leesfragment

Kinderboekentips voor de krokusvakantie – Dag 4

School’s out, tijd voor vakantie! En dat betekent veel vrije tijd. Of je gaat skiën, de zon opzoekt of lekker thuis blijft, wij geven je elke dag van de vakantie leuke doe- of leestips om je vrije dagen mee in te kleuren. Van jong tot oud! Vandaag trakteren we de tieners op een leesfragment uit Wish you were here‘.

Ik was het Kanaal overgestoken en stond na een lange treinreis te twijfelen aan mezelf, mijn plan en de mensheid toen ik een man naar me zag wuiven in de hal van Bournemouth Station. Ik stak mijn arm in de lucht en liep naar hem toe: er was geen weg terug. Mijn koffer denderde met een hels kabaal achter me aan, de man reikte me de hand en zei: ‘Hazel? Hi, I’m William.’ Ik zette mijn meest verantwoordelijke gezicht op, maar hij nam meteen de ko^er van me over en zei dat hij niet veel tijd had.

‘This family needs a leader,’ zei een jongetje op de achterbank van de gigantische gezinswagen – als het gezin uit nijlpaarden had bestaan had iedereen er nog in gepast. ‘Let maar niet op onze mopperpot,’ zei William toen hij de auto startte. ‘Daar komt ze toch voor, dad, om op me te passen?’ Het was een ritje van amper vijf minuten naar het huis van de Pickfords. Ik zat voorin en voelde de blik van het jongetje op de achterbank als een priemende vinger tussen mijn schouderbladen. ‘Ze heeft geen blond haar,’ zei hij tegen zijn vader. ‘Het is bruin.’ ‘Was er geen zusje, ook?’ vroeg ik. Ik schrok van mijn eigen stem. ‘Ze spreekt ook raar, hè dad.’ ‘Elizabeth slaapt, ik wilde haar niet wakker maken voor dat korte ritje,’ zei William tegen mij. ‘Alleen haar naam klopt. Hazel.’ En dat was zo. Thuis rook hij naar vieze sokken, maar hier niet: Hazel. Ik had een goede naam om naar Engeland te gaan.

We parkeerden voor een groot oud huis. De gevel zat vol gaten, alsof het huis onder vuur had gelegen, en het hout van de ramen was overgroeid met mos.
We parkeerden voor een groot oud huis. De gevel zat vol gaten, alsof het huis onder vuur had gelegen, en het hout van de ramen was overgroeid met mos. Het had zoveel charme dat het eerder geschetst leek dan gebouwd. In de gang struikelde ik over sportschoenen en William riep dat ik mijn koffer maar moest neergooien waar ik plaats vond. Hij had in zijn mails benadrukt dat de kinderen belangrijker waren dan het stof. Ik had eerst gedacht dat hij het filosofisch bedoelde, maar hij had het echt over het gruis onder kasten en bedden. Hij kon gerust zijn. Ik rolde mijn koffer tot bij de trap en zag in een flits een meisje met een surfboard onder haar arm. In de keuken bleek het gewoon een strijkplank te zijn, en het meisje de poetsvrouw. William betaalde haar en ze nam afscheid met een stil ‘Thank you, see you next week.’

William was groot en liep een beetje voorovergebogen, alsof hij vreesde dat hij anders vast zou komen te zitten tussen vloer en plafond. Hij had een donkerder blik dan op de foto’s die ik had gezien, maar wat vooral opviel was dat zijn achterste uitstak. Ik had nog nooit iemand ontmoet die tegelijk een scherp 007-profiel had én een dikke kont. Het was opmerkelijk, al betwijfel ik of hij het zelf besefte. Hij keek waarschijnlijk alleen in een spiegel om zijn tanden te poetsen. Van de moeder, Jo, was er maar één vage foto te zien geweest op de site. William liet me snel de keuken, de woonkamer en mijn slaapkamer zien. In looppas daalden we de trap weer af: William moest nog naar zijn werk, maar zou binnen een paar uurtjes terug zijn. ‘En het zusje?’ vroeg ik. ‘Die ligt op de eerste verdieping in de kamer naast de trap. De babyfoon staat aan, je hoort haar wel.’ ‘Maar zal ze niet schrikken als ze een onbekend gezicht boven haar bed ziet hangen?’ ‘Lizzie? Neehee, dat is ons zonnetje in huis, zij wordt werkelijk altijd blij wakker.’ ‘Ja. Maar niet altijd, hoor, dad,’ zei Isaac. Toen de deur achter William dichtsloeg, stond ik oog in oog met het jongetje van acht. Hij staarde naar mijn T-shirt en zei: ‘Rendieren zijn voor kerst.’ Met zijn ribfluwelen broek en ruitjeshemd zag hij eruit als een miniprofessor; zijn sluike haar lag plat op zijn hoofd alsof het een kale plek moest verbergen. Ik wist zeker dat hij naar een privéschool ging waar alle jongetjes er ongeveer zo uitzagen en hij er dus niet eens om gepest werd. Het maakte mij niets uit, want ik was hier maar voor één ding: B vergeten. ‘Is het goed als ik eerst mijn tas uitpak voor we samen iets gaan doen?’ vroeg ik aan Isaac. ‘Ja,’ zei hij.

Er was een wereld, daarbuiten – het was eens wat anders dan het rechthoekige schermpje waar ik de hele reis elke dertig seconden naar had gekeken om te controleren of er geen berichten waren van B.
Mijn nieuwe kamer was eigenlijk de kamer van Isaac: hij moest zolang bij zijn zusje slapen. Ik ging op het bed staan, kiepte het dakvenster open en keek naar buiten. Achter de tuin lag het kerkhof, chaotische rijen grijze grafstenen die van bovenaf van piepschuim leken. Rechts van de graven was een nieuwe wijk met identieke witte rijtjeshuizen. Er was een wereld, daarbuiten – het was eens wat anders dan het rechthoekige schermpje waar ik de hele reis elke dertig seconden naar had gekeken om te controleren of er geen berichten waren van B. Op een reis van vijf uur waren dat ongeveer zeshonderd teleurstellingen, de laatste honderd niet minder verwoestend dan de eerste. Tijdens het eindeloze staren dacht ik aan alle manieren waarop ik niet zou reageren op een bericht van B. Niet! Ik zou een steen zijn, niet bewegen. Dat zou B leren. Maar die plannen bleken voorbarig. Er kwam geen teken van leven. B was wel voortdurend online, zag ik. Ik kon doodgaan van verdriet, B vond dingen leuk. Ik zocht de zee in de verte en zag toen iets bewegen in de tuin van de buren: twee jongens die achter twee hondjes aan renden – of was het omgekeerd? Voor ik ze goed kon bekijken, werd er op de slaapkamerdeur geklopt. Dat kon maar één iemand zijn. ‘Kom maar binnen,’ zei ik en ik oefende alvast een glimlach. Isaac schuifelde naar binnen en ging netjes op de rand van zijn eigen bed zitten. ‘Is dat uitpakken?’ vroeg hij en hij keek naar de koffer die ongeopend op het bed lag. ‘Ik keek even uit het raam. Je kunt heel ver zien.’ ‘Ja. Vooral het kerkhof,’ zei Isaac. ‘Het is lief dat je je kamer aan mij geeft,’ zei ik. ‘Ja, maar je krijgt hem niet. Het is maar voor even, zegt dad. Tot mum terug is.’ ‘Dat is zo. Het is lief dat ik hem mag lenen, dan.’ ‘You’re welcome.’

‘Lizzie slaapt overal doorheen,’ zei hij vaderlijk terug. ‘Zelfs door ruzie.’
Ik ritste de koffer open, en de zijden jurk die mijn moeder bovenop had gelegd gleed van het bed af als een dier dat wegsloop. Ik zocht een kleerhanger, vond er geen en hing hem dan maar aan een haakje. Ik zou de jurk toch niet dragen. Isaac volgde me met zijn ernstige grote ogen. ‘Wat is je achternaam?’ vroeg hij. ‘Drieghe.’ ‘Degree?’ ‘Nee, Drieghe.’ Ik nam mijn identiteitskaart erbij. ‘Dreegee,’ las hij. ‘Wat wil dat zeggen?’ ‘Niets.’ ‘Ja. Maar alle namen betekenen iets.’ ‘Het is vast iets Bijbels,’ zei ik om ervan af te zijn. Ik zou hem niet aan de neus hangen dat Drieghe van ‘bedrieger’ kwam. ‘Ja,’ riep hij. ‘Alles komt uit de Bijbel!’ Hij deed zijn pantoffels uit, sprong op en neer op het bed en scandeerde: ‘Hazel Dreegee! Hazel Dreegee! You! Are! Hazel Dreegee!’ Ik voelde me meteen opgenomen in het gezin. ‘Je zusje niet wakker maken, Isaac,’ zei ik met een moederlijke autoriteit terwijl ik dat zusje nog niet eens had gezien. ‘Lizzie slaapt overal doorheen,’ zei hij vaderlijk terug. ‘Zelfs door ruzie.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief