artikel

Iedereen verslaafd? Filosofe Doortje Smithuijsen analyseert ons digitaal gedrag

0

Zijn we collectief verslaafd aan onze smartphones?

Het is een vraag die regelmatig de kop opsteekt. Intussen weten we allemaal dat sociale media gebouwd zijn om verslavend te werken en dat overmatig gebruik van digitale middelen slecht kan zijn voor onze mentale gezondheid. Toch zijn vele apps niet meer weg te denken uit ons dagelijks leven en onze maatschappij.

Maar wat is verslaving eigenlijk? Wanneer ben je verslaafd, en hoe word je verslaafd? Hoe verhouden verslavingen aan dingen zoals Instagram, datingapps, porno en games zich tot alcohol- en drugsverslavingen? En als we collectief verslaafd zijn aan onze smartphones, welke maatschappelijke factoren liggen dan ten grondslag aan dit fenomeen?

Doortjes Smithuijsen gaat op deze en nog veel meer vragen in in haar boek Iedereen verslaafd?. Ze bezoekt klinieken, psychologen,  game-, porno- en Instagramverslaafden, maar ook mensen die niet zonder hun Strava of datingapps kunnen. Maar deze analyse van ons digitale gedrag gaat verder de meeste gesprekken over schermverslaving. Smithuijsen bekijkt het niet enkel als een individueel, maar als een maatschappelijk probleem. Als maatschappelijke factoren de oorzaak zijn dat we massaal vluchten in onze schermen, dan is een simpele digitale detox toch niet de oplossing?

 

Lees hier al een eerste fragment!

 

1

Wat is verslaving?

‘Heb je ervaring met verslaving?’ Achttien paar ogen kijken me aan. Verwachtingsvol, opgewekt.

Iedereen in deze kring heeft zichzelf net voorgesteld met zijn voornaam gevolgd door de gedeelde achternaam ‘Verslaafd en Gedragsproblemen’.

Een jongen van een jaar of veertien in een verwassen joggingpak, met een huid die schreeuwt om Clearasil: ‘Jessie, verslaafd en gedragsproblemen.’

‘Hoi Jessie,’ echoot de kring.

Een dun meisje in een hoge spijkerbroek, haar haren in een krampachtige scheiding getrokken: ‘Alice, verslaafd en gedragsproblemen.’ Vijftien, schat ik. Hooguit zestien.

‘Hoi Alice.’

Een jongen vol tattoos die er veel ouder uitziet dan de hier maximaal toegestane leeftijd van drieëntwintig. ‘Teun, verslaafd en gedragsproblemen.’

‘Hoi Teun.’ ‘Hoi Froukje.’ ‘Hoi Celine.’ ‘Hoi Tommie.’

Naarmate het rondje dichter bij mijn stoel komt, begin ik me steeds meer af te vragen wat ik ga zeggen als ik aan de beurt ben. Ik kan mezelf moeilijk óók voorstellen als iemand die verslaafd is, of als iemand met gedragsproblemen – dat zou beledigend zijn. Uiteindelijk besluit ik tot: ‘Doortje, wel allerlei andere problemen.’ Daar moeten ze gelukkig om lachen, de jongeren in de kring. Even voel ik verlichting, misschien hoor ik er toch een beetje bij vandaag.

Dan zeg ik dat ze alles aan me mogen vragen wat ze willen. Meteen meerdere handen omhoog. Wat doe ik in het dagelijks leven? Waarom ben ik hier eigenlijk? Wat vind ik tot nu toe van de kliniek?

En dan komt die ene vraag. Wat is míjn ervaring met verslaving?

Ik ben in deze kliniek terechtgekomen omdat ik wil begrijpen wat verslaving is, wat het precies inhoudt. Een paar maanden eerder begon ik met een onderzoek naar digitale verslaving. Ik sprak met psychologen, psychiaters, hoogleraren in de neurobiologie. Ik wist inmiddels dat verslaving enerzijds een kwestie is van pech of geluk (genen, aanleg, een verhoogde gevoeligheid voor stress of angst), anderzijds een gevolg van trauma en context, een kwestie van een slechte gewoonte ontwikkelen op een slecht moment. Ik had geleerd dat een game- of Instagram-verslaving mentaal min of meer dezelfde effecten heeft als een verslaving aan drugs of alcohol. Ik had behandelaars gesproken die zich veel zorgen maakten over het oprukkend aantal digitaal verslaafden, niet in de laatste plaats omdat het zo lastig is ze te behandelen.

Nu wilde ik de praktijk in. Ik wilde weten hoe zo’n slechte gewoonte op een slecht moment precies tot stand komt. Bij wie en met welke impact op hun leven. Hoe een verslaving zich manifesteert, hoe het eruitziet, hoe het voelt. En hoe je er eventueel weer vanaf komt. De oprichter van deze kliniek – Yes We Can Clinics in het Brabantse Hilvarenbeek – had ik eerder weleens geïnterviewd over het groeiende probleem van gameverslavingen. Toen ik belde met het verzoek langs te komen, kon ik meteen terecht.

‘Mijn naam is Ellen en ik ben een smartphoneverslaafde’, zo begon een artikel in nrc dat ergens vlak voor mijn bezoek aan de kliniek verscheen. Het stuk was geschreven door een redacteur die zei verslaafd te zijn aan haar smartphone. Sinds de corona-uitbraak had ze de gewoonte ontwikkeld om doelloze rondjes te maken: van de mail naar WhatsApp naar Instagram en dan via de bankapp en een nieuwssite weer naar de mail. Soms voelde ze ‘zoekende onrust’ tijdens een telefoongesprek. ‘Éven kijken of ergens nog wat nieuws is – o nee, kan niet, ik heb hem aan mijn oor.’ Ze sprak genoeg andere mensen die hier ook last van hadden, schreef ze, en die nu overwogen hun smartphone helemaal weg te doen. ‘Hashtag herkenbaar’, vond de redacteur.

Ik had het artikel met instemmend knikken gelezen. Nu zit ik in een kring tussen meisjes die zoveel ondergewicht hadden dat ze vacht ontwikkelen op hun gezicht; een van hun armen steevast vol littekens van door henzelf aangebrachte sneeën. Een verslaving hoeft niet altijd aan íéts te zijn, legde een van hen me uit tijdens een sportsessie – we stonden samen in de rij voor de lichtste gewichten. Je kunt ook verslaafd zijn aan niets, aan onthouding, aan jezelf straffen, aan willen verdwijnen. Ik bevind me tussen de pubers die geen contact meer hebben met hun familie omdat ze door hun ghb-verslaving onhandelbaar zijn geworden. Tussen de jongens die geld hebben gestolen van hun ouders om wiet te kunnen kopen; tussen tieners die seks hebben gehad tegen betaling om zo aan hun dagelijkse dosis lachgas te geraken.

Hoewel ze allemaal verschillend zijn lijken deze jongeren iets universeels te hebben. Het leven is op een bepaalde manier te veel voor ze geweest – een nare thuissituatie, pesterijen op school, onbetrouwbare vrienden, of helemaal geen. Een afwezige vader, of juist een te aanwezige: eentje die sloeg of die aan ze zat. Hun verslaving is een vlucht, lijkt het – een manier om niet te hoeven voelen, of zoals een meisje in de kring zegt: om te verdwijnen.

Hoe kan het dat we inmiddels hetzelfde woord gebruiken voor dit soort extreem pijnlijke situaties als voor zoiets mondains als de neiging door te appen op de wc?

Terwijl ik in die kring de ene na de andere traumatische ervaring aanhoor, en de ene na de andere zelfdestructieve ‘oplossing’, denk ik aan het nrc-artikel over smartphoneverslaving. Hoe kan het dat we inmiddels hetzelfde woord gebruiken voor dit soort extreem pijnlijke situaties als voor zoiets mondains als de neiging door te appen op de wc? Zou die zelfverklaard verslaafde nrc-redacteur dit alles ook ‘hashtag herkenbaar’ vinden?

‘Mijn naam is Ellen en ik ben een smartphoneverslaafde.’ Really? Het voelt bizar om redacteur Ellen in hetzelfde hokje te plaatsen als de jongeren die ik ontmoet in deze jeugdkliniek. Tegelijkertijd lijkt iedereen zichzelf precies in dat hokje te plaatsen; in mijn omgeving noemt men zich aan de lopende band ‘telefoonverslaafd’, ‘Netflix-verslaafd’, ‘verslaafd’ aan kattenfilmpjes of aan TikTok-video’s. Maar ondertussen lijkt niemand honderd procent overtuigd van die zelf gestelde diagnose. In de vele gesprekken die ik voerde over het onderwerp digitale verslaving – op borrels, op etentjes, op verjaardagen – kwam één vraag altijd terug: wanneer ben je nou écht verslaafd?

Het ligt maar aan je definitie van verslaving. In sommige klinieken – het soort waar je makkelijk binnenloopt met een burn-out of stress, niet het type gesloten instelling – wordt de definitie gehanteerd dat je verslaafd bent als je dingen doet die je éígenlijk niet zou willen doen. Je neemt je voor om vandaag niet de hele tijd door Instagram te scrollen – en je doet het toch. Je wilt nu echt Tinder van je telefoon verwijderen – een paar uur later download je alweer de app. Je wilt eigenlijk naar bed, maar kijkt toch nog een aflevering op Netflix, en dan nog een, en dan nog een. Check, check, check: verslaafd.

Een veelgehoord criterium is dat ongewenst gedrag om een verslaving te zijn negatieve consequenties moet hebben.

Een ander veelgehoord criterium is dat ongewenst gedrag om een verslaving te zijn negatieve consequenties moet hebben. Je komt stelselmatig te laat omdat je steeds nóg een YouTube-video wilt kijken. Je krijgt ruzie met je geliefde omdat je te veel zit te gamen. Je wordt ontslagen omdat je weer de hele nacht hebt zitten minecraften en daardoor door de wekker heen bent geslapen.

Na het publiceren van een aantal artikelen over dit onderwerp, werd ik uitgenodigd bij de populaire Zelfspodcast. Presentatoren Jaap en Sander gaven direct en zonder enige aarzeling toe ‘absoluut verslaafd’ te zijn aan hun telefoon. Drank, drugs, sigaretten, dat konden de twee makkelijk laten staan, maar die smartphone – nee. De mannen hadden allebei een dagelijkse schermtijd van rond de zeven uur, waarvan zeker de helft naar eigen zeggen ongewenst en onnodig. Maar op het moment dat ze even niks deden met hun iPhones, voelden ze zich dan weer raar en nutteloos. Sterker nog, als zijn smartphone uit zicht was, werd Sander fysiek onpasselijk, zei hij.

Alles bij elkaar klonken Sander en Jaap inderdaad verdacht verslaafd. Ondertussen sprak ik ook jongeren die dagelijks veertien uur door sociale media scrolden – of nog langer. Mannen die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat op Twitter zaten, zo bang waren ze om iets te missen. Vrouwen die de hele dag door rondliepen met de blik op de stappenteller; de sportverslaving, leerde ik van een sportpsycholoog, heeft een enorme vlucht genomen sinds we met apps onze voortgang kunnen meten. Ik sprak jongens die elke dag tot vier, vijf uur ’s nachts gameden of porno keken; en daardoor verder geen leven meer hadden buiten hun computerscherm.

In de Zelfspodcast vertelde ik ook over dit soort jongens en hun pornoverslaving, tot hilariteit van Jaap en Sander uiteraard. ‘Die hebben dan zó’n rechterarm,’ riepen ze, gebarend dat die een meter breed moest zijn.

Mensen waren dol op dit soort verhalen, vroegen gretig door: echt waar? Hoe hoog is hún schermtijd dan, jeetje, zoveel, ongelofelijk.

Het was lachen natuurlijk, om die eenzame rukkers – hoe kun je überhaupt zó lang masturberen? Maar de lach van Jaap en Sander ging volgens mij niet alleen om het idee van urenlang aftrekken. Ik had precies deze lach vaker gehoord als ik mensen vertelde over mijn onderzoek. Als ik vertelde over serieuze gameverslaafden, jongens die niet meer buiten kwamen, meisjes die leefden voor hun Instagram-account of voor hun Minecraft-score. Mensen waren dol op dit soort verhalen, vroegen gretig door: echt waar? Hoe hoog is hún schermtijd dan, jeetje, zoveel, ongelofelijk. En dan kwam doorgaans de lach, niet per se een vrolijke schater, meer een lach van opluchting. Gelukkig, er waren in elk geval mensen die nog veel verslaafder waren dan zijzelf.

Maar ergens, had ik het idee, kwam die lach ook voort uit ongemak. Uit het feit dat het gedrag dat ik beschreef – het gedrag van de ‘echt’ verslaafden – voor bijna iedereen toch ook wel ‘hashtag herkenbaar’ was.

Een van mijn favoriete genres op YouTube zijn de ‘What I eat in a day’-video’s van Harper’s Bazaar. Het format is extreem simpel: een celebrity vertelt hoe een gemiddelde dag in zijn of haar leven eruitziet en wat daarbij zoal gegeten en gedronken wordt. De eerste vraag is standaard: ‘Wat doe je als je wakker wordt?’ En hoewel de dagen en eetpatronen verder enorm van elkaar verschillen, beantwoordt vrijwel iedereen – van Catherine Zeta-Jones tot Martha Stewart – die vraag hetzelfde: ‘Ik kijk meteen naar mijn telefoon.’

Dit antwoord wordt ook bijna standaard gevolgd door een overdreven mea culpa, die vooral als je weleens een paar video’s achter elkaar kijkt lachwekkend betekenisloos wordt.

‘Het is zo slecht, I know, maar die telefoon, I can’t resist.’

‘O, ik schaam me zo om dit hier te vertellen, it’s just so bad.’ ‘Oké, ik had beloofd om eerlijk te zijn, dus ja, ik pak die telefoon zodra ik mijn ogen geopend heb.’

‘Ik scrol door Instagram en Twitter, beantwoord mails en appjes.’

‘Check de nieuwsapps.’

‘Echt een nasty habit, maar ik ben zo verslaafd aan dat ding, can’t help myself.

‘God, ik moet daar echt mee stoppen, zo’n slechte gewoonte.’

‘Ja, het is terrible, vreselijk, oké, volgende vraag.’

Ik denk ook aan deze video’s terwijl de jongeren in de kliniek zich voorstellen met hun gedeelde epitheton ornans.

‘Romy, verslaafd en gedragsproblemen.’ ‘Pim, verslaafd en gedragsproblemen.’ ‘Tessa, verslaafd en gedragsproblemen.’

Hoe staat dit voorstelrondje in relatie tot het standaard begin van mijn guilty pleasure op YouTube? Kijk je bij de What I eat-video’s onbewust naar een openbare aa-meeting voor smartphone-verslaafden? Ik kan me niet voorstellen dat, zeg Gwyneth Paltrow, ook weleens haar vader geslagen heeft omdat ze niet meer mocht appen. Waarom lijken mensen als zij – en überhaupt: mensen – dan zo gretig in het omarmen van het woord ‘verslaafd’ als het om hun digitale gedrag gaat?

Ik kan me niet voorstellen dat, zeg Gwyneth Paltrow, ook weleens haar vader geslagen heeft omdat ze niet meer mocht appen.

Als je iets vaak doet ben je niet meteen verslaafd, vertelde Reinout Wiers, hoogleraar Ontwikkelingspsychopathologie, me tijdens een interview. Je moet dan ook oppassen alles meteen verslaving te noemen, zo wordt die term betekenisloos. Het kan natuurlijk best dat mensen ‘overgenomen’ worden door hun smartphone of computer, en dat hun digitale gedrag echt verslavend is, met de alle bijbehorende gevolgen. Maar voor veel mensen is de smartphone toch vooral een handige tool, vond Wiers; een manier van tijd- verdrijf; een outsourcing van een deel van je kennis. Verslaving begint serieus de kop op te steken als aan je gedrag grote negatieve consequenties zitten. Je wordt ontslagen, je relatie gaat uit, je houdt geen vrienden meer over, maar je gaat toch door.

Tijdens mijn research interviewde ik meerdere mensen die inderdaad overduidelijk negatieve consequenties hadden ervaren door hun digitale gedrag: familierelaties werden verziekt door hun obsessieve gamen; school-, studie- of werkprestaties hadden te lijden onder hun pornoverslaving; ze raakten totaal vervreemd van de wereld om hen heen door hun dwangmatige socialemediagebruik; verloren hun vrienden; belandden in de bijstand. Negativiteit alom, duidelijke gevallen van verslaving.

Tegelijkertijd: is het investeren van vijf, zes, zeven uur per dag aan iets wat je eigenlijk dom vindt niet ook al reden tot zorg? Het gegeven dat een groot deel van ons een substantieel deel van zijn of haar dag besteedt aan iets wat we eigenlijk níét willen doen – dat is toch ook op z’n minst opmerkelijk en eigenlijk vrij alarmerend? Wat zegt het over deze tijd dat celebrity’s in video’s massaal toegeven elke ochtend te beginnen met iets waarvoor ze zich enorm schamen? En dat de miljoenen kijkers bij het horen van die informatie ongetwijfeld een zucht van herkenning slaken: gelukkig, zij ook.

Het voelde te makkelijk om na een aantal gesprekken met ‘echt’ digitaal verslaafden de rest af te doen als per definitie niet verslaafd. Want ik zag het ondertussen toch gebeuren bij mezelf, bij anderen. Mijn neiging meteen naar de telefoon te grijpen als ik een minuut op een bus of tram moest wachten, hele wachtkamers en treinen vol mensen die naar dat ding zaten te Mijn geliefde die ’s ochtends geregeld eerder met zijn iPad praatte dan met mij. Vriendinnen die dankzij hun smartwatch geobsedeerd raakten door het aantal stappen dat ze per dag zetten.

Heb ik ervaring met verslaving? Als de vraag me wordt gesteld bij het kennismakingsrondje in de jeugdkliniek begin ik te stotteren. Nou, ik ben misschien zelf nooit écht verslaafd geweest, maar ik zie wel veel verslaving om me heen, denk ik. Ik ken wel mensen die roken, en zo, en ook wel mensen die te veel drinken. En zeker als het gaat om digitale verslavingen ligt er natuurlijk altijd van alles op de loer. Ik heb vrienden die soms een hele week alleen maar Netflix-series kijken best wel bizar toch? – en ook kennissen die de hele dag

Candy Crush spelen, of FarmVille, of weer iets anders. En ik lig zelf ook weleens een hele middag op de bank te scrollen terwijl ik het eigenlijk niet wil en dan voel ik me daarna zo heel vies; dat kennen we toch zeker allemaal wel?

Eigenlijk had ik op dit moment maar één zinnig antwoord kunnen geven: ‘Ik weet het niet.’

Of beter: ‘Ik weet het nóg niet.’

Dit onderzoek naar digitale verslaving begint met die ene fundamentele vraag: ‘Wat is een verslaving?’

Ik ben niet de enige die zich dat afvraagt. Vrijwel iedereen die zich aanmeldt bij zijn praktijk begint ermee, vertelde Matthijs Kruk, psycholoog gespecialiseerd in seks- en pornoverslaving. ‘Mensen willen vooral weten óf ze verslaafd zijn. Ze komen aan met uren, “ik kijk zoveel uur per dag porno, is dat te veel?”’ Kruk probeert zijn cliënten vervolgens uit te leggen dat het eigenlijk niet zoveel uitmaakt hoeláng je naar porno kijkt, hoe vaak per week of per dag, maar veel meer waaróm je kijkt. Hetzelfde geldt voor andere digitale praktijken: het gaat er niet om hoeveel je gamet, maar waarom. Niet om hoe vaak je door Instagram scrolt, maar wat jou er steeds weer toe beweegt de telefoon op te pakken.

Om dit beter uit te leggen, kan ik het beste het verhaal van Thomas vertellen: een zachtaardige jongen met zwart, krullend haar van eind twintig. We spreken elkaar via Zoom, achter hem zie ik een donkergrijze hoekbank, een schilderij aan de muur met een grote rode roos erop, volgens mij van ikea. Op een gegeven moment, Thomas was een jaar of zeventien, keek hij de héle dag YouTube-filmpjes, vertelt hij. Hij probeerde weleens te stoppen, maar dat lukte dan steeds niet.

De rest van het hoofdstuk kan je lezen in Iedereen verslaafd? van Doortje Smithuijsen.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief