, terwijl het leven aan haar voorbijtrekt. Dat zei ze tenminste vaak, als ze het over haar ‘half geleefde leven’ had.

Hij kon zijn vrouw in dit opzicht niet serieus nemen, en in feite beschouwde hij haar als een beetje gestoord, althans wat de kwalificatie van haar eigen persoon betrof. Ze was negenentwintig, geen meisje meer, maar nog lang niet oud. Ze gold nog steeds als de mooiste vrouw van Wenen, even knap en begeerlijk als een aantal jaren terug, toen de meest uiteenlopende mannen om haar heen hadden gefladderd als sterrenhemelmotten rond een lamp op het nachtkastje.

‘Je bent laat,’ zei ze. ‘De soep is koud.’

‘Maakt niet uit,’ zei hij en hij ging zitten. ‘Ik vind het zo ook lekker.’

‘Jij hebt koude soep nog nooit lekker gevonden.’

‘De soep is niet heet en ook niet koud. Ze is precies goed.’

‘Wat is er met je?’

‘Niets.’

‘Heb je geen zin om met me te praten?’

‘Jawel.’

‘Doe het dan.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief