leesfragment

‘Koninkrijk’ van Jo Nesbø

0

Roy Opgard heeft het afgelegen Noorse bergdorp waar hij is opgegroeid nooit verlaten, terwijl zijn jongere broer Carl zo snel hij kon naar Amerika is vertrokken – op de vlucht voor de spoken uit zijn verleden.
Dan keert Carl terug, met een mysterieuze vrouw en een dubieus plan om een luxehotel bij het dorp te bouwen. Oude rivaliteiten steken de kop op en het dorp komt onder hoogspanning te staan, waarbij de broers het mikpunt worden van allerlei verdachtmakingen. De gevolgen zijn niet te overzien; Roys wereld staat op instorten en hij zal moeten kiezen tussen zijn eigen familie of een toekomst waar hij nooit van durfde te dromen.

Ontdek hieronder het eerste hoofdstuk van Koninkrijk, de nieuwste thriller van grootmeester Jo Nesbø.

DEEL 1

1

Ik hoorde hem voordat ik hem zag.

Carl was terug. Ik weet niet waarom ik aan Dog dacht, dat was twintig jaar geleden, maar misschien vermoedde ik dat de reden van zijn plotselinge, onaangekondigde terugkeer weer dezelfde was als toen. Zoals altijd. Hij had de hulp van zijn grote broer nodig.

Ik stond op het erf en keek op mijn horloge. Halfdrie. Hij had een tekstbericht gestuurd, dat was alles, en gezegd dat ze er om twee uur zouden zijn. Maar mijn kleine broertje was altijd een optimist geweest, had altijd meer beloofd dan hij kon waarmaken.

Ik keek naar het landschap om me heen. Naar het kleine stuk dat onder me door het wolkendek piepte. De berghelling aan de overkant van het dal leek te drijven in een grijze zee. De vegetatie begon al rood te kleuren door de herfst hierboven. Boven me was de hemel helder en schoon als de blik van een onschuldig meisje. De lucht was koud en prikte in mijn longen als ik te diep ademhaalde. Ik had het gevoel helemaal alleen te zijn, dat ik de hele wereld voor mezelf had. Alhoewel wereld? Dit was eerder de berg Ararat met een boerderij erop. Soms namen toeristen vanuit het dorp de slingerende weg naar boven om van het uitzicht te kunnen genieten en dan eindigden ze altijd hier op het erf. En dan vroegen ze vaak of dit boerderijtje nog wel in bedrijf was. De reden voor die idioten om het over een boerderijtje te hebben was waarschijnlijk dat ze dachten dat een echte boerderij eruit moest zien als de boerderijen in het dal. Met grote akkers, overdreven grote schuren en flinke, opvallende woonhuizen. Ze hadden duidelijk niet gezien wat een storm in de bergen kon doen met een te groot dak of ooit geprobeerd een iets te ruime kamer te verwarmen als het buiten hard waaide en dertig graden vroor. Ze kenden het verschil niet tussen akkers en grond en dat het vee van zo’n boerderij veel ruimte nodig had om te grazen. Het kon een afgelegen koninkrijk zijn, maar vele malen groter dan de boerderijen in het dal met hun onnatuurlijk goudgele graanvelden en cultuurlandschap.

Ik had hier vijftien jaar alleen gewoond, maar dat was nu dus voorbij.
Ik had hier vijftien jaar alleen gewoond, maar dat was nu dus voorbij. Een v8 bromde en gromde ergens beneden in het wolkendek. Het geluid was zo dichtbij dat de auto halverwege de berg de Japanse bocht al door moest zijn. De bestuurder gaf gas, minderde weer vaart, nam de haarspeldbocht en gaf weer gas. Dichter- en dichterbij. Je kon horen dat hij deze bochten eerder had genomen. En nu ik de nuances in het motorgeluid kon onderscheiden, de diepe zuchten als er geschakeld moest worden, de zware bastoon die alleen een Cadillac in een lage versnelling heeft, wist ik dat het om een DeVille ging. Net zo eentje als de zware, zwarte auto die vader had gehad. Uiteraard.

En daar kwam de agressieve grillebek door de Geitesving – de geitenbocht. Zwart. Een nieuwer model, ik gokte rond 1985, maar met hetzelfde geluidsarsenaal.

De auto stopte naast me en het raam aan de bestuurderskant gleed naar beneden. Ik hoopte dat het niet te zien was, maar mijn hart bonkte als een razende. Hoeveel brieven, tekstberichten, mails en telefoongesprekken hadden we al deze jaren uitgewisseld? Niet veel. En toch: was er een dag voorbijgegaan dat ik niet aan Carl had gedacht? Nauwelijks. Maar Carl missen was beter dan dealen met de Carl-problemen. Allereerst viel me op dat hij ouder was geworden.

‘Pardon meneer, maar zijn we hier bij de boerderij van de beroemde Opgard-broers?’

En toen grijnsde hij. Hij zond me die warme, goede, onweerstaanbare glimlach en het was alsof de tijd zowel van zijn gezicht als van de kalender die zei dat het vijftien jaar geleden was, werd weggeveegd. Maar zijn blik had ook iets onderzoekends, het leek of hij het badwater testte.

Ik had geen zin om te lachen. Nog niet, maar ik kon het niet laten.

Het portier ging open. Hij spreidde zijn armen en ik liet me vangen. Iets in me zei dat het andersom zou moeten zijn, maar ergens onderweg was de rolverdeling tussen Carl en mij vervaagd. Hij was groter geworden dan ik, lichamelijk en als persoon, en het leek of hij het dirigeerstokje had overgenomen. Dat was zeker het geval als we in gezelschap van anderen waren. Ik sloot mijn ogen, huiverde en haalde bevend adem, snoof de geur op van herfst, van Cadillac en van mijn kleine broer. Hij gebruikte een of andere mannengeur.

Het portier aan de passagierskant ging open Carl liet me los en nam me mee rond de enorme motorkap van de auto naar de vrouw die uitkeek over het dal.

‘Het is hier echt mooi,’ zei ze.
‘Het is hier echt mooi,’ zei ze. Ze was klein en tenger, maar haar stem was zwaar. Het accent duidelijk en ze maakte fouten in de uitspraak, maar het was tenminste Noors. Ik vroeg me af of dit de zin was die ze onderweg had geoefend en die ze beslist wilde uitspreken of ze het nu meende of niet. Iets waardoor ik haar sympathiek zou vinden of ik dat nu wilde of niet. Toen draaide ze zich om en lachte. Het eerste wat me opviel was dat haar gezicht wit was. Niet bleek, maar wit als sneeuw waardoor het zonlicht reflecteerde en je amper de gezichtscontouren kon zien. Het tweede was dat het ene ooglid half naar beneden hing, als een rolgordijn, alsof ze slaperig was. Maar de andere helft zag er wakker uit. Een levendig bruin oog dat me van onder kortgeknipt vlammend rood haar aankeek. Ze droeg een eenvoudige zwarte tailleloze jas en daaronder waren geen vrouwelijke vormen te bespeuren. Boven de kraag stak een zwarte coltrui uit. Kort samengevat was de eerste indruk die van een magere jongen op een zwart-witfoto wiens haar later was ingekleurd. Carl was altijd populair geweest bij de meisjes dus ik moet eerlijk zeggen dat ik verbaasd was. Niet dat ze niet schattig was, maar ze was geen stuk, zoals ze vroeger zeiden. Ze bleef lachen en aangezien de tanden niet veel verschilden van haar huid, betekende het dat ze ook wit waren. Carl had ook witte tanden, in elk geval die had hij altijd gehad, in tegenstelling tot ikzelf. Carl plaagde me er altijd mee dat zijn tanden gebleekt werden door het zonlicht omdat hij veel meer lachte. Misschien dat ze daarom voor elkaar waren gevallen: witte tanden. Het spiegelbeeld. Want hoewel Carl lang en breed was, blond haar en blauwe ogen had, zag ik direct een verwantschap. Een positieve levenshouding. Optimisme, de wil om het beste in de mensen te zien. In zichzelf en de ander. Nou ja, ik kende het meisje natuurlijk nog niet.

‘Dit is…’ begon Carl.

‘Shannon Alleyne,’ onderbrak ze hem met haar baritonstem en ze stak een hand uit die zo klein was dat hij het gevoel had een kippenpoot vast te houden.

‘…Opgard,’ voegde Carl er trots aan toe.

Shannon Alleyne Opgard wilde mijn hand langer vasthouden dan ik. Ook dat herkende ik van Carl. Sommige mensen hebben het drukker met geliefd gevonden te worden dan anderen.

‘Jetlag?’ vroeg ik en ik had meteen spijt, ik voelde me een idioot dat ik het vroeg. Niet omdat ik niet wist wat een jetlag was, maar omdat Carl wist dat ik nog nooit een tijdzone was gepasseerd en dat het antwoord om die reden voor mij maar beperkte betekenis zou hebben.

Carl schudde zijn hoofd. ‘We zijn twee dagen geleden geland, maar moesten wachten op de auto die met de boot kwam.’

Ik knikte en keek naar het kenteken. MC, Monaco. Exotisch, maar niet exotisch genoeg om te vragen of ik het nummerbord mocht hebben als de auto in Noorwegen werd geregistreerd. In mijn kantoor van de benzinepomp had ik verlopen kentekenplaten hangen van Frans-Equatoriaal-Afrika, Birma, Basutoland, Brits Honduras en Johor. De lat lag hoog.

Het beetje spanning dat er was geweest verdween.
Shannon keek van Carl naar mij en weer terug. Ze glimlachte. Ik weet niet waarom, misschien was ze gewoon blij Carl met zijn grote broer – zijn enige naaste familielid – te zien lachen. Want het beetje spanning dat er was geweest verdween. Omdat hij – omdat zij tweeën – thuis waren. ‘Laat jij Shannon het huis zien terwijl ik de koffers naar binnen breng?’ vroeg Carl. Hij opende de trunk zoals vader altijd zei.

‘Dat duurt ongeveer net zolang,’ mompelde ik tegen Shannon die achter me aan liep.

*

We liepen rond het huis naar de hoofdingang die op het noorden lag. Waarom vader de voordeur niet aan de kant van het erf en de weg had geplaatst, weet ik eerlijk gezegd niet. Misschien omdat hij elke dag als hij naar buiten stapte graag naar de grond van zijn boerderij keek. Of misschien omdat het belangrijker was dat de zon de keuken opwarmde dan de gang. We stapten over de drempel en ik opende een van de drie deuren in de gang.

‘De keuken,’ zei ik en het viel me op dat het er naar ranzig vet rook. Was dat de hele tijd al zo?

‘Wat mooi,’ loog ze. Oké, ik had opgeruimd en zelfs schoongemaakt, maar mooi was het niet. Met grote ogen, en misschien wel wat bezorgd, volgde haar blik de kachelpijp die van de houtkachel door een gat dat, met voldoende ruimte zodat het plafond geen vlam kon vatten, uit het plafond was gezaagd naar de eerste verdieping ging. Het gat was zo perfect rond dat vader het een kunstwerk noemde. Dat was overigens – samen met de twee ronde gaten in de buiten-wc – het enige kunstwerk op de boerderij.

Ik deed het licht aan en weer uit om haar te laten zien dat we ondanks alles wel elektriciteit hadden.

‘Koffie?’ vroeg ik en ik draaide de kraan open.

‘Bedankt, later misschien.’

De beleefdheidsfrasen had ze in elk geval geleerd.

‘Carl zal wel zin in koffie hebben,’ zei ik, het keukenkastje opentrekkend. Ik rommelde en vond achterin de koffieketel. Het was immers een tijd geleden dat ik koffie had gezet. Ik had genoegen genomen met poederkoffie. Toen ik de ketel onder de kraan zette, merkte ik dat ik uit gewoonte de warme kraan had opengedraaid. Ik voelde dat ik het warm kreeg. Maar wie had besloten dat poederkoffie met warm water uit de kraan triest moest zijn? Koffie is koffie en warm is warm.

Ik voelde dat ik het warm kreeg.
Ik zette de ketel op de kookplaat, deed het fornuis aan en was in twee stappen bij een van de twee kamers die aan weerszijden van de keuken lagen. De ene ruimte was de eetkamer die in de winter niet werd gebruikt omdat die als buffer werkte tegen de wind en kou uit het westen. In de winter aten we in de keuken. Aan de andere kant lag de woonkamer met de boekenkasten, de televisie en een eigen houtkachel. Aan de zuidkant had vader het enige extravagante van het huis gebouwd, wat hij de porch noemde en moeder de wintertuin. Hoewel die in de winter natuurlijk grondig was afgesloten en gebarricadeerd met luiken. Maar ’s zomers zat vader daar te genieten van zijn Berry-snus en dronk hij Budweiser. Ook dat was een extravagantie. Hij moest naar de stad om dat bleke Amerikaanse bier te kopen, de zilverkleurige blikjes met de porties Berry-snus werden hem over de grote plas toegestuurd door een Amerikaans familielid. Vader had me al jong uitgelegd dat het verschil met die Zweedse rotzooi was dat de Amerikaanse snus door een fermentatieproces was gegaan en dat merkte je aan de smaak. ‘Net als bij bourbon,’ zei vader, die beweerde dat de Noren die Zweedse troep gebruikten omdat ze niet beter wisten. Nou, ik wist dus beter en toen ik snus begon te gebruiken, was dat Berry. Carl en ik telden altijd het aantal lege flesjes dat hij in het raamkozijn zette. We wisten dat als hij er meer dan vier dronk, dan kon hij gaan huilen en niemand wilde zijn vader zien huilen. Nu ik erover nadenk is het waarschijnlijk om die reden dat ik nooit meer dan twee flesjes bier drink. Ik wilde niet huilen. Carl werd alleen vrolijker dus ik denk dat hij er minder behoefte aan had dergelijke grenzen te trekken.

Dat dacht ik dus allemaal, maar ik zei niets terwijl we de trap op gingen en ik Shannon de grootste slaapkamer wees die vader de masterbed­room noemde.

‘Fantastisch,’ zei ze.

Ik liet haar de nieuwe badkamer zien, die niet nieuw meer was, maar wel het nieuwste in huis. Ze had het vast niet geloofd als ik haar vertelde dat we zonder badkamer waren opgegroeid. Dat we ons beneden in de keuken wasten met water dat op de kachel was opgewarmd. Dat de badkamer pas na het auto-ongeluk kwam. Als het klopte wat Carl had geschreven, dat zij van Barbados kwam, uit een gezin dat voldoende geld had om haar naar een universiteit in Canada te sturen, dan zou het uiteraard moeilijk voor haar zijn zich voor te stellen dat je het vuile badwater deelde met je broer terwijl je in de winter stond te bibberen van de kou. Ondertussen had vader, paradoxaal genoeg, een Cadillac DeVille op het erf staan want een fatsoenlijke auto moesten we hebben.

De deur van de jongenskamer was duidelijk uitgezet want ik moest hard trekken aan de deurklink om hem open te krijgen. Een geur van stof en herinneringen sloeg ons tegemoet, alsof je een kledingkast opentrok met oude kleren waarvan je allang vergeten was dat je die had. Langs de ene lange muur stond een bureau met twee stoelen naast elkaar. Langs de andere muur over de volle lengte een stapelbed. Aan het voeteneind kwam de kachelpijp uit een gat in de vloer.

‘Hier sliepen Carl en ik,’ zei ik.

Shannon knikte. ‘Wie lag boven?’

‘Ik,’ zei ik. ‘De oudste.’ Ik ging met mijn vinger over de laag stof op de rugleuning van een van de stoelen. ‘Ik verhuis hier vandaag naartoe zodat jullie de grote slaapkamer kunnen krijgen.’

‘Maar lieve Roy, we willen je toch niet…’
Ze keek me verschrikt aan. ‘Maar lieve Roy, we willen je toch niet…’

Ik concentreerde me om mijn blik te richten op haar ene geopende oog. Is het niet een beetje raar om bruine ogen te hebben als je rood haar en een huid wit als sneeuw hebt? ‘Jullie zijn met z’n tweeën, ik ben alleen en het is geen probleem. Oké?’

Ze liet haar blik weer door de jongenskamer gaan. ‘Bedankt,’ zei ze.

Ik liep voor haar uit naar de kamer van vader en moeder. Ik had goed gelucht. Hoe mensen ook ruiken, ik hou niet van hun geur. Behalve dan van die van Carl. Carl rook niet lekker, maar goed. Hij rook naar mij.

Naar ons. Als Carl ’s winters ziek werd – en dat werd hij altijd – kroop hij tegen me aan. En hij rook zoals hij moest ruiken, zelfs als zijn huid bedekt was met opgedroogd koortszweet en zijn adem naar braaksel stonk. Ik snoof Carl op en kroop huiverend dicht tegen zijn gloeiende lichaam aan. Gebruikte de warmte die hij verloor om mijn eigen lijf op te warmen. De koorts van de een, de verwarming van de ander. Je wordt praktisch als je hier op de berg woont.

Shannon liep naar het raam en keek naar buiten. Ze had haar jas nog aan. Kennelijk vond ze het koud in huis. In september. Dat beloofde niet veel goeds voor de winter. Ik hoorde Carl de smalle trap op stommelen met de koffers.

‘Carl zegt dat jullie niet rijk zijn,’ zei ze. ‘Maar alles wat ik van hieruit zie, is van jou en hem.’

‘Dat klopt. Maar het is alleen maar grond.’

‘Alleen maar grond?’

‘Wilde natuur,’ zei Carl die hijgend en lachend in de deuropening stond. ‘Grond waarop de schapen en geiten grazen. Op een berg heb je niet veel akkers om gewassen op te verbouwen. En zoals je kunt zien, is er ook niet veel bos. Maar we gaan wat aan de skyline doen, of niet, Roy?’

Ik knikte langzaam. Net zo langzaam als de boeren in mijn jeugd hadden geknikt terwijl ik vermoedde dat er zich zoveel gecompliceerde gedachten achter hun gerimpelde voorhoofden afspeelden dat het misschien onmogelijk was dat allemaal uit te spreken in ons eenvoudige dorpstaaltje. Bovendien leken ze een stilzwijgend begrip te hebben voor elkaar, deze volwassen, knikkende mannen, omdat het ene langzame geknik vaak werd beantwoord door geknik van de ander. En knikte ik langzaam. En begreep ik er ook niet veel van.

Ik had het natuurlijk allemaal aan Carl kunnen vragen, maar het antwoord had ik toch niet gekregen.
Ik had het natuurlijk allemaal aan Carl kunnen vragen, maar het antwoord had ik toch niet gekregen. Ja, plenty antwoorden, maar niet hét antwoord. En misschien wilde ik dat ook helemaal niet, ik was gewoon blij Carl weer terug te hebben en ik was niet van plan hem nu lastig te vallen met de vraag: waarom was hij in godsnaam teruggekomen?

‘Roy is zo aardig,’ zei Shannon. ‘Hij heeft ons deze kamer gegeven.’

‘Ik ging ervan uit dat je niet terugkwam om in je jongenskamer te slapen,’ zei ik.

Carl knikte langzaam. ‘Als dank is dit niet veel,’ zei hij en hij hield een zwarte doos omhoog. Ik zag direct wat het was. Berry.

‘Verdomme, wat goed om je te zien, broer,’ zei Carl met verstikte stem, hij liep op me af en sloeg zijn armen om me heen. Hij drukte me nu stevig tegen zich aan en ik deed dat met hem. Ik voelde dat zijn lichaam iets zachter was geworden, iets meer vulling. De huid van zijn kaak tegen de mijne iets slapper, ik voelde het raspen van zijn baard alhoewel hij zich pas geschoren had. De wol van zijn colbert voelde zacht aan, dichtgeweven. En hij droeg een overhemd, dat deed hij vroeger nooit. Zelfs zijn Noors was anders, hij sprak nu de grotestadstaal die wij af en toe spraken als we moeder nadeden.

Maar het was goed. Hij rook net als vroeger. Hij rook naar Carl. Hij hield me een eindje van zich af en keek me aan. Zijn mooie meisjesogen waren vochtig. Verdomme, dat waren die van mij ook.

‘De koffie kookt,’ zei ik zonder dat mijn stem erg schor klonk en ik liep de trap af.

*

Toen ik die avond in bed ging liggen, luisterde ik naar de geluiden. Of het huis anders klonk nu er meer mensen woonden. Dat deed het niet. Het kraakte, steunde en fluisterde als altijd. Ik luisterde ook naar de geluiden uit de masterbedroom. Het huis was gehorig want hoewel de badkamer tussen de twee slaapkamers lag, kon ik stemmen horen. Hadden ze het over mij? Vroeg Shannon aan Carl of zijn grote broer altijd zo stil was? Dacht Carl dat Roy de chili con carne die ze had gemaakt wel lekker vond? Vond deze zwijgzame broer het cadeau eigenlijk wel leuk dat ze hem had gegeven en waarvoor ze zoveel moeite had gedaan? Een verlopen nummerbord van Barbados dat ze via familie te pakken had gekregen. Mocht deze grote broer haar wel? En Carl antwoordde dat Roy altijd zo deed tegen vreemden, dat ze hem wat tijd moest geven. En ze zei dat Roy misschien wel jaloers op haar was, dat Roy vast het gevoel moest hebben dat ze zijn broer had afgepakt, het enige familielid dat hij immers had. En Carl lachte, streelde haar over haar wang en zei dat ze na één dag niet moest piekeren over dergelijke zaken, dat het wel goed zou komen. En ze legde haar hoofd onder zijn kin en zei dat hij gelijk had, maar dat ze in elk geval blij was dat Carl niet was zoals zijn broer. Dat het vreemd was om je in een land zonder criminaliteit te gedragen alsof je constant op je hoede moest zijn voor een overval.

Of misschien deden ze het wel.
Of misschien deden ze het wel.

In het bed van vader en moeder.

‘Wie lag boven?’ zou ik morgen bij het ontbijt vragen. ‘De oudste?’ En dan die verbaasde gezichten zien. Daarna zou ik de bijtende ochtendlucht in lopen, in mijn auto gaan zitten, de handrem eraf halen, het stuurslot voelen en de Geitesving zien.

Buiten klonk een lange, mooie en trieste roep. Een goudplevier. De eenzaamste vogel in de bergen, slank en ernstig. Een vogel die je volgt op je wandeling, die over je waakt, maar altijd op veilige afstand. Alsof hij bang is bevriend te raken, maar toch nodig heeft dat iemand naar hem luistert als hij roept over zijn eenzaamheid.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief