leesfragment

‘In slaap gevangen’ van Camilla Grebe

Het geluk heeft de achttienjarige Samuel in de steek gelaten en hij moet vluchten voor zowel een drugsbende als de politie. Een vacature voor verzorger van een gehandicapte jongen in een afgelegen huis aan de kust lijkt hem dan ook de perfecte manier om van de radar te verdwijnen. Manfred Olsson probeert ondertussen zijn verdriet en schuldgevoel over het ongeluk van zijn dochter te vergeten door zich op zijn werk te storten. Hij wordt belast met het onderzoek naar het aangespoelde lichaam van een jonge drugsdealer, een bekende van de politie, die al enkele maanden vermist werd.
Samuel raakt langzaam gewend aan zijn rol als verzorger, maar als hij ’s nachts wakker wordt van harde geluiden en geschreeuw, besluit hij zich stil te houden. Dan spoelt er nog een lichaam aan, dit keer van de zoon van een rijke familie.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van  In slaap gevangen van Camilla Grebe.

Manfred

We waren een vrij normaal gezin. Het was een ochtend als alle andere.

Zo’n ochtend waarvan je niet verwacht dat die enige betekenis kan hebben. Een van de vele onbeduidende dagen waaraan je geen belang toekent omdat je denkt dat ze geen verschil zullen maken. Gewoon nog een dag die doorgebracht en doorgekomen moest worden. Opgebracht en afgehandeld. Als een formulier dat moet worden ingevuld en voor vijf uur op de bus moet.

Afsaneh stond als eerste op, om Nadja pap te geven.

We waren een vrij normaal gezin.
Ik hoorde haar voetstappen – licht, bijna aarzelend, terwijl ze van de hal naar de keuken sloop. Alsof ze over dun ijs liep. Daarna het gerammel, het ruisen van de kraan en het tikje van de steelpan die op het fornuis werd gezet. Tot slot het ritmische geschraap van de garde op het metaal toen ze de pappoeder met het water mengde.

Vanuit mijn bed – nog warm van Afsanehs lichaam – hoorde ik Nadja jammeren en hoesten in de naastgelegen kinderkamer.

Het waren de geluiden van een doodgewoon gezin: van de moeder, mijn jonge vrouw, te jong misschien – er waren in elk geval mensen die dat vonden –, en van mijn dochter. En de stilte nadat de drie oudere kinderen uitgevlogen waren en mijn ex-vrouw op een ochtend in het voorjaar, niet veel anders dan deze ochtend, ons huis had verlaten, met een koffer die zo zwaar was dat ze hem niet had kunnen tillen als ze niet zo verschrikkelijk boos was geweest.

Maar dit dacht ik op dat moment allemaal niet, toen ik in bed lag, soezerig van de dromen van die nacht en de warmte van het bed. Pas achteraf krijgen dit soort kleine gebeurtenissen gewicht en betekenis.

Pas achteraf worden de trivialiteiten van het leven groter, krijgen ze tanden en achtervolgen ze je ’s nachts.

Het was een ochtend als alle andere. Bovendien was het Nadja’s derde verkoudheid in evenveel weken, en Afsaneh en ik waren doodop van het nachtwaken en geruststellen van onze dierbare, maar opstandige peuter.

We grapten erover – dat Nadja net een baby was als ze verkouden was. En volgens Afsaneh was het mijn eigen schuld, omdat ik er zelf voor gekozen had om na mijn vijftigste weer aan kinderen te beginnen.

Afsaneh deed de deur van de slaapkamer open.

Ze droeg Nadja op haar heup, en terwijl ze licht door haar knieën boog en Nadja wat hoger optilde om haar beter vast te kunnen houden, viel haar ochtendjas open en werd haar borst ontbloot, haar mooie borst, die, wonder boven wonder, van mij was geworden.

Ze vroeg of ik thuis kon blijven om voor Nadja te zorgen, en ik zei dat ik van plan was om even naar het Bureau te gaan.

De plek waar ik moorden en andere ernstige misdrijven oploste.
Het Bureau was het politiebureau in Kungsholmen in Stockholm. Al ruim twintig jaar mijn werkplek en synoniem met mijn baan, de tredmolen. De plek waar ik moorden en andere ernstige misdrijven oploste. Waar ik me bezighield met de slechtste kanten van de mens, verschillende weerzinwekkende varianten van het menselijk gedrag, waar de rest van de bevolking zich verre van kon houden.

Hoe kon ik dat zo belangrijk vinden?

Laat ze elkaar maar afmaken, denk ik bij mezelf. Laat ze elkaar maar verkrachten en in elkaar slaan. Laat de drugs maar stromen en de buitenwijken ’s nachts maar branden als fakkels. Maar laat mij er alsjeblieft buiten.

Ik weet nog dat Afsaneh haar voorhoofd fronste toen ik zei dat ik naar het Bureau wilde. Ze herinnerde me eraan dat het Hemelvaartsdag was en vroeg wat er zo belangrijk was wat ik moest doen. Vervolgens legde ze geduldig uit dat ze met een van haar promovendi had afgesproken om te gaan koffiedrinken en dat ze me dat de dag ervoor tijdens het eten al twee keer had verteld.

En zo gingen we nog even door.

We zaten te bakkeleien over wie er thuis zou blijven om voor Nadja te zorgen, alsof dat belangrijk was. Op een onnadenkende en vermoeiende manier, zoals de meeste gezinnen op een doorsneeochtend in het veilige en welvarende Zweden.

Toen Afsaneh naar haar afspraak met de promovendus was gegaan en Nadja naast me in ons brede bed lag en haar snotterige neusje op mijn wang drukte, voelde het eigenlijk best goed. Wat had ik vandaag nou op het Bureau te zoeken? De meeste collega’s waren toch vrij en de doden konden best tot morgen wachten.

Ik weet het niet meer precies, maar ik denk dat ik wat opgeruimd heb. Mijn knie deed ontzettend veel pijn en ik nam een paar Voltaren. Misschien dat ik ook stiekem een paar sigaretten onder de afzuigkap heb gerookt. Nadja zat voor de televisie, en ik moest het geluid harder zetten om het lawaai van de wegwerkzaamheden op Karlavägen te overstemmen.

Mijn oudste dochter, Alba, belde vanuit Parijs om te vragen of ze geld kon lenen. Ik zei kalm maar beslist dat ze dat maar aan haar moeder moest vragen omdat ik haar deze maand al drieduizend kroon extra had toegestopt. Bovendien hadden haar broer en zus, Alexander en Stella, helemaal niets gekregen. Dat is toch niet rechtvaardig?

Rechtvaardigheid, wat een merkwaardig concept, achteraf bezien.
Rechtvaardigheid, wat een merkwaardig concept, achteraf bezien.

Op een gegeven moment was Nadja het televisiekijken zat en bleef maar krijsen. Ik liep met haar door het huis en probeerde haar tevergeefs te kalmeren. Haar lijfje was gloeiend heet, dus ik gaf haar een paracetamol, ook al was Afsaneh daarop tegen – dat was ook iets waar we geregeld over zaten te bekvechten. Afsaneh vond dat je kinderen geen medicijnen mocht geven, tenzij ze op sterven lagen.

Misschien was het de paracetamol die Nadja rustiger maakte, of misschien was het de boterham die ik voor haar smeerde die het hem deed. Of misschien waren het de werkzaamheden op straat die haar uiteindelijk wisten af te leiden.

Ik zette haar op de vensterbank in de woonkamer, waar ze als betoverd naar de graafmachine stond te kijken, die drie verdiepingen onder ons langzaam de rijbaan opat, terwijl ze met haar puntige tongetje de boter van de boterham en het snot van haar bovenlip likte. We keuvelden wat over graafmachines, auto’s, vrachtwagens en motoren. Over allerlei soorten voertuigen.

Nadja hield van alles wat een motor had en lawaai maakte – dat hadden Afsaneh en ik al snel geconstateerd.

Op dat moment moet Afsaneh vanuit het koffietentje hebben gebeld.

Ik zette Nadja, onder luid protest, op de grond en liep de hal in om ongestoord te kunnen praten – ons hele huis trilde door het kabaal van de wegwerkzaamheden.

Afsaneh vroeg hoe Nadja zich voelde, en ik zei dat het prima ging, dat ze een boterham had gegeten en dat het vast allemaal wel meeviel – ze at en dronk immers.

Ik zei natuurlijk niets over de paracetamol.

Toen we ophingen, voelde ik meteen dat er iets mis was. Het was alsof de lucht verdicht was, alsof die tegen me aan drukte, een tactiel voorgevoel van een dreigend gevaar. Een tel later besefte ik dat ik juist op de afwézigheid van iets reageerde.

Het was stil.

De wegwerkers waren aan het pauzeren, en het enige wat ik hoorde, was mijn eigen ademhaling.

Ik liep de woonkamer in om bij Nadja te gaan kijken, maar de kamer was leeg, op haar zuigfles na, die in een plas sap op de grond lag, en de berg speelgoed die ze die ochtend tevoorschijn had gehaald.

Misschien dat op dat moment mijn bezorgdheid werd gewekt.
Misschien dat op dat moment mijn bezorgdheid werd gewekt, het oerinstinct waarover we allemaal beschikken, de neiging om je kind voor al het kwaad te behoeden.

Ik werd verblind door een zonnestraal, een felle streep licht die daar niet hoorde te zijn, om de simpele reden dat ons woonkamerraam in de schaduw ligt.

Ik draaide me om naar het licht, tuurde en keek de keuken in.

Het raam stond open en de zon werd in de ruit weerkaatst.

Toen realiseerde ik het me: Afsaneh had de dag ervoor de ramen gezeemd en moest de kinderbeveiliging vergeten zijn. Maar Nadja kon toch niet op de vensterbank klimmen en het raam openmaken? En waarom zou ze?

Op het moment dat ik de vraag voor mezelf formuleerde, wist ik waarom: de graafmachine, die vervloekte graafmachine.

Ik rende naar het open raam.

Ik rende, omdat dat het enige was wat ik kon doen. Ik rende, omdat je dat moet doen, omdat je geen keus hebt. Je mag je kind niet laten vallen, laten sterven. Dat is het enige in het leven wat je niet mag doen.

Met al het andere kun je wegkomen.

Buiten dansten de zonnestralen in het jonge groen van de bomen en beneden stonden de wegwerkers roerloos met een lege blik naar me te kijken. Een paar van hen renden met uitgestrekte armen naar het gebouw waarin we wonen.

Nadja hing aan de raamdorpel, en het merkwaardige was dat ze geen enkel geluid maakte, net als, naar verluidt, kinderen die verdrinken.

Haar vingertjes klampten zich aan de dorpel vast en ik wierp me op haar, want dat doe je. Je werpt je op je kind, je gaat voor ze door het vuur.

Je doet alles en een beetje meer.

En ik kreeg haar te pakken, ik voelde haar glibberige botervingertjes langzaam uit mijn hand glijden. Uit mijn grip, als een glad stukje zeep.

Ze viel.

Mijn kind viel op straat en ik kon haar niet tegenhouden.
Mijn kind viel op straat en ik kon haar niet tegenhouden.

Ik had er een seconde eerder moeten zijn, dat was het enige wat nodig was geweest, ik had een extra meter moeten afleggen in de tijdspanne waarin de tijd stil leek te staan en de schreeuw van de stilte in mijn oren weerklonk.

In een ander leven, in een parallel bestaan, had ik haar misschien kunnen redden.

Maar míjn kind viel.

Ze viel van de derde verdieping naar beneden, op straat, en ik kon niets doen om dat te voorkomen.

We waren een vrij normaal gezin.

Het was een ochtend als alle andere, maar daarna was niets meer hetzelfde.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief