leesfragment

‘Het nijlpaard’ van Stephen Fry

0

Edward Wallace is een mislukte dichter en theaterrecensent, een verbitterde, met whisky doordrenkte rokkenjager… en dat zijn dan nog zijn goede kanten. Hij is net ontslagen bij de krant, loopt maanden achter met zijn alimentatie en walgt van een wereld die hem niet waardeert. Op zoek naar rust en gratis drank vertrekt hij voor een paar maanden naar het landhuis van zijn oude vriend Lord Logan. Daar gebeuren echter vreemde dingen, die het voorstellingsvermogen van iemand als Edward te boven gaan.

Lees hier de eerste pagina’s van Het nijlpaard van Stephen Fry, dat nu in een nieuw jasje verkrijgbaar is!

Het breedgeschouderde nijlpaard
Dat op zijn buik in de modder wroet;
Hoewel hij ons zo stevig lijkt
Is hij slechts vlees en bloed.

‘Het Nijlpaard’, T.S. Eliot

Voorwoord

Je kunt van zo’n klootzak als ik niet verwachten dat hij een goed verhaal kan vertellen. Het kost me goddomme al moeite genoeg om met dit kloteapparaat om te gaan. Ik heb de woorden geteld – dat doe ik elk uur – en als je de techniek moet vertrouwen, dan ziet het ernaar uit dat je er zo’n 97.776 te verstouwen krijgt. Succes. Je hebt erom gevraagd, je hebt me ervoor betaald, je houdt het maar uit. Zoals de man zei: ‘Ik heb geleden voor mijn kunst, nu is het jouw beurt.’

Niet dat dit nou zo’n beroerde ervaring is geweest. Ik drink tussen de middag geen alcohol meer bij het eten, loop niet kwijlend achter onbereikbare vrouwen aan en maak geen ruzie met die vreselijke mensen van hiernaast. En dat allemaal door Het Project, zoals jij het hardnekkig blijft noemen.

Ik heb, op jouw voorstel, de afgelopen zeven maanden een min of meer regelmatig leven geleid, en ik heb me laten ver – tellen dat de positieve uitwerkingen me duidelijk zijn aan te zien in het gelaat, aan mijn taille en aan het wit van mijn ogen.

De routine was constant en ziekelijk aangenaam. Elke morgen, op een tijdstip waarop de meeste mensen nog aan een laatste borreltje denken voordat ze naar bed gaan, stond ik op, douchte ik, liep met lichte tred naar beneden, smakte een bord Kellogg’s naar binnen en leidde mijn onwillige slippers richting studeerkamer. Ik zet de computer aan – een handeling die mijn zoon Roman ‘in de matrix pluggen’ noemt – staar met walgende ogen naar de bagger die ik de vorige avond heb opgesteld, luister nog maar weer eens naar die godvergeten interviewbandjes met Logan, steek een Rothman op, en ga goddomme gewoon aan het werk. Als het een goede dag is geweest, verdwijn ik naar boven voor een feestelijk nummertje masturberen – wat Roman ongetwijfeld ‘in de matras pluggen’ zou noemen – en tot een uur of zeven denk ik niet eens aan drank. Al met al een waardig en rein leven.

Een huis huren op het platteland creëert het probleem dat iedereen opeens je beste vriend is. Ik moet voortdurend Oliver, Patricia en Rebecca en alle anderen van me afslaan die schijnen te denken dat mijn tijd onbeperkt is en mijn kelder bodemloos. Zo nu en dan dumpt het Rotwijf hier een zoon of dochter voor een weekendje, maar die zijn allebei groot en lelijk genoeg om voor zichzelf te zorgen, en hebben van mij geen hulp nodig om hun jointje te draaien of hun spiraaltje in te brengen. Volgende week trekt Leonora in het huis dat ik haar heb gegeven en dan ben ik voorgoed van haar af. Ze is veel te oud om zo aan me te hangen.

Nee, over het geheel genomen zou ik willen zeggen dat het een groot succes is geweest. Als proces gezien, tenminste, als proces. Of het product iets is om over naar huis te schrijven is natuurlijk aan jou.

Ik begrijp heel goed dat er nog heel wat aan opgedirkt moet worden. Ik neem aan dat jij wel een beslissing zult nemen over een eventueel verenigd perspectief … een consequente verteller in de derde persoon, een alwetende verteller, een onwetend oog, of een onwetende ikpersoon, al dat soort Eng. Lit. gezwam. Aangezien de helft in briefvorm is, kun je altijd hier nog wat verfraaien, daar nog wat opsmukken en het een Briefroman noemen, nietwaar?

Mijn voorkeur voor de titel gaat uit naar Andermans poëzie, maar ik heb zo’n vermoeden dat die smerige marketingmensen van jou dat een tikkeltje te aanstellerig vinden. Mij lijkt het de beste titel, de enige titel. Dus wat voor goedkoop alternatief je ook verzint, voor mij zal het boek altijd Andermans poëzie heten en niets anders. Jouw suggestie Wat nu? of Wat nou weer? of wat het dan ook was, vind ik een beetje té Joseph Heller en een heel dreunende rechtse hoek te commercieel, dat is het woord, geloof ik. Verder vind ik De thaumaturg nog wel wat; als je dan toch per se wat anders wilt. Ongetwijfeld verzin je zelf wel weer iets rete-intelligents. Roman vindt Whisky en soda erg gaaf.

De details die volgen zijn min of meer correct. Mocht je plot seling uitgeversneigingen krijgen en erin gaan willen zitten strepen, dan kun je altijd nog de namen en data veranderen – het zal me aan mijn reet roesten. Overigens, tegen de tijd dat je dit leest, is het tijd voor de tweede helft van mijn voorschot: ik ga weer terug naar de grote stad, voor een hoer en een bar, dus gooi de cheque maar bij de Harpo neer; daar kun je ook je professionele mening achterlaten, ook al is die niet veel waard.

E.L.W.


Een Feit was dat ik net bij de krant was ontslagen: hysterisch gezeik over beledigend geschreeuw vanuit de stalles tijdens een première.

‘Toneelkritiek hoort een oordeel te zijn dat in alle rust wordt overpeinsd,’ had mijn natte drol van een redacteur gebriest, nog steeds trillend op zijn benen als gevolg van de overweldigende stroom gekrijs en geklaag, afkomstig van acteurs, regisseurs en producers en (het zou toch ook eens niet waar zijn) pompeuze, laffe, hufterige collega-recensenten, die al de hele morgen via fax en telefoon op hem was losgelaten. ‘Je weet dat ik achter mijn personeel sta, Ted. Je weet dat ik je werk aanbid.’

‘Dat weet ik goddomme helemaal niet. Ik weet dat mensen die intelligenter zijn dan jij je hebben verteld dat ik een pluim op je glibberige hoed ben.’

Ik wist ook dat hij het soort stomme hufter was dat in alle foyers en theatercafés in West End in andermans gin en tonic loopt te blaten dat hij ‘naar het theater gaat om vermaakt te worden’. Dat liet ik hem weten ook, en nog een hele smoelvol op de koop toe.

Een maandsalaris, veel spijt, het telefoonnummer van een of andere ordinaire ontwenningskliniek en mijn lance was free.

Als je ook maar een greintje fatsoen hebt, dan ben je vast wel eens ergens ontslagen … schoolbestuur, sportteam, erelidmaatschap van een commissie, club, vereniging voor satanische mishandeling, politieke partij … wat dan ook. Dan ken je dat uitgelaten gevoel dat in je opborrelt als je de kamer van de rector uitstormt, je kastje leegt, je schrijfwaren van je bureau haalt. Ontken het maar niet, we voelen ons allemaal miskend: dat ons officieel wordt verteld dat de zaak ons uit handen is genomen, bevestigt ons gevoel dat we door een hardvochtige wereld niet echt worden gewaardeerd. Op eigenaardige wijze bevordert dit onze door psychotherapeuten en soortgelijke baggerspuiters van de media genoemde eigendunk, omdat het bewijst dat we altijd al gelijk hadden. Het is in deze wereld een zeldzame ervaring om ooit in het gelijk gesteld te worden en het doet wonderen voor de amour propre, zelfs als, heel tegenstrijdig, datgene waarin we gelijkgesteld worden, onze verdenkingen zijn dat überhaupt niemand ons een knip voor de neus waard vindt.

Ik stapte aan boord van het veer dat stompzinnig heen en weer vaart tussen krantenland en het echte Londen en keek hoe het Sunday Shite-gebouw steeds kleiner werd naarmate meer en meer langzame knopen werden afgelegd tussen mezelf en het deprimerende havengebied. Ik voelde me verre van zeurderig of misbruikt; een aanzwellend gevoel van opluchting en een bonzende eind-van-het-schooljaar uitgelatenheid maakten zich juist van mij meester.

Op zo’n moment, maar dan ook alleen op zo’n moment, kan een dochter een zegen zijn. Aangezien het halfeen was, zou Leo – nora inmiddels wel op haar hoge hakjes naar de Harpo Club zijn getrippeld. Je kent het daar wel – kan de echte naam niet noemen, advocaten blijven advocaten – draaideuren, ruime bar, lekkere stoelen, min of meer acceptabele kunst aan de muur. Overdag toonaangevende uitgevers en wat vroeger de Mediahedin werd genoemd; ’s avonds en ’s nachts de laatste zieltogende Soho bohémiens en aan lagerwal geraakte dronkaards die vertroosting zoeken in het privilege gevleid te worden door de eerste lichting van de volgende ochtend.

In de brasserie achterin omhelsde, knuffelde en kraaide Leonora (niet bepaald mijn idee, een naam die meer dan genoeg zegt over de dwaze moeder van het kind).

‘Pappieee! Wat doe jij hier zo overdag?’

‘Als je die glibberige tong van je uit m’n oor haalt, dan zal ik het je vertellen.’

Ze dacht zeker dat een lichtelijk beroemde dochter en haar nog lichtelijker beroemde vader, die op die manier ongedwongen genegenheid voor elkaar tentoonspreidden, jaloezie en bewondering op zouden wekken bij die kontklemmend burgerlijke generatiegenoten van haar, die hun ouders alleen maar tijdens een kopje thee in een hotel zien en in hun bijzijn niet in het openbaar zouden durven vloeken, roken of drinken. Typisch Leonora, verdomme; in het hele land zijn cafés waar drie generaties doodnormale families elke godvergeten avond tegen elkaar op drinken, vloeken en roken, zonder ooit te bedenken dat ze zichzelf gewoon waanzinnig gelukkig mogen prijzen dat ze zo’n eenvoudigweg geniaal fantastische relatie met hun geweldige pappies hebben.

Ik liet de Rothmans en de aansteker op tafel vallen en liet het muurbankje als een Romeinse keizer onder mijn gewicht kreunen. Het altijd aanwezige uitvaagsel wendde zijn ogen af, terwijl ik de ruimte in me opnam. Stuk of wat acteurs, naamloos kluitje reclamemensen, die nicht die op Channel Four van die architectuurprogramma’s presenteert, twee verlopen, ouwe schooiers die vermoedelijk rocksterren waren en vier vrouwen aan een tafeltje, waarvan er eentje uitgever was en die ik alle vier wel mee naar boven zou willen nemen om ze eens meer of minder heftig met mijn pik te doorklieven.

Leonora, die ik nooit heb willen doorklieven, de goden zijn geprezen in deze onvergeeflijke tijd, zag er slanker en stralender uit dan ooit. Als ik niet wist dat het uit de mode was, zou ik denken dat ze aan een of andere drug was.

‘Wat is dat allemaal?’ vroeg ik, terwijl ik een draagbare cassetterecorder van de tafel voor me pakte.

‘Ik doe om één uur een portret van Michael Lake,’ zei ze. ‘Voor Town & Around.’

‘Die oplichter? Dat schijterige rioolvocht van hem wat voor een toneelstuk moet doorgaan is de reden dat ik hier zit.’

‘Wat bedoel je in vredesnaam?’

Ik legde het uit.

‘O, pappie,’ kreunde ze, ‘jij slaat ook werkelijk alles! Ik heb maandag een voorvertoning gezien. Ik vind het werkelijk een briljant stuk.’

‘Natuurlijk vind je dat. En daarom ben jij ook een waardeloze, cultuurverkrachtende roddeltante die d’r tijd vult met het uitbraken van gezever voor pretentieuze tijdschriften, in afwachting van een rijke, semi-aristocratische nicht die aanspraak maakt op je kwaliteiten als fokmerrie, terwijl ik, ondanks al mijn fouten, schrijver blijf.’

‘Nou, je bent nú anders geen schrijver, hè?’

‘Een geriemde adelaar is nog altijd een adelaar,’ verklaarde ik met ontzagwekkende waardigheid.

‘Wat ga je nu doen? Wachten op aanbiedingen?’

‘Ik weet het niet, mijn ouwe schat, maar één ding weet ik wel. Die moeder van jou kan ik nu echt niet gebruiken. Ik loop toch al twee maanden achter.’

Leonora beloofde haar best te doen en ik haastte me uit de brasserie, voor het geval die Lake-klucht vroeg was. De meeste toneelschrijvers zijn in staat om met goede wijn en foute vuisten te smijten als de waardeloze, rotte bagger die ze voor een goedgelovig publiek hebben uitgekotst wordt ontmaskerd voor wat hij werkelijk is.

Ik ging aan de bar zitten en staarde naar de spiegel voor me, die uitzicht gaf op de binnenvloeiende stroom door de deur achter me.

De lunchmassa draalde rond de bar, in afwachting van hun geldschieters of hun uitzuigers; de geur van vrouwen overdag en het zonlicht dat door het raam stroomde creëerden binnen een sfeer die zo verschilde van de donkere, nichterige glans die er ’s avonds hangt, dat het leek alsof we waren overgestapt naar een andere ruimte in een ander decennium. In Amerika, waar kroegen vaak beneden straatniveau liggen, zoals dat aanstellerige café in die afschuwelijke televisieserie die elke dag wordt herhaald op Channel Four, wordt de sfeer van overdag nadrukkelijk verbannen. De klant mag er zeker niet aan worden herinnerd dat er daarbuiten een werkende wereld is, zodat hij zich niet schuldig voelt dat hij hem wegzuipt. Net als een groeiend aantal geaffecteerde Europeanen, zien Amerikanen drinken, net als gokken en hoereren, als iets wat in het donker gedaan moet worden. Ikzelf ken geen schaamte en hoef er niet stiekem tussenuit te knijpen naar Toscane of het Caribisch gebied om zonder schuldgevoelens in de zon te kunnen drinken. Dat brandmerkt mij als een zonderling in een lunchwereld waar het vuur van alles wat met wijn te maken heeft gedoofd wordt met sproeiende stralen mineraalwater, en waar de vlammenzee van alles wat met een stevige maaltijd te maken heeft wordt gedrenkt in balsamico-azijn of wordt nageblust met allesverhullende radicchio, lollo rosso, eikenbladsla en meer van dat onkruid. Jezus, wat leven we in een kontverlammend saaie tijd.

De romanschrijver Weston Payne maakte ooit tijdens een lunch voor literaire broodschrijvers, nu we het toch over haute-couturesla hebben, een salade klaar met staartwortel, plataan en ander gemengd gebladerte uit de tuinen van de bewoners in Gordon Square. Hij besprenkelde deze bladeren met een vinaigrette en serveerde die onder universeel applaus als cimabue, putana vera en lampedusa. Een lamlendige klootzak van de Sunday Times ging zelfs zover dat hij beweerde dat putana vera in zijn plaatselijke supermarkt te verkrijgen was. Een fles Londens kraanwater, gekoeld en uit een sifon gespoten, werd met alle bewijs van genoegen onder de naam Aqua Robinetto weggeslobberd. Heel toepasselijk, eigenlijk. Tenslotte werden de romans van Weston al twintig jaar lang als zijnde literatuur gesleten aan diezelfde nietswaardige, loze figuren, zonder dat ze het zelf in de gaten hadden. Soms denk ik wel eens dat Londen de grootste catwalk voor keizers is. Misschien altijd al geweest, maar vroeger waren we niet te bang om te schreeuwen: ‘Je bent naakt, stomme idioot. Je bent hartstikke naakt.’ Je hoeft vandaag de dag maar een wind te laten in het bijzijn van een donkerharig meisje van de Sunday Times wiens vader een ontslagen politicus of een onbelangrijke dichter als ikzelf is, of je wordt al opgeblazen en geprofileerd als de nieuwe Thackeray.

Als je jonger bent dan ik, en statistisch gezien ben je dat ongetwijfeld, kun je je niet voorstellen hoe het is om tot de drank- en rookgeneratie te behoren. Dat een man, naarmate hij ouder wordt, ontdekt dat de generaties na hem vulgairder, losbandiger, minder gedisciplineerd zijn en een heel continent stommer dan het achtereind van een varken – elke generatie doet diezelfde ontdekking – is nog tot daaraan toe. Maar om overal om je heen een puriteinse houding waar te nemen, om te zien dat mensen hun neus voor je ophalen als je langs strompelt, om de meelevende walging van de helder uit hun ogen kijkende jongeren met hun roze longetjes en hun schone levertjes in je op te nemen, waardoor je het gevoel krijgt alsof je een bus hebt gemist waarover niemand je heeft verteld en die ergens naartoe rijdt waarvan je nog nooit gehoord hebt, dát kan best hard aankomen. Al die schijnheilige braveriken en pedante Malvo – lio’s die rondlopen met hun ‘kun je wel, er zijn mensen die morgen een examen hebben, hoor’-uitdrukkingen op hun bleke, belerende, kleinzielige gezichtjes. Om te kotsen.

Kennelijk was de irritatie van mijn gezicht af te lezen, want het schatje op de kruk naast me staarde me lange tijd zijdelings aan, zonder dat ze in de gaten had dat ik, via de spiegel, staarde naar haar staren. Ze gleed met haar bottige, maar niet onsmakelijke kontje van de kruk, liep naar een stoel in de hoek en liet mij als enige inzittende achter in de barweide, om in mijn eentje de augurken te grazen en de cashewnoten te oogsten. Kende haar ergens van. Mijn vijf tegen jouw twee dat ze een dagboekschrijfster van de Standard was. Leonora zou het wel weten.

De grote dramaturg was, uiteraard, tien minuten te laat en schreed, zonder me te zien, naar de eetzaal. De grijns op zijn gezicht gaf aan dat hij óf het gros van mijn voormalige collega’s voor de gek had weten te houden – geen grote prestatie – en was geprezen om zijn gruwelen, óf het verrukkelijke nieuws van mijn ontslag had gehoord. Allebei, waarschijnlijk. Hij was het natuurlijk allang vergeten, want dat doen ze altijd, maar ik was nota bene degene die de schoft ontdekt had. In de tijd dat ik nog elke nacht het alternatieve toneel afging en toneelvoorstellingen zag van gezelschappen met namen als Open Deur en Gezamenlijke Ruimte; de tijd dat één teken van mij de overstap kon garanderen van een achterafcafé in Battersea, naar een sjiek toneelbordeel in West End. Michael Lake had een toneelstuk geschreven dat in een betere wereld heel gewoontjes zou kunnen worden genoemd, maar dat de indruk gaf buitengewoon te zijn door de banaliteit, het analfabetisme en de chagrijnige ongenietbaarheid van zo’n beetje alle nieuwe werken die dat jaar en de voorafgaande vijf jaar waren geschreven. In een mesthoop kan zelfs een kraal glinsteren als een saffier. Negentiendrieënzeventig moet het zijn geweest, of anders negentienvierenzeventig. Vandaag de dag kon de man, uiteraard, nog geen briefje voor de melkboer schrijven zonder dat het overstelpt werd met universele lof door het Nationaal Toneel, het Koninklijk Nationaal Toneel neem me niet kwalijk; het is toch kontlebberend huiveringwekkend. De enkele vlammen van prijzenswaardige woede en gepaste passie die in zijn vroege werk hadden geflikkerd, waren uitgezeken door een ondraaglijke, opgeblazen, nationale serieusheid en een volledige desinteresse voor het publiek en gebrek aan respect voor het theater. Als iemand van de generatie die het lidwoord veracht, zou hij natuurlijk hebben gezegd ‘een volledige desinteresse voor publiek en gebrek aan respect voor theater’. Alsof Publiek een vormeloos begrip was, in plaats van een levende warboel kuchende, schuifelende mensheid en Theater een intellectueel concept volledig gescheiden van acteurs, decor, belichtingsinstallaties en houten planken. Dat Theater zijn uiterste best deed om zijn humorloze teksten tot draaglijke avonden te transformeren en Publiek zijn watermolen in Suffolk en zijn shockerende verzameling schilderijen van Bratby financierde, deed er niet toe … van hem hoefden ze geen dankbaarheid te verwachten. Verwaand klein kontenvegertje.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief