nieuws

‘Het voorteken’ van Christoffer Carlsson

In 1994 wordt in het dorpje Marbäck het dode lichaam gevonden van een jonge vrouw. Ze blijkt vermoord te zijn. Een dader wordt snel aangewezen: Edvard Christensson had een relatie met de vrouw en was net als zijn vader berucht om zijn opvliegende karakter. Edvard wordt veroordeeld en de rust keert weer in het dorp. Maar niet voor Edvards neef Isak, die vreest dat hij net als zijn oom en opa ‘slecht’ is.

Tien jaar later denkt Vidar, die als jonge politieagent meehielp bij het onderzoek, nog vaak terug aan de zaak. En wanneer hij opnieuw met Isak spreekt, die is aangehouden na een diefstal, wordt zijn twijfel over het oude onderzoek steeds groter. Dan verdwijnt Isak plotseling en gaat Vidar alsnog op zoek naar wat er echt gebeurd is op die koude novembernacht.

Ontdek hier alvast het eerste hoofdstuk van Het voorteken van Christoffer Carlsson: slim geschreven, melancholisch, spannend en levensecht. Een aanrader voor de fans van Soren Sveistrups Oktober!

Marbäck, Halland
November 1994

1.

Men zegt dat de dood iemand haalt. Het is een oude uitdrukking, uit de tijd toen de dood een gestalte was die je in het bos van Marbäck of langs de weg kon tegenkomen. Een ijskoude hand die je bij de strot grijpt, een schaduw die rond je hele lichaam groeit totdat je niet meer kunt ademen. Zo stel je je het voor als kind.

Er worden ook andere dingen gezegd.

Het heet niet ‘onbehaaglijk’ of ‘gemeen’ maar rot.

Ik voel me rot.

Ik heb iets rots gedaan.

Zo zeg je het. En het heet niet ‘ik wist niet wat ik moest doen’, maar wat ik met mezelf aan moest. Alsof de eerste ingeving vluchten was.

Vannacht reiken de vlammen naar de hemel. De weersverwachtingen hebben stortregen voorspeld, maar er valt geen druppel. Alles wordt bedekt door roet en as, de grote bomen verschroeien. De geur van rook is in Simlångsdalen en helemaal tot in Skedala, kilometers verderop, te ruiken.

Het is een gebeurtenis die iedereen zal heugen, een ijkpunt. Er zal een tijd voor en een tijd na zijn.

Het is een gebeurtenis die iedereen zal heugen, een ijkpunt
Waar was jij toen…

Was het voor of na…

In Tolarp staan hier en daar een huis en een boerderij. Het dichtst bij Markströms huis staat Ulrika Antonssons boerderij. Een groot veld scheidt de twee stukken grond van elkaar. Het is Ulrika die de alarmcentrale belt.

‘Het brandt,’ schreeuwt ze door de telefoon. ‘Markströms huis staat in lichterlaaie. Stuur de brandweer, politie, ambulance, de hele mikmak, en snel.’

Ze loopt de novembernacht in en maakt foto’s van het vuur. Ze is niet de enige. Later wordt er naar de foto’s gevraagd door de kranten: de fotografen van de lokale krant komen pas als de brandweer met het bluswerk is begonnen, dus met hun eigen foto’s wordt het niets. Het moment is alweer voorbij. Bijna iedereen wijst het aanbod af, maar Ulrika kan het geld wel gebruiken en ze verkoopt stiekem haar amateurfoto’s voor veel geld. Algauw zijn ze overal te zien. Haar naam wordt nooit genoemd in verband met de foto’s, er staat alleen Lezersfoto, maar men weet het toch.

Enorme vuurtongen likken aan de zwarte hemel. Mark ströms bruine huis is een oude houten bungalow met kleine ramen en een plat dak. Het huis heeft een open haard, gasfornuis, slechte leidingen, oude elektriciteitsbedrading en een kurkdroog isolatiemateriaal. Dat soort details waren eerder voor de meeste mensen onbekend, maar spoedig weet iedereen ervan. Als er iets is dat men leert in de dagen na de ramp in Tolarp, dan is het wel dat er niet veel voor nodig is om een huis in lichterlaaie te zetten.

Niet iedereen wordt wakker. Kleine Isak Nyqvist in de Svanåsvägen ligt te slapen. Zijn beste vriend Theo Bengtsson ook. Een paar kilometer verderop, thuis in de hal bij politie-assistent Vidar Jörgensson, drentelt Leo heen en weer. Vidar wordt gek van het geblaf, opent zijn ogen en zet zijn voeten op de koude vloer.

De labrador wacht bij de buitendeur en blaft alsof er is ingebroken.

‘Wat is er met je?’ geeuwt Vidar. ‘Er is hier toch niemand.’

Hij opent de deur. De hond tuurt naar buiten. De novembernacht is ijzig koud. Dan ruikt Vidar het ook. Wanneer hij naar buiten het gazon op loopt kan hij het vuur zelfs zien: vanaf hier is het maar een lichtschijnsel, een oranje bol die boven de toppen van de sparren te zien is.

‘Ik snap het,’ zegt hij. ‘Goed van je, Leo. Goed dat je geblaft hebt.’

De novembernacht is ijzig koud. Dan ruikt Vidar het ook.
Leo schudt zich uit en kijkt Vidar met zijn grote bruine ogen aan.

‘Ja, brave hond.’ Terwijl hij daar op het bevroren gras staat probeert Vidar de afstand tot de brand te schatten. ‘Ja, misschien. Ik moet ernaartoe.’

Hij loopt weer naar binnen, kleedt zich aan en stapt in zijn stevige schoenen. Hij duwt zijn gezicht tegen Leo’s zachte kop, kroelt hem achter zijn oor en vertrekt.

Maar hij mist zijn uniform. Vier jaar lang heeft hij het gedragen en in die tijd heeft hij veel gezien. Dan is het uniform belangrijk, het is een schild. Of een wapenrusting. Wat je daarin meemaakt blijft daarin.

Niet alles, natuurlijk. Soms zie je zulke heftige dingen waar zelfs het uniform geen bescherming tegen biedt.

Vidar loopt over oude paden geflankeerd door hoge bossen en open velden, keuterboerderijtjes en huizen. Een dorpje een paar mijl ten oosten van Halmstad, dat is Marbäck. Van hen die hier opgroeien wordt gezegd dat ze tot de mazzelaars behoren. Het is waar. Rampen bereiken zelden dit gebied.

De stank van de brand wordt erger. De gloeiende koepel wordt groter. Sirenes loeien in de verte.

Hij passeert Marbäcks boerderij en slaat af, over het bruggetje naar het gebied dat Tolarp wordt genoemd.

Daar is het, brullend in de nacht, Markströms huis dat in vlammen op gaat. Zijn ogen prikken. Brandweer en ambulance zijn gearriveerd, Vidars collega’s ook. Zijn hart klopt sneller naarmate hij het blauw-witte afzetlint nadert. De commandant, een forse kerel van de brandweer van wie Vidar zich de naam niet meer herinnert, staat met het ambulancepersoneel te praten.

‘Is er nog iemand binnen?’ vraagt Vidar.

‘Het is lastig om naar binnen te gaan, dus we weten het niet. Maar we denken van niet. Het huis staat in lichterlaaie, dus het enige wat we kunnen doen is het gecontroleerd laten uitbranden.’

De commandant kijkt naar de brand. Vlammen als wezens.
‘Kan ik iets doen?’

‘Jij bent politieman, toch?’

Vidar knikt.

‘Ik woon even verderop.’

De commandant kijkt naar de brand. Vlammen als wezens.

‘Help waar nodig is. Blijf alleen weg bij het vuur.’

Vidar loopt naar de ambulance en leent een extra jas. Bij een van de blauw-witte patrouillewagens krijgt hij een schrijfblok en een pen van zijn collega’s. In het schijnsel van de brand helpt hij mee om de orde te bewaren, om te controleren of de afzetting in acht wordt genomen en praat hij met de buren. Bijna iedereen is buiten en kijkt dezelfde kant op, ziet hetzelfde.

In zuidwestelijke richting ligt de grond van Ulrika Antonsson. Met haar hebben ze al gesproken. In het noorden wacht Josefina Franssons boerderij. Die heeft ze een paar jaar voordat haar vader stierf met vee en al van hem gekocht. Ze heeft er duizend kronen voor betaald. Een symbolisch bedrag. Ze is vijftien, misschien twintig jaar ouder dan Vidar, maar hij heeft haar altijd mooi gevonden. De dikke bos haar heeft hier en daar wat grijs erin maar haar huid is nog bijna glad. Ze draagt een spijkerbroek en een open overhemd dat ze bij haar middel heeft vastgeknoopt over een donker hemdje dat de grote borsten verbergt. Eigenlijk zijn die het waar hij op valt. Hij is zich daarvan bewust maar sommige dingen heb je niet echt in de hand.

‘Ik zag Lovisa op de fiets thuiskomen,’ zegt Josefina. ‘Rond vijven, misschien. Ze werkt nu bij Brooktorpsgården in de stad, dus fietst ze altijd naar de bushalte en dan ’s middags weer naar huis.’

Van de fiets rest nog een geblakerd frame.

‘Heb je haar daarna nog gezien?’

Josefina schudt haar hoofd.

‘Maar haar vader en moeder gingen later weg. Volgens mij is er iemand vijftig geworden, dus zijn ze naar een feest.’

'Ik heb haar niet meer gezien nadat ze is thuisgekomen.
‘Dus Lovisa was thuis?’

‘Ja, ik geloof het wel. Maar ik weet het niet zeker. Ik heb haar niet meer gezien nadat ze is thuisgekomen.’

Vidar staat met de rug naar de brand maar ziet hem toch. De vlammen weerspiegelen in Josefina’s glanzende ogen.

Wanneer hij langs de afzetting loopt, staat hij plotseling stil. Daar, in het gras, ligt een werkhandschoen. Hij kijkt naar het huis. De vlammen zijn niet zo krachtig meer, maar zover als tot hier zijn ze nooit gekomen. Vidar strijkt met zijn hand over het bevroren gras. Het is onberoerd.

Vidar steekt zijn hand op en roept een collega bij zich.

‘O jee,’ zegt deze.

‘Ja,’ zegt Vidar.

‘Ik ga een sporenbordje halen. Blijf jij hier staan?’

Vidar blijft staan. Het is koud zonder uniform. Zijn collega komt terug met een sporenbordje en steekt dat voorzichtig in de grond.

De handschoen is duidelijk verschroeid door het vuur. Van dichtbij zie je ook wat bloedspetters.

Het duurt even voordat de commissaris arriveert, maar opeens staat hij midden tussen de hulpverleners, gebogen over een tekening van het huis waar iemand in alle haast een kopie van heeft weten te bemachtigen. Zo is hij. Commissaris K.G. Öberg is een grove kerel, gekleed als een bosarbeider met zijn stevige bergschoenen, gebreide trui en een broek met veel zakken. Een goede chef met een krachtig stemgeluid. Hij heeft dun, zilverkleurig haar en een rond, uitgezakt gezicht. De blik waarmee hij Vidar aankijkt is open, warm. Ondanks zijn lengte kan hij zich geluidloos verplaatsen, want je hoort hem zelden aankomen.

‘De jonge Jörgensson,’ zegt hij, verbaasd. ‘Verrek, dat is ook zo, jij woont hier.’

‘Ja, inderdaad.’

‘Heb jij zo geen dienst?’

‘Over zeven en een half uur.’

K.G. wuift met zijn hand.

'We hebben je morgen nodig.
‘Ga dan verdomme naar huis om te slapen. We hebben je morgen nodig.’

Zijn ogen branden en zijn ledematen doen pijn. Hij heeft de hele dag gewerkt en nu ook nog een halve nacht. Zijn schouders zijn stijf, zijn rug doet zeer.

‘Ben ik hier niet meer nodig?’ vraagt hij toch maar.

‘Ja, ik wil je hier hebben. Met zeven uren slaap in je lijf.’

Hij overhandigt de informatie die hij heeft verzameld, trekt zijn jas uit en hangt die op, knikt naar zijn collega’s en loopt richting huis. Het duurt nog wel even voordat de zon opkomt. Achter hem tollen blauwe zwaailichten in stilte in het rond, politieauto’s, brandweerwagens, ambulances.

Wanneer hij een eindje verder is, ziet hij vanuit zijn ooghoek iets bewegen. In het sparrenbos. Vidar blijft staan en haalt adem. Het is hier doodstil.

Dan ziet hij het.

‘Hallo.’ Vidar draait zich om en roept in de richting van de blauwe zwaailichten. ‘Hallo! Er ligt hier iemand.’

Iemand die niet meer wist wat hij met zichzelf aan moest.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief