leesfragment

‘Lam’ van Hannelore Bedert

In oktober bracht Hannelore Bedert haar debuutroman Lam uit. De singer-songwriter schreef een meedogenloos, maar ook een emotioneel en aangrijpend verhaal. Lam doet je nadenken over het leven en hoe verschillend we kunnen liefhebben.

In Lam staat een ijzersterk hoofdpersonage centraal. Lucia, die murw wordt geslagen door het leven, besluit na het overlijden van haar vader haar lot in eigen handen te nemen. Ze keert terug naar haar geboortedorp, waar haar moeder al die jaren geleden verdween. Lucia gaat er de strijd aan met haar ellende en besluit voorgoed met het verleden af te rekenen.

Lees hieronder de eerste pagina’s uit het boek!

1.
Terwijl ze daar stond, in het vage schijnsel van het badkamer licht, besefte Lucia dat ze alleen haar ondergoed aanhad. Ze wachtte en zag hoe hij ongegeneerd aan zijn buik krabde. Misselijkheid trok van haar maag naar haar keel.

‘Ik weet niet meer hoe je heet,’ mompelde hij en wreef zich in zijn ogen.
Enigszins beduusd keek hij haar aan en schoot toen in een onbedaarlijke lach. ‘Ik heb er echt geen flauw idee van. Echt niet.’ En terwijl hij om zich heen keek: ‘Wat voor donker hol is dit eigenlijk? Heb je geen lampen hier?’

Ze bekeek de jongen, wilde hem zo snel mogelijk haar flat uit hebben.

‘Nee, hier is geen licht,’ zei ze. ‘En de rolluiken kunnen niet omhoog, die zitten al enkele jaren vast. En ik weet ook niet hoe jíj heet, laat staan hoe je hier bent beland. Maar als het van mij afhangt, dan kennen we elkaar niet. Je bent te jong. Te mager. En je hebt te veel haar. Je moet weg. Nu.’

Ze zag hoe elk woord aankwam, hoe de jongen eerst nog bleef lachen, hoe die lach overging in verbazing en hoe hij daarna ineenkromp.

Ze had meteen spijt van haar woorden, maar hij deed wat van hem werd gevraagd. Hij stapte uit haar bed, trok zijn jeans aan die op de grond lag, griste zijn T-shirt en zijn trui mee en liep naar de deur. Toen hij haar passeerde, keek hij haar heel even aan, verzamelde al z’n moed en zei: ‘Wat ben jij een koude ouwe trut, zeg.’

Het had mooi kunnen zijn. Dat wist ze ook wel.

Het had mooi kunnen zijn. Dat wist ze ook wel. Op een ander moment, een andere dag. Maar niet nu. Nu was het lelijk, vreemd. Een fout.

Ze had op haar zij gelegen, met haar rug tegen de kille muur gedrukt, in het bed dat niet gemaakt was voor twee. Ze had naar hem gekeken, zich afgevraagd hoe en waarom hij ’s nachts het monopolie over het laken had verkregen. Ze had gezien hoe zijn borstkas onregelmatig bewoog, zijn ademhaling diep en zwaar. Het leek of hij zich ’s nachts had gemummificeerd met het laken, vanaf z’n voeten tot net onder z’n borstkas. Vanaf die bleke, magere borstkas vertrok haar, veel haar, dat in z’n hals halt hield en daarna slechts hier en daar aanwezig was. Het leek of zijn lichaam niet goed wist wat het wilde.

En hij was jong. Veel te jong.

Ze wist niet meer wanneer ze in slaap gevallen was en het moment had gemist waarop ze hem nog vriendelijk de deur had kunnen wijzen. Dat cruciale moment. Die luttele seconden waarin het voor beide partijen – pijnlijk of niet pijnlijk, maar hoe dan ook – duidelijk wordt dat het gebeuren eenmalig is. Dat ene moment dat kan zorgen voor zo min mogelijk ongemak bij een eventuele volgende ontmoeting.

Mits dus de juiste beslissing werd genomen. De beslissing die ze nu niet had genomen. Omdat ze sliep. Een beslissing die hij ook niet genomen had. Hij, die had kunnen vertrekken als hij dat had gewild. Ongemerkt had hij uit het bed kunnen stappen en naar de deur sluipen, met zijn kleren opgerold in zijn armen. Ze zou hem niet hebben tegengehouden. Misschien had het feit dat ze in slaap was gevallen hem de hoop gegeven dat dit voor herhaling vatbaar was.

Een teveel aan schraal bier en een aantal zeer doorzichtige versierpogingen. En het moment waarop ze toegaf. Daar stopte de herinnering. Daar stopten ze altijd.

En nu was hij weg.

Hooguit twintig, dacht ze. Ouder kon hij niet zijn. Ze vervloekte zichzelf om het eeuwige verbreken van de belofte alleen iemand van haar eigen leeftijd mee naar huis te nemen.

Beneden sloeg de voordeur dicht. Ze kromp ineen van de klap.

Lucia wachtte een hele tijd. Toen ze uiteindelijk de rolluiken optrok, stroomde fel zonlicht naar binnen. Het deed pijn aan haar ogen. Beneden op straat liepen mensen. Aan de luide kinderstemmen te horen was het speeltijd op de school ernaast. Of was het al middagpauze? Ze maakten te veel lawaai, dat stond vast. Hoe komt het dat kinderen zo vrolijk kunnen zijn?

Lucia vloekte. Kostbare ochtenduren verslapen dus. Vrije uren die ze zou moeten koesteren en gebruiken, maar die ze, als zo vaak, verspeeld had aan drank, hoofdpijn en slaap. En aan onbekende mannen in haar bed. Jongens, zo bleek.

Ze liet de rolluiken weer zakken, ging op bed liggen en rolde zich op tot een bolletje. Ze trok haar benen op en legde haar hoofd tegen haar knieën. Alles in haar kreunde en steunde. Ze vervloekte zichzelf. Hoeveel ochtenden zoals deze had ze niet gehad de laatste twee maanden? Ze wist dat ze niet mocht drinken.

Iemand die wist wie ze was. Iemand die haar in de gaten kon houden.

Ze had een zus nodig, dat was het. Of een broer. Of een vriend. Iemand die ze kon bellen. Iemand die wist wie ze was. Iemand die haar in de gaten kon houden.

Misschien moest ze Louise bellen. Louise wist altijd raad. Met Louise was alles beter. Met Louise of met haar platen. Haar platen, haar lieve, mooie vinyl, het enige tastbare waar Lucia nog warmte voor voelde en dat ze met veel zorg behandelde. Mocht iemand haar vragen wat ze zou meenemen als haar flat in brand stond, dan zou ze antwoorden dat ze al haar platen in haar armen zou nemen en uit het raam zou springen. Blij. Lachend. Klaar voor iets nieuws.

Maar niemand vroeg haar dat ooit. Zonder van haar bed op te staan, trok ze Mellow Gold van Beck uit de stapel, zette de plaat op en brulde: ‘I’m a loser baby, so why don’t you kill me’, tot de stem van de bovenbuurvrouw haar gehuil overstemde in een poging het volume naar beneden te krijgen.

Lucia huilde nog wat luider en drukte daarna haar hoofd onder het kussen.

Na een uur extra slaap bonsde haar hoofd nog altijd. Ze sleepte zich naar de badkamer, douchte even lang als ze had geslapen en ging voor de spiegel staan. Haar krullen, git- zwart gekleurd, sprongen alle kanten uit. Ze draaide ze samen, kneep er een speld omheen, sloeg op haar wangen om de bleekheid wat te camoufleren en ging de deur uit.

Lopen, dacht ze, lopen lost alles op. Ze leek dan misschien een wandelend lijk, ze bleef tenminste niet bij de pakken neerzitten. Al aan het eind van de straat snakte ze naar een glas wijn.

Op het Herenplein gonsde het van de bedrijvigheid. De laatste wagens van de ochtendmarkt waren ingeladen, de vrije plaatsen werden ingenomen door terrastafels en felgekleurde bankjes.

Ze koos een tafeltje in het midden van het plein en bestelde een glas water. Vijf seconden later holde ze de ober achterna om haar bestelling te veranderen in een glas rode wijn. Ze probeerde het medelijden in de blik van de man te negeren.

Terwijl ze wachtte op het verlossende glas checkte ze haar mail op haar telefoon. Niks. Zelfs geen reclame. Ze zuchtte, nam zich voor om die dag niet meer naar haar telefoon te kijken en haar leven aan te pakken, iets te doen met haar dagen.

Toen de ober haar glas bracht, wist ze al dat ze zich zoveel kon voornemen als ze wilde, maar dat het niks zou worden die dag.

Ze wist niet waar het altijd opnieuw fout liep, maar het lukte haar niet. De voorbije tien jaar waren een aaneenschakeling geweest van te veel vrije dagen, te weinig werk, saaie gesprekken met arbeidsconsulenten, facturen, herinneringen en aanmaningen van deurwaarders, vier verhuisweekends en evenveel uitgewoonde flats, een triest kijkende dikke kat als verjaardagscadeau (van wie wist ze niet meer), spijtige ontmoetingen, overmatig drankgebruik, ochtendlijke paniekaanvallen, een sporadische morning-afterpil, een doodgereden kat (nota bene door haarzelf en zonder voorbedachten rade), tijdelijke baantjes in schoenenwinkels, magazijnen vol wegwerpspullen en een bejaardentehuis waar de geur van ziek zijn niet weg te poetsen viel.

Maar als iemand vroeg hoe het ging, antwoordde ze altijd ‘goed’.

Maar als iemand vroeg hoe het ging, antwoordde ze altijd ‘goed’. Op sommige dagen zei ze zelfs ‘heel goed’.

Alleen tegen Louise durfde ze te zeggen dat het niet goed ging. Maar ze had Louise al lang niet gezien, hoewel zij haar voorbeeld én haar zwakte was.

Louise, bijna veertig maar zo mooi als een meisje van twintig, had een puberzoon van vijftien en woonde met hem in een groot herenhuis in het oude hart van de stad. Ze had een miljonair als ex, die zijn schuldgevoel voor het te vaak afwezig zijn als vader en echtgenoot en voor het in het rondneuken, compenseerde door haar maandelijks een royaal bedrag over te schrijven. Een bedrag dat zo hoog was dat ze er binnen enkele jaren haar huis mee had afbetaald en ontslaghad kunnen nemen. Dat laatste had ze geweigerd. Ze wilde haar zelfstandigheid bewaren en hem vooral het plezier niet gunnen – hij die vond dat vrouwen alleen in de keuken horen te staan en die nu hertrouwd was met een volgzaam jong meisje.

Af en toe had Louise een minnaar. Niet zoals die van Lucia. Die van Lucia passeerden en ze had er altijd spijt van. De mannen van Louise waren zorgvuldig uitgekozen. Mooie, intelligente types. Soms alleen, meestal getrouwd, Louise draaide er haar hand niet voor om. Zij was niet de schuldige, zei ze. Zij deed niks verkeerd.

Eén keer was ze verliefd geworden. Dat was een fout geweest, had ze gezegd, eentje die ze nooit meer opnieuw zou maken. Hij was getrouwd en kwam louter bij haar voor de seks. Niet dat ze niet met elkaar konden praten, ze hadden heerlijke avonden samen, maar ze eindigden steevast in bed. Hij kreeg thuis niet meer wat hij wilde, zei hij, dus kwam hij bij Louise langs. Maar hij zou nooit bij zijn vrouw weggaan, tenzij die ooit achter al zijn affaires zou komen, dan stond hij sowieso aan de deur.

Louise had gezegd dat alle mannen zo waren. Maar toen was ze dus verliefd geworden. En dat was geen deel van het plan geweest.

Op een avond zaten ze samen op een terras, Lucia en Louise, toen hij passeerde met z’n vrouw. Hij had gelachen bij alles wat zijn vrouw zei, had haar hand vastgehouden en Lucia had gezien dat hij van haar hield.

Louise had het ook gezien en heel even kwam er een barst in haar zelfvertrouwen. Ze zaten al enkele uren op dat terras en hadden veel gedronken. Lucia had haar willen beschermen, voor haar willen opkomen. Ze had willen opstaan uit haar stoel, naar hen toe lopen en de vrouw duidelijk maken wat voor vlees ze in de kuip had. Ze had haar willen zeggen dat ze blind was. Maar Louise had haar tegengehouden. Ze had veel gedronken, maar toen Louise hem had gezien, was haar hoofd op slag helder geweest. Ze had een dwingende hand op Lucia’s schouder gelegd en haar neergedrukt in haar stoel.

‘Niet doen,’ had ze gezegd. ‘Ik ben even erg als hij.’

Lucia hield van Louise als van een broer. Louise was de meest vrouwelijke broer die ze kon hebben. Een niet-veeleisende, maar altijd aanwezige vriend.

Ze hadden elkaar vier jaar geleden ontmoet tijdens Lucia’s zoveelste kutbaantje. Een kantoorjob waar ze te hoog voor was opgeleid, maar ze had het geld nodig. Haar toenmalige huisgenote had geweigerd nog huur voor te schieten, nadat ze hun zoveelste ruzie hadden gehad.

Ze had de baan gekregen en fietste sindsdien elke dag naar de oude Barkertoren, waar vroeger de stadsdiensten gehuisvest waren. Op de zevende verdieping werkte ze in een klein achterkamertje zonder ramen. Een computer, een archiefkast en een doorgezakte bureaustoel. Niemand kwam het kamertje binnen om wat te praten. Af en toe stak iemand z’n hoofd om de deur om een dossier op te vragen, maar voor de rest had ze alleen een stapel handgeschreven documenten die ze een voor een moest digitaliseren.

Maar een mens kan zichzelf veel voorliegen.

Het leek haar genoeg. In het begin. Maar een mens kan zichzelf veel voorliegen.

Eén verdieping lager zat een groep jonge advocaten. Strak geklede mannen en vrouwen die door het leven leken te rennen. Toen Lucia een maand in de toren werkte, haalde ze op een van haar ochtendlijke trapbeklimmingen een vrouw in, tussen de vijfde en de zesde verdieping. Ze droeg een mantelpakje en te hoge hakken en Lucia had de vrouw horen hijgen terwijl ze zich de trap op sleurde.

‘Hoe doe je dat?’ had de vrouw gekreund, toen Lucia haar voorbijliep.

Verbaasd dat iemand haar aansprak had Lucia zich omgedraaid.

‘Hoe doe ik wat?’

‘Zo vlot die trap oprennen, tiens.’

Lucia had geaarzeld, maar had toen voorzichtig geantwoord: ‘Gewoonte. Elke dag de trap nemen. En geen hakken dragen.’

Ze had een burgertruttirade verwacht, maar de vrouw had gelachen. Luid, hikkend en wondermooi. Lucia had in lange tijd niet iemand zo openlijk horen lachen in haar bijzijn.

‘Dat had ik nodig. Die kuthakken ook!’ De vrouw had geschaterd terwijl ze haar schoenen uittrok en een ervan met kracht naar beneden gooide. De andere had ze Lucia aangereikt.

‘Jij ook?’

Lucia had de schoen twijfelend aangenomen, had zich even geen houding weten te geven, had gezien hoe de vrouw haar vol verwachting aankeek en had toen de schoen de trap af gekeild. De vrouw had haar hand uitgestoken en gezegd: ‘Ik ben Louise.’

Dat was de eerste dag geweest.


Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief