leesfragment

‘In het diepe’ van Fabio Genovesi

Duik in de levendige, fantasierijke wereld van de kleine Fabio. Hij woont in Toscane met zijn lieve, zwijgzame vader, beschermende moeder, zijn oma en zijn negen oudooms. Zijn chaotische, enorme familie lijkt onoverwinnelijk, tot een onverwachte gebeurtenis op kerstavond hun wereld op zijn kop zet: Fabio’s vader valt van een ladder en raakt in coma. Fabio besluit zijn vader elke week voor te lezen uit een van zijn handboeken, die hij wekelijks bij de kraam van mevrouw Stella koopt. Maar zal zijn vader ooit wakker worden?

In het diepe van Fabio Genovesi is een geestige, ontroerende roman over de overgang van kindertijd naar adolescentie, vol angst, eerste liefdes en naïviteit. Lees hier alvast de eerste pagina’s!

1
De vloek

Hoe we eraan gekomen zijn weet niemand. Misschien dat een van onze voorouders de graftombe van een farao heeft geschonden, of een heks boos heeft gemaakt of een dier heeft doodgestoken dat voor een of andere wraakzuchtige god juist heilig was. Het enige wat we zeker weten, is dat er sinds dat moment een vreselijke vloek op onze familie rust.

Het is rot, maar je doet er niks aan, dat is het eerste wat ik op school heb geleerd.

Of nee, het eerste wat ik op school leerde, direct bij binnenkomst, was dat er in de wereld nog een heleboel andere kinderen van mijn leeftijd bestonden, en dat al die kinderen hooguit een of twee opa’s hadden. Ik had er wel een stuk of tien.

Dat kwam doordat mijn opa van moederskant een hele trits broers had die alleen waren gebleven; ze waren nooit getrouwd en hadden zelfs nog nooit een vrouw de hand geschud, waardoor ik eigenlijk de enige nakomeling was van die enorme familie, en de kleinzoon van allemaal.

Er werd altijd om gevochten wie er iets met mij mocht doen.
Er werd altijd om gevochten wie er iets met mij mocht doen, en toen mijn opa doodging werd dat alleen nog maar erger. Dus toen hing oma Giuseppina een vel papier aan de grote plataan aan het eind van de weg met daarop de weekindeling: maandag vissen met opa Aldo, dinsdag jagen met opa Athos, woensdag een ijsje halen met Adelmo, donderdag vogels spotten met opa Aramis, enzovoorts, tot ze allemaal tevreden waren. Het enige wat er op het rooster ontbrak was een vrije dag om samen met mijn leeftijdgenootjes door te brengen. Want die zagen elkaar dus wel vaker, en ze kenden een heleboel maffe spelletjes waarvan ik die ochtend voor het eerst hoorde: verstoppertje, hinkelen, landjepik, de naam hoefde maar genoemd te worden en weg waren ze, rennend of springend volgens spelregels die voor mij idioot waren maar voor hen heel normaal. Aan de andere kant keken ze mij weer vreemd aan als ik vroeg hoeveel karpers ze die zomer hadden gevangen, en of ze een fazantenveer hadden om te ruilen.

Een fazant hadden ze nog nooit gezien, en van een karper wisten ze niet eens wat het was, en dus bekeek ik ze die eerste dag een beetje wantrouwig, die mysterieuze schepsels met veel spelletjes en weinig opa’s. Het leek wel of ik op Mars was beland, in een klas vol buitenaardse wezens.

Toen ik aan het einde van de eerste schooldag achter mijn moeder aan naar huis fietste, voelde ik me dan ook net een astronaut die terugkeert van een ruimtemissie, van een plek zo absurd en onvoorstelbaar dat ik even bang was dat ik in mijn eigen wereld de weg niet meer zou vinden, ook al reed ik door dezelfde straten als altijd. Onze straat was een smalle doodlopende weg waar al mijn opa’s een eigen huisje hadden gebouwd en waar verder niemand anders woonde. Aan het begin van de weg stond een houten bord met daarop de handgeschreven tekst:

WELKOM IN MANCINI-DORP
VERBODEN TOEGANG

Net als bij de thuiskomst van een astronaut stond er een hele menigte op me te wachten. Mijn familie liet me niet eens afstappen, maar vormde meteen een kring om me heen. Iedereen wilde weten hoe het was gegaan, hoe het met me ging, en of ze niets vervelends met me hadden uitgespookt.

Ik kon hun niet vertellen hoe ik me voelde, want dat wist ik zelf niet eens. Ik keek ze alleen maar stuk voor stuk aan, al die opa’s van me, en het leek wel of ik ze voor het eerst zag. En toen vroeg ik of ze het goed vonden als ik ze voortaan oom noemde.

‘Zie je nou wel?’ riepen ze tegen mijn moeder. ‘Daar heb je het al! We hadden hem nooit naar school moeten sturen!’

‘Daar heb je het al! We hadden hem nooit naar school moeten sturen!’
En ik was het met ze eens, ik wilde er nooit meer naartoe. Maar mijn moeder zei dat dan de politie zou komen om me in de gevangenis te stoppen. Toen ik vroeg hoe dat was, de gevangenis, bleek dat het niet zo heel anders was dan school, behalve dan dat ik helemaal naar Lucca zou moeten. Dus uiteindelijk ben ik toch naar school blijven gaan en zijn die buitenaardse wezens mijn klasgenootjes geworden, en al mijn opa’s veranderden in ooms: oom Aldo, oom Athos, oom Aramis, oom Adelmo, oom Arno, enzovoorts. Allemaal een naam die begint met de letter A. Net als hun vader en moeder, die Arturo en Archilda heetten, tot aan de allerlaatste die werd geboren, het jongetje dat mijn echte opa zou worden; die moest per se Rolando gaan heten. Na lang piekeren en negen maanden gekibbel hebben ze hem uiteindelijk Arolando genoemd.

Ik zweer het je: Arolando. En waarom hij nou per se Rolando moest heten, dat wist niemand. Dat was nou typisch iets voor mijn familie: achter elke onbenulligheid zat een oneindig verhaal met zijsporen en een duizelingwekkende hoeveelheid aan uiterst nauwkeurige details. Maar van de hoofdzaken wist niemand te vertellen hoe het zat, want daar had niemand het meer over. En als niemand het ergens meer over heeft, is er ook niemand meer die het onthoudt, en zo veranderen geheimen dus in mysteries.

Zoals bijvoorbeeld de reden achter de naam Rolando. En nog andere dingen, zoals die vloek die op ons rust, waarvan niemand wist hoe we eraan waren gekomen en waarom. Ik wist niet eens dat de vloek bestond, tot aan die middag in 1980 toen ik zes jaar was en net op school zat.

Ik was in de kruidenierszaak van mevrouw Teresa een waterijsje met citroensmaak aan het openmaken, terwijl mijn moeder met haar aan de toonbank stond te kletsen.

De winkel was dicht bij huis, en ik was er letterlijk groot geworden. In de zin dat ik als pasgeboren baby elke week door Teresa op de weegschaal voor de hammen en de worsten werd gelegd, en dan zei ze tegen mijn moeder hoeveel ons ik was aangekomen.

Blijkbaar was ik op die ene dag nog steeds niet groot genoeg, want zij en mijn moeder stonden zo te smiespelen dat ik er amper iets van snapte, om me te beschermen tegen dat geheim waardoor ik anders in één klap een stuk ouder zou zijn geworden.

Korte zinnetjes, keelklanken en blikken van verstandhouding, woordjes over en weer: als een tenniswedstrijd waarbij ik het net was en alle beetjes informatie over me heen moesten komen zonder me ook maar één keer te raken. Maar net als bij tennis was zo’n zin soms slecht geplaatst, en dan ving ik onbedoeld flarden op als: ‘Waar de hele klas bij was, Teresa’, of: ‘Zo gênant, die juf gaat hem nog aanklagen, en terecht!’

Daar was ik namelijk zelf bij geweest, helaas, die ochtend op school.
Ik sabbelde op mijn waterijsje, keek omhoog, en probeerde ondertussen de puzzelstukjes samen te voegen. Ik vond het stom dat mijn moeder en Teresa niet wilden dat ik hun gesprek kon volgen. Maar toen snapte ik het ineens en kon ik er wel om lachen, want dat verhaal dat de twee tennisspeelsters voor me verborgen probeerden te houden, kende ik het best van iedereen.

Daar was ik namelijk zelf bij geweest, helaas, die ochtend op school.

De juf behandelde de prehistorie en was aanbeland bij de grotten waarin behaarde mensen woonden die krom liepen en op apen leken, maar ik was ondertussen in mijn schrift een reusachtige dinosaurus aan het tekenen. Ik vond het heel jammer dat de dinosaurussen op een gegeven moment allemaal van de aardbodem waren weggevaagd, en dus maakte ik de mijne supersterk, met kieuwen zodat hij onder water kon ademen en met vleugels om van het gevaar weg te vliegen, en als de zondvloed kwam of een andere catastrofe, dan zou hij het overleven, en als dan de grootste rampspoed van allemaal op aarde verscheen, namelijk de menselijke soort, dan kon hij ze in één hap oppeuzelen.

Maar net toen ik aan de rij grote tanden in zijn opengesperde bek was begonnen, iets wat nogal ingewikkeld was en mijn uiterste concentratie vroeg, vloog de deur van de klas wijd open en knalde hard tegen de muur aan, alsof er een bom ontplofte. Van schrik schoot mijn hand uit en zette een streep over het hele vel, die het werk van een hele ochtend verprutste.

Normaal als je je rot schrikt slaat je hart over, maar daarna kun je weer op adem komen en is alles oké. Die ochtend kon dat niet, want toen ik na die harde klap mijn ogen opendeed en zag wat er aan de hand was, schrok ik nog honderd keer zo erg. In de opening van die half gesloopte deur stond namelijk oom Aldo, met een sigaret in zijn mond. Hij had die blik in zijn ogen die normaal alleen verscheen als hij heel boos was, bijvoorbeeld wanneer de wijn azijn was geworden, of wanneer een stoplicht ineens op rood sprong.

De juf vroeg eerst nog: ‘Zeg, wie bent u?’, maar toen wees mijn oom naar de schoolbanken en ging ze braaf bij ons op de voorste rij zitten.

‘Luister kinderen, let goed op,’ zei mijn oom met een stem als schuurpapier. ‘Vanochtend moeten jullie alle lulkoek maar even vergeten die ze jullie hier bijbrengen. Vandaag gaan we het over serieuze zaken hebben. Dus allemaal koppen dicht en geen geklooi, dan hebben jullie het zo onder de knie, begrepen?’

‘Pardon? Hebben jullie dan helemaal niks op deze school!
We knikten allemaal van ja, zelfs de juf.

‘Mooi zo. Dan kunnen we beginnen. Kan iemand me wat gaas geven?’

Er was geen gaas in de klas.

‘Kan gebeuren, ijzerdraad is ook goed.’

Maar zelfs dat hadden we niet.

‘Pardon? Hebben jullie dan helemaal niks op deze school! Nou ja goed, dan leg ik het zo wel uit, maar koppen dicht, en blijf stilzitten, anders zijn de rapen gaar.’

Hij pakte zijn sigaret tussen twee vingers en nam zo’n grote hijs dat de askegel oplichtte en vlam vatte, en daarna schoot hij hem uit het raam. Alleen was het raam dicht, waardoor de sigaret tegen het raam tikte en onder het bankje van Mirko Turini op de grond belandde. Mirko probeerde hem weg te schoppen, maar mijn oom schreeuwde boos: ‘Ik zei koppen dicht en geen geklooi!’, en dus deed hij zijn best om zich niet te verroeren en geen kabaal te maken terwijl hij zat te stikken.

Intussen begon mijn oom uit te leggen wat de ideale plek was om een kippenhok te bouwen: niet te dicht bij huis, want kippenstront stinkt, maar ook niet te ver weg, anders hoor je de vossen en de marters niet. En allemaal zaten ze aandachtig te luisteren, ook al snapten ze er geen woord van. Behalve ik dan, want ik begreep het maar al te goed. De dag ervoor hadden we het er namelijk toevallig over gehad hoe je een kippenhok moest bouwen. Dat zat zo: eigenlijk wilde mijn oom me meenemen om kakivruchten te jatten op het land van oom Arno. Dat terrein ligt helemaal aan het eind van onze weg, en als Arno hem betrapt, schiet hij een buks op hem leeg die geladen is met grove zoutkorrels. Maar als ik erbij ben niet, als ik erbij ben roept oom Aldo: ‘Ik ben met de kleine, ik ben met de kleine!’, en dan schiet Arno alleen maar in de lucht en roept: ‘Dief, vuile dief!’, en terwijl hij een stok zoekt, maken wij dat we wegkomen.

Maar ik kon op dat moment niet met oom Aldo mee, want ik moest mijn huiswerk nog afmaken.

‘Je wat?’

‘En hoeveel betaalt de juf je voor dat huiswerk?’
‘Mijn huiswerk.’

‘Wat is dat nou weer voor iets moderns?’

‘De juf op school geeft ons opdrachten die we thuis moeten maken.’

‘En hoeveel betaalt de juf je voor dat huiswerk?’

‘Niks, denk ik. Dat doe ik gratis.’

‘Aha, als je het gratis doet, dan kun je het ook doen wanneer het jou uitkomt, of gewoon niet.’

‘Maar dan wordt de juf boos.’

‘En waar haalt ze dat recht vandaan? Als ze je niet betaalt, kan ze ook geen eisen stellen. Denk maar niet dat zij gratis naar school komt, hè, zij wordt ook betaald.’

‘Echt?’

‘Nou en of, denk maar niet dat ze anders komt. En dat huiswerk zou ze eigenlijk zelf moeten maken, maar omdat ze er geen zin in heeft, schuift ze het op jou af. Laat je niet voor de gek houden. Vergeet die onzin, en kom mee.’

‘Dat lijkt me toch niet zo slim, oom. Ik hoef alleen nog deze rekensom te maken; als ik die af heb, kunnen we gaan.’

‘Verdorie! Nou, vooruit dan maar, laat eens zien, dan maken we hem samen. Ik heb je leren schrijven, dan kan ik je ook leren rekenen.’

Dat van dat leren schrijven was waar. Toen ik nog heel klein was, bracht ik de avonden met hem en de andere ooms door, en met opa Arolando, die toen nog leefde en samen met ons heel veel letters uit een dikke rol geel papier knipte, grote letters die we achter elkaar op een rode lap plakten om woorden te vormen. Die lappen werden vervolgens als spandoeken gebruikt in de betogingen van de communistische partij. Zo heb ik leren schrijven; ze lieten me zien hoe de A eruitzag en dan knipte ik er een heleboel, en daarna de B, en de C, enzovoorts, en toen de school begon en de juf het alfabet begon uit te leggen, kende ik het allang. Al was het in het begin wel verwarrend dat er twee letters ontbraken. Maar de juf zei van niet, dat ze er allemaal waren van A tot Z, en toen snapte ik dat de hamer en de sikkel niet in het alfabet zaten, ook al lieten mijn ooms me er altijd een heleboel knippen. Daarna heb ik geen probleem meer gehad met taal.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief