leesfragment

‘Het vloekhout’ van Johan de Boose

In Het vloekhout neemt Johan de Boose ons mee langs de markantste gebeurtenissen van tweeduizendjaar Europese geschiedenis. De lezer maakt deze gebeurtenissen mee met een stuk hout, het vloekhout, als ooggetuige. Dat het hout bij alles zo zijn bedenkingen heeft, zorgt voor een aangenaam ironische toets. Lees mee met de eerste pagina’s!

Het vloekhout
Een stuk hout, afkomstig van een boom in Palestina, wordt gebruikt voor de kruisiging van de profeet Jesjoea. Het hout blijkt over magische krachten te beschikken: het kan praten, en het wekt een bijzondere lust op bij wie het aanraakt. Wanneer een toneelmeester die op zoek is naar een stut voor zijn decor het hout meeneemt, is dit het begin van een spectaculaire reis. Het stuk hout komt terecht bij de Romeinse keizer, orthodoxe monniken, de Russische tsaar, mohammedaanse geleerden, uitvinders, de paus, fascisten, communisten, schilders, wetenschappers en terroristen. Het maakt onderweg kennis met beroemde teennagels, lijkwaden en voorhuiden. De reis duurt meer dan tweeduizend jaar.
Johan de Boose neemt, via het hout als ooggetuige, de lezer mee langs de markantste gebeurtenissen van de Europese geschiedenis. Dat het hout bij alles zo zijn bedenkingen heeft, zorgt voor een aangenaam ironische toets.

HOOFDSTUK EEN
over een geschonden moedertje, het Huis van het Brood, de Schedelplaats en een dikke spaander

Zolang de verkrachting duurt, kijk ik naar haar ogen. Ze hebben haar de berg op gejaagd, de berg waarop ik mijn leven lang al sta in het hart van de woestijn. Ze stropen de panden van hun uniformtuniek op en storten zich op haar, de een na de ander. Hun helmen zakken scheef.

Ze heet Maryam, verneem ik later. Haar mond is wijd geopend, maar ik hoor haar geschreeuw niet, want ik let alleen op haar blik, op haar pupillen die knakken, al haar jeugd en onschuld die verpulveren. In de barsten van haar schoonheid wellen tranen op, alsof het ijsvlak van een bevroren plas breekt en het water dat eronder schuilt tevoorschijn komt.

Ze komen spastisch klaar. Kloeke krijgers met verlof, kinderen in een mannenlijf. Ze pissen de naam die hun moeder hun heeft gegeven in het zand. Ze pissen op mij, want een boom dient om tegen te pissen, en ze pissen op Maryam. Ze spugen op haar en keren terug naar hun kampementen, naar hun britsen en hun oorlogjes.

Sindsdien heeft Maryam een oude blik. Haren kunnen in één nacht grijs worden. De spiegel van de ziel kan in één ogenblik een heel mensenleven overslaan. Ze is nauwelijks dertien. Een prille moeder is een oud mens geworden.

Later komt ze steeds weer onder mijn kruin terug. Ze keert terug naar de plek waar de soldaten haar bij de haren heen hebben gesleept, omdat ze ‘een kleine Joodse rat’ is, zoals ze tegen haar zeiden. Hier, hoog tussen hemel en aarde, kan ze ongemoeid treuren. Ik doe het enige waartoe ik in staat ben: ik schenk haar mijn schaduw.

De woestijn is mijn moeder. Al jaren sta ik met mijn wortels diep in haar buik, onwrikbaar in de brandende wind, voorbestemd om hier voorgoed te blijven staan, want dat is nu eenmaal mijn natuur. Ik leef van de regen, die enkele genadige keren per jaar komt, en van de mineralen die diep in het zand verscholen zitten. Ik ben gedoemd om te zwijgen, ook dat is mijn natuur, maar ik klets aldoor tegen mezelf, hoewel ik weet dat niemand me kan horen. Ik klets ook tegen Maryam, onafgebroken, in de deerniswekkende stilte.

Voor welke pijn zoeken zij troost?
Na het voorval op de berg ben ik evenzeer veranderd. Ik voel me vaak gevangen, in mijn bast, in de grond. Omdat ik niet van mijn plaats kan wijken, strek ik mijn takken uit naar de hemel, ik ben niet groot, maar ik strek me uit, heel ver, tot het pijn doet in al mijn twijgen, in de hoop dat daarvandaan enige troost zal komen. Ik heb het zelfs mensen zien doen: zich rekken naar de hemel, onbestaande vleugels uitslaan. Vreemd, want zij kunnen zich toch verplaatsen. Voor welke pijn zoeken zij troost? Voor hun korte leven, en voor hun onvermogen om er iets van te maken, en als ze er iets van gemaakt hebben, voor hun afschuw van de dood.

Ik weet nog niet dat het moederschap van Maryam niet alleen mij, maar ook de loop van de wereld zal veranderen. Ze kan met niemand praten over wat er is gebeurd, niet met haar ouders, de oude Anna en Joachim, die lang kinderloos zijn gebleven en hun enige dochter aanbidden, en evenmin met haar verloofde Yosef, die naar het schijnt (ik heb hem nooit gezien, ik weet het van haar) al met één voet in het graf staat.

Als Maryam bij me is, ligt ze op haar rug, met haar ogen dicht. Haar huid is kinderlijk gaaf en glimt als natte, rode aarde. Haar neus is als een schans, een steile, juichende lijn. Haar wenkbrauwen vormen één ongebroken boog. Haar lippen trillen vaak, het lijkt alsof ze altijd glimlacht, ook wanneer ze treurt, en ze treurt altijd.

Op een keer, wanneer ze al een dikke buik heeft, zegt ze dat ze het niet wil.

Wat wil ze niet?

Ze pruilt: ‘Maar mijn heer heeft het zo bevolen.’

‘Waar is je heer?’ vraag ik. ‘Wat heeft hij bevolen? Jullie, mensen, willen per se een heer hebben. Jullie verzinnen je heer. Jullie noodlot noemen jullie je heer.’

Ze richt zich op en kijkt om zich heen met haar oude ogen, alsof haar zondigste gedachten net door iemand zijn verwoord, gedachten waarvoor ze ’s avonds op haar knieën vergiffenis moet vragen aan de engelen die haar dromen bevolken en haar obscure taken influisteren.

‘Je heer kun je niet verloochenen,’ zegt ze. ‘Hem ontkennen is even erg als hem doden. Hem doden is jezelf doden.’ Ze denkt lang na. ‘Hij is de tak waarop je zit. Zaag je die tak af, dan val je.’

Ze heeft een gewiekst brein, dit onzalige, geschonden moedertje. Nu is ze woest. Ze slaat met haar vuisten in het rond, alsof ze worstelt met een engel.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief