nieuws

‘Ik heb mijn vader niet gedood’: een onwaarschijnlijk maar waargebeurd verhaal

Chris Picavet vertelt in Ik heb mijn vader niet gedood een onwaarschijnlijk verhaal uit zijn geboortedorp. Eenendertig jaar onschuldig in de gevangenis. Leon Van Huffel uit het Waasland maakte het mee: in 1948 werd hij – onterecht – veroordeeld tot levenslang wegens doodslag op zijn vader, die zich in werkelijkheid in een schuur opgehangen had.

Chris Picavet groeide op in hetzelfde dorp als Leon Van Huffel. In Verrebroek in de Wase polders, kende iedereen iedereen. Als achttienjarige zag Chris Picavet Leon plots opduiken in de zondagsmis, aan de zijde van Clara De Vos, van wie hij dacht dat zij een alleenstaande vrouw was. Hij raakte zo geïntrigeerd door het onwaarschijnlijke verhaal van Leon en Clara, dat het hem niet meer losliet en hij hun leven uiteindelijk in een roman goot.

Je leest hier alvast de eerste pagina’s van het boek.

 

1947

De winter doemde in meerdere vloedgolven op dat jaar. Het was nu bijna half maart en sinds vorige week overspoelde een nieuw koudeoffensief het hele land. Nog altijd lag er een jasje sneeuw over het Waasland.

– Waar kom jij vandaan? De beesten wachten, zei moeder toen Leon de kleine achterkeuken binnenkwam, terwijl hij geeuwend zijn propere hemd in zijn gelapte velours broek stak. Hij was later dan gewoonlijk. Van de stoel die met de rug naar de kachel gekeerd stond, pakte hij zijn uitgerekte grijsblauwe trui die bij de ellebogen al meerdere malen was hersteld met lichtere en donkerdere tinten, en trok hem over zijn hoofd.

Op Leon kon ze altijd rekenen, hij wist van aanpakken en had een paar robuuste werkhanden aan zijn lijf, geboetseerd voor de boerenstiel. Hij geleek verdomd goed op zijn vader. Frans zoals hij vroeger was dan. Kloek en gedreven, maar ook altijd eigenzinnig. Vandaar waarschijnlijk dat het de laatste maanden zo vaak had gebotst tussen die twee. Beiden konden ze plots koleriek uit de hoek komen en het escaleerde week na week. Tot bij de buren hoorden ze hen soms schreeuwen tegen elkaar. Meestal over geldzaken of de aanpak van het werk.

Vader was van de oude stempel en wilde niks veranderen, al zeker niet omdat de oorlog te vers achter hen lag. Het was de tweede grote oorlog in zijn leven en ook de zure jaren dertig had hij nog niet verteerd. Financieel was het onverantwoord om nu domme dingen te doen. Geen onbezonnen risico’s. En daarbij, het had altijd gemarcheerd zoals het was, waarom zou het nu dan niet meer kunnen blijven zoals het altijd was geweest. Ondanks die escalerende ruzies zag moeder ertegen op dat Leon binnenkort het huis uit zou zijn.

– ’t Is verdorie nog kouder dan gisteren, moeder, antwoordde Leon.

– ’t Is verdorie nog kouder dan gisteren, moeder, antwoordde Leon, terwijl hij zijn handen warm probeerde te wrijven boven de kachel.

– Je had je trui kunnen aandoen buiten, da’s niet verboden.

Ze nam twee kopjes weg van de keukentafel. Die was bedekt met een uitrafelende toile cirée met een verschenen rood-wit ruitjesmotief en kleine scheurtjes aan de hoeken. Ze veegde een paar kruimels op en goot de restjes koffie terug in de pruttelende kan op de Leuvense stoof.

– Waar is je broer?

– Hij zal wel komen. Hij is gelijk met mij opgestaan, antwoordde Leon terwijl een homp brood met een sneetje belegen kaas in twee beten in zijn mond verdween.

– Is vader al op?

Moeder kreeg de kans niet om te reageren, want Willy viel binnen en met hem een golf koude lucht die zich direct nijdig vastzoog aan ieders lichaam als een vlo die zich ongemerkt nestelt in de pels van een hond.

– Jongens, jongens, ik kan nog wel wat extra slaap gebruiken. Kunnen die koeien geen halfuur wachten om gemolken te worden?

Willy rekte zich uit en geeuwde luid met een uitstervende lange kreun.

– Ja, we zullen hun wekker een beetje later zetten, kleine. Koud buiten, hé?

– Ik mag het geloven.

Leon schrokte nog een boterham met perengelei naar binnen, poepgelei noemden zij het, en dronk gulzig van zijn hete, maar slappe koffie. Zijn veel jongere broer Willy keek naar buiten door de berijmde ramen. Hij was veel tengerder dan Leon. Discipline was niks voor hem, en dat schreeuwde ook zijn weelderige, maar wanordelijk krullende zwarte haardos uit.

Vaak was hij met zijn hoofd niet bij de zaak en dan moest Leon hem de opgelegde taken meer dan eens uitleggen of voordoen. Het was nog donker en de felle maan bedekte de met sneeuw omsluierde boerderij met een wazig gele schijn. Feeëriek. Het oude erf lag als onder een beslagen glazen stolp waar niks doorheen leek te dringen. Het was niet meer dan schone schijn, want de gure noordoostenwind speelde vinnig over de koer van de boerderij. Willy had een hekel aan vroeg opstaan, vooral als het zo bitterkoud was. Die ellendige winter bleef maar duren.

Die ellendige winter bleef maar duren.

– Willy, neem een boterham!

Elke dag moest zijn moeder het herhalen. Voorzichtig hield ze het grote, ronde boerenbrood tegen haar borsten en sneed het behendig in dikke plakken. Willy en ontbijten, het was nooit wat geworden. Toen hij heel jong was had ze hem vaak geplaagd dat hij nooit groot zou worden, en eigenlijk had ze een beetje gelijk gekregen. Willy was ruim een halve kop kleiner dan zijn oudere broer. Onze kleine.

Willy en Leon deden allebei een sjaal om, wreven zich extra in de handen boven de stoof die fel knisperde door de verse kolen die moeder had opgepookt en gingen samen met tegenzin naar buiten. De onstuimige wind greep hen onmiddellijk bij de keel en allebei moesten ze naar adem happen. De natte stuifsneeuw vloog deels in hun mond.

In de stallen wachtten de beesten. Jules, hun boerenpaard, was al onrustig, ze hoorden hem ongeduldig tegen de afsluiting stoten. Leon was ouder, maar ook speelser dan zijn jongere broer. Hij pakte zijn broer stevig vast en propte een kleine sneeuwbal in zijn kraag. De kleine spartelde tegen, maar Leon was sterker. De sneeuw gleed langs Willy’s ruggengraat naar beneden. Leon lachte, Willy trok zich los uit de forse greep van zijn broer en sloeg een paar keer wild in het rond zonder zijn broer te kunnen raken.

– Daarvan word je wakker, broertje.

Willy was pas achttien geworden en kon niet op tegen zijn bijna zes jaar oudere broer. Hij probeerde nog wel om ook Leon te raken met een snel in elkaar gepropte sneeuwbal, maar zonder succes. Dan pas zagen ze allebei dat de hooischuur wagenwijd openstond en er licht brandde. Met dit weer. Dat zou vader niet appreciëren.

– Kleine, ben jij daarnet in de stal geweest? vroeg Leon.

– Nee.

– Brandde het licht?

– Ik weet niet, ik moest gewoon pissen. Jij bent toch ook buiten geweest.

Daarop antwoordde Leon niet.

Leon voelde dat er iets niet klopte.

– En je hebt niks gezien?

– Nee, bijna zelfs mijn eigen werkgerief niet. Dat wilde ook liever binnen blijven.

– En vader? Was die al wakker?

Leon voelde dat er iets niet klopte, Willy volgde zijn broer zonder vragen, maar begreep niet wat hij bedoelde met zijn vraag naar vader. Met de solide schuurdeur in zijn hand bleef Leon als versteend staan. Willy begreep het nog altijd niet en duwde hem ietsje opzij, zodat ook hij wat kon zien. Aan de balk vlak bij de deur bungelde vader. Hij had een vieze natte plek in het kruis van zijn broek.

– Pa! riep Willy.

Leon zei niets. Hij staarde alleen maar. Naar het koord om vaders nek.

– Pak die lege bak, commandeerde Willy Leon. Ik zet de lange ladder wel tegen de balk.

Maar Leon bewoog niet, alle impulsen vanuit zijn hersenen waren geblokkeerd. Kortsluiting.

– Verdomme, Leon, pak de ladder! Rap!

De rollen waren plotsklaps omgekeerd. Niet Willy, maar Leon leek het jonge broertje. Willy kroop zo snel hij kon op de meewiegende houten ladder die rustte tegen de hooizolder. Leon  keek niet-begrijpend op naar zijn vader, die bijna onzichtbaar lichtjes heen en weer wiebelde. Als een klok die haar laatste slag naderde.

Hij probeerde hem op te tillen bij zijn stram gestrekte benen. Door de urine en de stront moest hij kokhalzen, vaders broek was doorweekt en van zo dichtbij maakte de doordringende geur Leon misselijk. Willy, die intussen boven op de ladder stond en zich met zijn linkerarm vastklemde aan de eiken dwarsbalk, pakte zijn zakmes en sneed met moeite het dikke koord door.

Vader viel voorover en Leon kon zijn volle gewicht niet tegenhouden. Hij probeerde zijn evenwicht te bewaren terwijl hij vader vasthield, maar het leek meer op een onhandig dronkenmansdansje en na een paar pasjes viel hij achterover met vader half boven op hem. Toen hij zijn gebroken ogen zag, duwde hij hem uit schrik van zich af.

– Leeft hij?

Leon reageerde niet.

Toen hij zijn gebroken ogen zag, duwde hij hem uit schrik van zich af.

– Leon, leeft hij? schreeuwde Willy.

Pas dan boog hij zich opnieuw naar voren en legde zijn bevende linkerhand voorzichtig onder vaders hoofd.

– Ik weet het niet, kleine. Ik weet het niet. Echt. Nee, denk ik.

Willy, die intussen alweer beneden was, probeerde het touw, dat strak was aangespannen rond vaders nek, los te maken, maar omdat hij rilde over zijn hele lichaam lukte dat moeilijk. Vader bewoog niet. De link in zijn hals kleurde lichtpaars. Willy sprong recht, liep weg, riep tegelijk zijn moeder en zwaaide seconden later de deur van de keuken open. Alle warmte vloog naar buiten.

Molly, een schichtige huiskat met een rosse piratenvlek op haar linkeroog, die achter de kachel ineengedoken had zitten wachten om van de eerste de beste gelegenheid gebruik te maken om te ontsnappen, vluchtte mee.

– Moeder, vader ligt in de schuur, riep hij.

Hij toonde haar de weg, alsof ze niet wist waar naartoe.

– Wat is er gebeurd?

– Hij… We hebben hem op de grond gelegd, wees Willy nerveus naar buiten.

Moeder kon zijn gedachtegang niet volgen, maar ze merkte dat het iets ernstigs was. Ze sloeg haar gehaakte zwarte stola over haar hoekige schouders en slofte mee naar de schuur. Het was glad op het koertje. Ze moest er dringend een beetje zavel over gieten.

In de schuur zat Leon op zijn knieën naast vader. Ze bleef stil. Meteen leek ze te berusten toen ze haar man daar zag liggen in de schoot van haar zoon, vredig na al hun ruzies. Met het stuk koord, een mislukte das rond zijn hals. Ze wist dat hij dood was. Daarvoor moest ze niet naderbij komen.

Met haar beide handen voor haar mond probeerde ze alles op een rij te zetten. Het leek alsof ze in een paar seconden ter plekke tien jaar ouder werd. De toestand van haar man had haar de laatste jaren al geen goed gedaan. Maar ze herpakte zich prompt. Altijd was ze een sterke vrouw, die ook nu deed wat ze al heel haar leven deed. De boel kordaat draaiende houden.

– Leon, ga onderpastoor Pannekoek halen, beval moeder.

Het klonk streng, resoluut, zonder emotie. Alsof ze het noodscenario al lang had voorbereid.

– En de dokter dan?

– Ja, ook natuurlijk. Ga naar dokter De Smedt op de Spoorweglaan. Die zal het wel verstaan. Haast u, Leon. Vraag aan de onderpastoor om direct mee te komen. Alleen hij en de dokter mogen weten wat er is gebeurd. Meer niet.

Ze hield hem even bij zijn arm en keek hem doordringend in zijn ogen om er zeker van te zijn dat hij het begrepen had. Hij gehoorzaamde en vertrok zonder verdere vragen.

 

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief