leesfragment

‘Het veld’ van Seethaler

In Robert Seethalers nieuwe roman gaat het over de laatste gebeurtenissen in een mensenleven, dat wat zich niet makkelijk laat vatten. Het veld  is een boek over individuen, allemaal anders, maar ook met elkaar verbonden. Deze doden en hun levensverhalen vormen samen een portret van het stadje en geven een onvergetelijk beeld van een samenleving.

Van de auteur van Een heel leven, een poëtische roman over leven en dood. Hieronder een fragmentje! 

De stemmen

De man keek over de grafstenen die als verstrooid over de weide voor hem lagen. Het gras stond hoog en insecten gonsden in de lucht. Op de afbrokkelende, door vlierstruiken overwoekerde kerkhofmuur zat een merel te zingen. Zien kon hij hem niet. Al een tijdje gingen zijn ogen achteruit en hoewel het elk jaar erger werd, weigerde hij een bril te dragen. En al waren er argumenten voor, hij wilde ze niet horen. Als iemand hem erop aansprak, zei hij dat hij zich er nu eenmaal op had ingesteld en zich in de toenemende wazigheid van zijn omgeving wel goed voelde.

Als het weer ernaar was, kwam hij elke dag. Hij slenterde een tijdje rond tussen de graven en ging ten slotte onder een kromgegroeide berk op een houten bank zitten. De bank was niet van hem, maar hij beschouwde haar als zijn bank. Ze was oud en vermolmd, niemand anders zou er zomaar op gaan zitten. Maar hij begroette haar als een mens, streelde even over het hout en zei ‘Goedemorgen’ of ‘Een koude nacht, hè?’

Het mocht dan voor het vee niet deugen, voor de doden was het nog goed genoeg.
Het was het oudste deel van het kerkhof van Paulstadt, dat door veel mensen gewoon het veld werd genoemd. Vroeger was dit het braakland van een veeboer, genaamd Ferdinand Jonas. Het was een nutteloos stuk land, bezaaid met stenen en giftige boterbloemen, en de boer was blij dat hij het bij de eerste de beste gelegenheid aan de gemeente kwijt had gekund. Het mocht dan voor het vee niet deugen, voor de doden was het nog goed genoeg.

Hier kwam nauwelijks nog iemand. De laatste begrafenis had maanden geleden plaatsgevonden, de man was vergeten van wie ook weer. Des te beter kon hij zich een begrafenis van vele jaren terug herinneren, toen op een verregende dag in de late zomer Gregorina Stavac, bloemenhandelaarster, aan de aarde was toevertrouwd. Meer dan twee weken had Gregorina door niemand opgemerkt in de voorraadkamer van haar bloemenhandel gelegen terwijl voor in de winkel het stof zich op de verwelkende snijbloemen verzamelde. Samen met een handjevol andere aanwezigen had hij aan het graf gestaan en een tijdje naar de woorden van de pastoor en toen alleen nog naar het ruisen van de regen geluisterd. Meer dan een paar woorden had hij nooit gewisseld met de bloemenhandelaarster, maar sinds bij het betalen hun handen elkaar eens hadden aangeraakt, had hij zich merkwaardig verbonden gevoeld met de onopvallende vrouw, en toen de grafdelvers begonnen te scheppen, waren de tranen hem over de wangen gelopen.

Bijna elke dag zat hij onder de berk en liet zijn gedachten de vrije loop. Hij dacht na over de doden. Velen die hier lagen, had hij persoonlijk gekend of minstens eenmaal in zijn leven ontmoet. De meesten waren gewone burgers van Paulstadt geweest: ambachtslieden, zakenmensen of bedienden in een van de winkels aan de Marktstraße of een zijstraatje ervan. Hij probeerde zich hun gezichten te binnen te brengen en vormde zijn herinneringen tot beelden. Hij wist dat deze beelden niet met de werkelijkheid overeenkwamen, dat ze waarschijnlijk totaal niet leken op de mensen zoals ze tijdens hun leven waren geweest. Maar dat was hem om het even. Het opdoemen en verglijden van de gezichten in zijn hoofd verschafte hem vreugde, en soms zat hij zachtjes in zichzelf te lachen, zijn bovenlijf wat voorovergebogen, de handen gevouwen over zijn buik, zijn kin op de borst. Als iemand, een tuinman misschien, of een verdwaalde kerkhofbezoeker, hem op zo’n moment vanuit de verte had gezien, had hij de indruk kunnen krijgen dat hij zat te bidden.

Het is namelijk zo dat hij ervan overtuigd was dat hij de doden hoorde praten.
Het is namelijk zo dat hij ervan overtuigd was dat hij de doden hoorde praten. Hij kon niet verstaan wat ze zeiden, maar hun stemmen nam hij even duidelijk waar als het vogelgekwetter en het zoemen van de insecten om hem heen. Soms beeldde hij zich zelfs in losse woorden of zinsflarden uit de zwerm stemmen op te pikken, maar hoe ingespannen hij ook luisterde, het lukte hem toch nooit iets zinsvols van de fragmenten te maken.

Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als elk van deze stemmen nog eens de gelegenheid kreeg te worden gehoord. Natuurlijk zouden ze over het leven praten. Hij dacht dat de mens misschien pas voorgoed kon oordelen over zijn leven als hij zijn sterven achter de rug had.

Maar misschien hadden de doden helemaal geen belangstelling voor de dingen die achter hen lagen. Misschien vertelden ze over daarginds. Over hoe het voelt om aan de overkant te staan. Geroepen. Heengegaan. Opgenomen. Getransfigureerd.

Dan weer verwierp hij dergelijke gedachten. Ze leken hem sentimenteel en welhaast belachelijk en hij kreeg het donkerbruine vermoeden dat de doden net als de levenden alleen maar gebeuzel, gelamenteer en grootspraak zouden laten horen. Ze zouden hun beklag doen en hun herinneringen ophemelen. Ze zouden drenzen, veteren en schimpen. En natuurlijk zouden ze over hun ziektes praten. Misschien zouden ze zelfs uitsluitend over hun ziektes praten, over hun aftakeling en hun sterven.

Op de bank onder de kromme berk bleef de man zitten tot de zon achter de kerkhofmuur onderging. Hij spreidde zijn armen uit, als wilde hij het stukje aarde voor zich opmeten, en liet ze vervolgens zakken. Nog eenmaal zoog hij de lucht naar binnen. Ze rook naar vochtige aarde en vlierbloesem. Toen stond hij op en ging.

In de Marktstraße liep het intussen tegen sluitingstijd en de winkeliers droegen kisten en rekken met ondergoed, speelgoed, zeep, boeken of goedkope rommel terug de winkels in. Overal was het geratel van rolluiken te horen en vanaf het einde van de straat schalde de roep van de groente- en fruithandelaar die op een kistje stond om de laatste meloenen onder de mensen te verdelen.

Zo nu en dan hief hij zijn hand om iemand terug te groeten die hij niet herkende.
Hij liep langzaam. Hij huiverde bij de gedachte de avond zittend aan het raam door te brengen en naar de straat beneden te kijken. Zo nu en dan hief hij zijn hand om iemand terug te groeten die hij niet herkende. De mensen dachten waarschijnlijk dat hij een tevreden man was, blij met elke voetstap op het door de zon verwarmde plaveisel, maar hij zelf voelde zich onzeker en een vreemde in zijn eigen straat.

Voor de etalageruit van Buxters voormalige paardenslagerij bleef hij staan en boog voorover naar zijn spiegelbeeld. Als jongeman had hij zichzelf graag bekeken. Maar in de ogen tegenover hem lag geen vonkje meer dat zijn verbeeldingskracht had kunnen prikkelen. Zijn gezicht was alleen maar oud en grijs en tamelijk uitgezakt. Al was er een lichtgroen blaadje in zijn haar blijven hangen. Hij knipte het weg en keek om. Aan de overkant van de straat liep de verwarde Margarete Lichtlein met haar handkar gevuld met boodschappen die ze niet had gedaan. Hij knikte naar haar en liep verder. Nu sneller dan eerst. Er was een gedachte, nee, meer een vermoeden bij hem opgekomen over de tijd in zijn leven: als jongeman wilde hij de tijd verdrijven, later wilde hij hem stilzetten, en nu hij oud was, wilde hij niets liever dan hem terugwinnen.

Het was de gedachte van een oude man. Wat die voor nut kon hebben wist hij nog niet, in ieder geval wilde hij maar eens naar huis, met zonsondergang werd het koel. Hij zou naar zijn voorraadkast gaan en zichzelf op een slokje trakteren. Dan zou hij zijn zachte bruine broek aantrekken en aan de keukentafel gaan zitten, en wel met zijn rug naar het raam. Hij was namelijk van mening dat alleen op deze manier, met de rug naar de wereld, in alle rust en zonder enige afleiding, een gedachte ten einde te denken was.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief