leesfragment

Lees de eerste hoofdstukken van ‘Een duistere schittering’ – Stacey Willingham

0

Echte monsters verschuilen zich niet het bos, ze zijn niet de schaduw achter de boom of de onzichtbare aanwezigheid in een donkere hoek. Nee, echte monsters staan recht voor je. In de zomer waarin Chloe Davis haar twaalfde verjaardag viert, verdwijnen zes tienermeisjes uit het kleine stadje waar ze woont. Ouders worden bang, alle meisjes moeten binnenblijven, de dagen zijn lang en vol angst. Aan het eind van de zomer wordt Chloes vader gearresteerd en veroordeeld als seriemoordenaar, en sindsdien heeft hij de gevangenis niet meer verlaten. Twintig jaar later werkt Chloe als psycholoog in Baton Rouge, maar soms voelt ze zich net zo verward als haar patiënten zelf. En wanneer er een vijftienjarig meisje verdwijnt, beleeft ze die angstaanjagende zomer weer opnieuw.

Lees hier alvast de eerste hoofdstukken van Een duistere schittering van Stacey Willingham!

 

PROLOOG

Ik dacht dat ik wist wat monsters waren.

Als klein meisje dacht ik dat ze mysterieuze schaduwen waren, die zich verscholen achter mijn hangende kleren, onder mijn bed, in het bos. Ze waren een aanwezigheid die ik achter me kon voelen, die dichter naar me toe kwamen terwijl ik in de gloed van de ondergaande zon van school naar huis liep. Ik wist niet hoe ik het gevoel moest omschrijven, maar ik wist gewoon dat ze er op een of andere manier waren. Mijn lichaam kon ze voelen, kon het gevaar voelen, net zoals je huid prikt net voordat er een hand op je nietsvermoedende schouder wordt gelegd, het moment dat je beseft dat het doordringende gevoel dat je had wordt veroorzaakt door ogen die zich vanachter een verwilderde struik in je achterhoofd boren.

Maar dan draai je je om en zijn de ogen weg.

Ik herinner me het gevoel van oneffen grond waarop ik mijn dunne enkels verdraaide terwijl ik steeds sneller over het grindpad liep dat naar mijn huis leidde en de wegrijdende schoolbus wolken uitlaatgassen achter me de lucht in blies. De schaduwen in het bos dansten terwijl de zon door de boomtakken scheen en mijn schaduw doemde dreigend op als een dier dat op het punt stond om aan te vallen.

Ik haalde diep adem en telde tot tien. Ik kneep mijn ogen stevig dicht.

En zette het op een rennen.

Elke dag rende ik over dat afgelegen pad. In de verte leek mijn huis steeds verder weg te raken in plaats van dichterbij te komen. Ik schopte met mijn gympen graspollen, steentjes en stof omhoog terwijl ik een wedstrijdje hield tegen… iets. Wat daar ook was en zat toe te kijken. Op mij zat te wachten. Dan struikelde ik over mijn veters, strompelde het stoepje op en liet me in de hartelijke omhelzing van mijn vader vallen. Zijn adem voelde warm in mijn oor terwijl hij fluisterde: ‘Ik heb je, ik heb je.’ Hij greep met zijn handen in mijn haar, mijn longen prikten doordat ik zo diep inademde. Mijn hart bonkte terwijl er een woord in me opkwam: veiligheid.

Dat dacht ik althans.

Eigenlijk hoor je stapje voor stapje te leren angst te hebben

– een geleidelijke overgang van de kerstman in het winkelcentrum naar de boeman onder het bed; van de 18+-film die je van de oppas mocht kijken naar de man in een auto met getinte ramen en een stationair draaiende motor die net iets te lang naar je kijkt terwijl je in de schemering over de stoep loopt. Je ziet hem vanuit je ooghoeken langzaam dichterbij komen, voelt je hartslag stijgen van je borstkas naar je keel en naar het plekje achter je ogen. Het is een leerproces, een voortdurende ontwikkeling van de ene vermeende dreiging naar de volgende, waarbij elk volgende ding op steeds realistischer wijze gevaarlijker is dan het vorige.

Maar dat gold niet voor mij. Voor mij sloeg het concept ‘angst’ toe met een kracht die mijn puberlichaam nog nooit had meegemaakt. Een kracht die zo verstikkend was dat ademen pijn deed. En op dat moment, het moment dat het toesloeg, besefte ik dat monsters zich niet in het bos verstoppen; ze zijn geen schaduwen tussen de bomen of onzichtbare dingen die zich in donkere hoeken schuilhouden.

Nee, de echte monsters bewegen zich in het volle zicht voort.

Ik was twaalf jaar toen die schaduwen gestalte begonnen te krijgen, een gezicht begonnen te vormen en minder een spookverschijning waren, maar concreter werden. Echter. Toen ik begon te beseffen dat de monsters zich misschien tussen ons ophielden.

En ik leerde om één monster in het bijzonder boven alle andere te vrezen.

 

MEI 2019

 

1

 

Mijn keel kriebelt.

Eerst is het een heel subtiel gevoel. Als het topje van een veer die van boven naar beneden langs de binnenkant van mijn slokdarm wordt gehaald. Ik duw mijn tong tegen de achterkant van mijn keel en probeer te krabben.

Het heeft geen effect.

Ik hoop dat ik niet ziek word. Ben ik onlangs in de buurt van iemand geweest die ziek of verkouden was? Hoe moet ik dat nou weten? Ik ben de hele dag in de buurt van mensen. Niemand leek ziek, maar een verkoudheid kan al besmettelijk zijn voordat iemand symptomen heeft.

Ik probeer weer te krabben.

Of misschien spelen mijn allergieën op. De concentratie ambrosia is hoger dan normaal. Die is zelfs ernstig. Een score van 8 op een schaal van 10 volgens de pollenradar. Het symbool op mijn weerapp was knalrood.

Ik pak mijn glas water en neem een slok. Ik spoel mijn mond en slik hem door.

Nog steeds niets. Ik schraap mijn keel. ‘Ja?’

Ik kijk op naar de patiënte voor me, die zo stijf als een houten plank op mijn grote leren leunstoel zit. Ze heeft haar vingers stevig verstrengeld op haar schoot, op de voor de rest perfecte huid van haar handen zijn de dunne glanzende sneetjes nauwelijks zichtbaar. Ik zie dat ze een armband om haar pols heeft, in een poging het akeligste litteken te bedekken: een diepe, paarse, rafelige scheur. Houten kralen met een zilveren beeldje in de vorm van een kruis, bungelend als een rozenkrans.

Ik kijk weer naar het meisje, neem haar gezichtsuitdrukking in me op, haar ogen. Geen tranen, maar we zijn nog maar net begonnen.

‘Sorry Lacey,’ zeg ik, met een blik op de aantekeningen voor me, ‘maar ik heb kriebel in mijn keel. Ga alsjeblieft verder.’

‘O, oké. Nou, goed, zoals ik al zei… Soms word ik gewoon zo kwaad, weet u? En ik snap eigenlijk niet waarom. Het lijkt alsof de woede steeds heftiger wordt en dan, voordat ik het weet, moet ik…’

Ze kijkt naar haar armen, wappert met haar handen. Ze heeft overal piepkleine sneetjes, als glassplinters, verborgen in de vliezen tussen haar vingers.

‘Het is een ontlading,’ zegt ze. ‘Het kalmeert me.’

Ik knik en probeer de kriebel in mijn keel te negeren. Die wordt steeds sterker. Misschien komt het door het stof, houd ik mezelf voor, het is hier stoffig. Ik kijk naar de vensterbank, de boekenkast, de diploma’s aan de muur. Overal ligt een fijn grijs laagje op, dat glanst in het zonlicht.

Concentreer je, Chloe.

Ik wend me weer tot het meisje.

‘En waar denk je dat het door komt, Lacey?’ ‘Dat zei ik net: ik weet het niet.’

‘Doe eens een gok.’

Ze zucht, draait haar hoofd opzij en kijkt aandachtig naar niets in het bijzonder. Ze vermijdt het om oogcontact te maken. Ze staat op het punt te gaan huilen.

‘Nou ja, het zal wel iets met mijn vader te maken hebben.’ Haar onderlip trilt een beetje. Ze strijkt haar blonde haar van haar voorhoofd. ‘Omdat hij is weggegaan en zo.’

‘Wanneer is je vader weggegaan?’

‘Twee jaar geleden.’ En alsof dat het teken is, ontsnapt er één traan aan haar traanbuis en glijdt over haar besproete wang. Ze veegt hem boos weg. ‘Hij heeft niet eens afscheid genomen. Hij heeft ons verdomme niet eens een reden gegeven. Hij is zomaar vertrokken.’

Ik knik en maak aantekeningen.

‘Zou je kunnen zeggen dat je nog steeds heel boos op je vader bent omdat hij zomaar is weggegaan?’

Haar lip trilt weer.

‘En omdat hij geen afscheid heeft genomen, kun je hem ook niet vertellen welk gevoel je daardoor kreeg.’

Ze knikt naar de boekenkast in de hoek, ze ontwijkt me nog steeds.

‘Ja, zo zit het wel, denk ik.’ ‘Ben je op nog iemand boos?’

‘Op mijn moeder denk ik. Ik weet niet zo goed waarom. Ik dacht altijd dat zij hem had weggejaagd.’

‘Oké, nog iemand?’

Ze zegt niets, ze pulkt aan een los stukje huid.

‘Op mezelf,’ fluistert ze. Ze neemt niet de moeite om de tranen weg te vegen die zich in haar ooghoeken ophopen. ‘Om- dat ik niet zo lief was dat hij wilde blijven.’

‘Je mag best boos zijn,’ zeg ik. ‘Iedereen is boos. En nu je onder woorden hebt kunnen brengen waarom je boos bent, kunnen we er samen voor gaan zorgen dat je er iets beter mee kunt omgaan. En je jezelf geen pijn meer doet. Lijkt je dat wat?’

‘Het is zo verdomde stom,’ mompelt ze. ‘Wat?’

‘Alles. Hem, dit. Dat ik hier ben.’

‘Waarom is het stom dat je hier bent, Lacey?’ ‘Het zou beter zijn als ik hier niet hoefde te zijn.’

Nu schreeuwt ze. Ik leun nonchalant achterover en verstrengel mijn vingers. Ik laat haar brullen.

‘Ja, ik ben boos. Nou en? Mijn klotevader is bij me weggegaan. Bij me weggegaan. Weet u hoe dat voelt? Weet u hoe het voelt om een kind te zijn zonder vader? Als iedereen op school je aanstaart? Over je roddelt?’

‘Ja, eerlijk gezegd wel. Ik weet hoe dat voelt. Het is niet leuk.’

Ze zwijgt nu. Haar handen op haar schoot trillen, ze wrijft met haar duim en wijsvinger over het kruisje aan haar armband. Op en neer, op en neer.

‘Is uw vader ook bij u weggegaan?’ ‘Zoiets ja.’

‘Hoe oud was u toen?’ ‘Twaalf,’ zeg ik.

Ze knikt. ‘Ik ben vijftien.’ ‘Mijn broer was ook vijftien.’ ‘U snapt het dus?’

Deze keer knik ik, ik glimlach. Vertrouwen opbouwen, dat is het moeilijkste.

‘Ik snap het.’ Ik buig me weer naar voren, maak de afstand tussen ons heel klein. Nu draait ze zich wel naar mij. Haar betraande ogen boren zich smekend in de mijne. ‘Ik snap het helemaal.’

 

2

 

Mijn branche drijft op clichés, dat weet ik, maar clichés zijn er niet voor niets.

Ze zijn waar.

Een meisje van vijftien dat een scheermesje op haar huid zet heeft waarschijnlijk het gevoel dat ze er niet toe doet, wil met lichamelijke pijn de emotionele pijn die haar verscheurt verdrijven. Een jongen van achttien die zijn woede niet onder controle kan houden doet dat voornamelijk omdat zijn ouders altijd ruziemaken. Hij voelt zich verlaten, wil zichzelf bewijzen. Hij wil krachtig overkomen terwijl hij vanbinnen kapotgaat. Een studente van twintig die dronken wordt en naar bed gaat met elke jongen die haar op een wodka-tonic trakteert, en daar de volgende ochtend om moet huilen, heeft waarschijnlijk niet zo’n hoge dunk van zichzelf, snakt naar aandacht omdat ze daar thuis om moest vechten. Een intern conflict tussen degene die ze is en degene die ze, althans in haar ogen, volgens anderen moet zijn.

Problemen met je vader. Het enigkindsyndroom. Het product van een echtscheiding.

Het zijn clichés, maar ze zijn waar. En ik mag dat zeggen, want ik ben ook een cliché.

Ik kijk op mijn smartwatch. De opname van deze afspraak knippert op het scherm: 1:01:52. Ik klik op Verstuur naar iPhone en zie het balkje steeds verder groen worden terwijl het bestand naar mijn telefoon wordt gestuurd en tegelij- kertijd met mijn laptop wordt gesynchroniseerd. Technologie.

Toen ik nog een meisje was, pakte elke arts mijn dossier en bladerde erdoorheen, terwijl ik altijd weer in een versleten leunstoel zat en naar dossierkasten vol met andermans problemen keek. Vol met mensen zoals ik. Op een of andere manier voelde ik me er minder eenzaam door, normaler. Die metalen afsluitbare kasten met vier lades symboliseerden de mogelijkheid dat ik op een dag mijn pijn onder woorden zou kunnen brengen – die zou kunnen uiten of uitschreeuwen, erom zou kunnen huilen – en we, als de timer na zes- tig minuten afliep, de dossiermap gewoon zouden kunnen dichtslaan en terug in de la zouden kunnen stoppen. Dan zouden we de la op slot doen en de inhoud vergeten tot de volgende afspraak.

Vijf uur, sluitingstijd.

Ik kijk op mijn computerscherm, naar het woud van icoontjes waartoe mijn patiënten zijn gereduceerd. Er is helemaal geen sluitingstijd. Er zijn altijd manieren om me te bereiken, via e-mail of sociale media, althans voordat ik uiteindelijk toe- gaf en mijn profielen wiste omdat ik het zat was om door de paniekerige pb’tjes van mijn patiënten in hun zwakste momenten te waden. Ik sta altijd aan, ben altijd paraat, ik ben een winkel die dag en nacht open is, het bord met open flikkert in het donker en doet zijn best niet te doven.

De melding van de opname verschijnt op mijn scherm en ik klik erop. Ik geef het bestand een naam – Lacey Deckler, gesprek 1 – waarna ik mijn blik afwend van mijn computer en met half toegeknepen ogen naar de stoffige vensterbank kijk. In de gloed van de ondergaande zon is nog duidelijker te zien hoe vies het hier is. Ik schraap mijn keel nogmaals en hoest een paar keer. Ik buig opzij, trek de onderste la van mijn bureau open en doorzoek mijn eigen persoonlijke apotheek, die ik in mijn kantoor bewaar. Ik kijk naar de potjes met pillen, van alledaagse ibuprofen tot moeilijker uit te spreken medicijnen: alprazolam, chloordiazepoxide, diazepam. Ik duw ze opzij en pak een doosje vitamine c. Ik giet een sachet in mijn glas water en roer het om met mijn vinger.

Ik neem een paar slokken en begin aan een e-mail.

Shannon,

Fijne vrijdag! Heb net een goed eerste gesprek met Lacey Deckler gehad; dank je wel voor de doorverwijzing. Wilde even overleggen over medicatie. Ik zie dat je niets hebt voorgeschreven. Na ons gesprek van vandaag denk ik dat ze het beste een lage dosering prozac kan gaan nemen. Voors? Tegens?

Chloe

Ik klik op Verstuur, leun achterover en drink de rest van mijn water met mandarijnsmaak op. Het poeder op de bodem van het glas glijdt als lijm naar binnen, langzaam en zwaar, en bedekt mijn tanden en tong met een laagje oranje korrels. Binnen een paar minuten krijg ik antwoord.

Chloe,

Zoals altijd, graag gedaan! Prima wat mij betreft. Schrijf maar een recept voor haar uit.

ps: binnenkort wat drinken? Wil meer horen over de grote dag! Shannon Tack, md

Met mijn kantoortelefoon bel ik Laceys apotheek, dezelfde waar ik altijd naartoe ga – lekker makkelijk – en krijg direct de voicemail. Ik laat een bericht achter.

‘Hallo, dit is dr. Chloe Davis – C-h-l-o-e D-a-v-i-s – met een recept voor Lacey Deckler – L-a-c-e-y D-e-c-k-l-e-r – geboortedatum 16 januari 2004. De patiënt moet beginnen met tien milligram prozac per dag, om te beginnen acht weken lang. Geen herhaalrecept.’

Ik zwijg, tik op mijn bureau.

‘Ik wil ook graag een herhaalrecept aanvragen voor een andere patiënt, Patrick Briggs – P-a-t-r-i-c-k B-r-i-g-g-s – geboortedatum 2 mei 1982. Xanax, vier milligram per dag. Dit is dr. Chloe Davis. Telefoonnummer 555-212-4524. Dank u wel.’ Ik hang op en kijk naar de zwijgende telefoon. Mijn blik gaat naar het raam. Door de ondergaande zon krijgt mijn met mahoniehout ingerichte praktijk een oranje tint die vrij veel lijkt op het lijmachtige residu op de bodem van mijn glas. Ik kijk op mijn horloge, het is halfacht, en klap mijn laptop dicht. Ik schrik wanneer de telefoon ineens tot leven komt. Ik kijk ernaar – mijn praktijk is nu gesloten en het is vrijdag. Ik ga door met het bijeenrapen van mijn spullen en negeer de rinkelende telefoon, totdat ik bedenk dat het misschien de apotheek is met een vraag over de recepten die ik zojuist heb ingesproken. Ik laat de telefoon nog een keer overgaan en neem dan op.

‘Met dr. Davis.’ ‘Chloe Davis?’

‘Dr. Chloe Davis,’ verbeter ik. ‘Daar spreekt u mee. Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

‘Jeetje, u bent moeilijk te pakken te krijgen.’

Het is de stem van een man en hij lacht geërgerd, alsof ik hem heb geïrriteerd.

‘Sorry, bent u een patiënt van mij?’

‘Dat ben ik niet, maar ik ben al de hele dag aan het bellen. De héle dag. Uw receptioniste wilde me niet doorverbinden, dus probeer ik het maar na kantoortijd, om te zien of ik uw voicemail zou krijgen. Ik had niet verwacht dat u zou opnemen.’

Ik frons.

‘Eh… dit is mijn praktijk. Ik voer hier geen privégesprekken. Melissa schakelt mijn patiënten alleen maar door…’ Ik houd mijn mond en vraag me af waarom ik mezelf verontschuldig en de werkwijze van mijn praktijk aan een onbekende uitleg. Op bruuskere toon ga ik verder: ‘Waarom belt u? Wie bent u?’ ‘Ik ben Aaron Jansen en werk als journalist voor The New York Times.’

De adem stokt in mijn keel. Ik hoest, hoewel het eerder klinkt alsof ik stik.

‘Gaat het?’ vraagt hij.

‘Ja, hoor, ik heb kriebel in mijn keel. Sorry, The New York Times?’

Ik verafschuw mezelf zodra de vraag over mijn lippen rolt. Ik weet waarom deze man belt. Eerlijk gezegd had ik het al verwacht. Had ik iets verwacht. Misschien niet de Times, maar wel iets.

‘U weet wel,’ zegt hij aarzelend. ‘De krant?’ ‘Ja, ik weet wie u bent.’

‘Ik ben bezig met een verhaal over uw vader en ik zou graag eens met u praten. Kan ik u op een kopje koffie trakteren?’

‘Sorry,’ zeg ik weer om hem de pas af te snijden. Fuck. Waarom verontschuldig ik me steeds? Ik haal diep adem en probeer het nogmaals. ‘Daar heb ik niets over te zeggen.’

‘Chloe,’ zegt hij. ‘Dr. Davis.’

Dr. Davis,’ herhaalt hij met een zucht. ‘Het is bijna twintig jaar geleden. Dat weet u natuurlijk.’

‘Natuurlijk weet ik dat,’ snauw ik. ‘Het is twintig jaar geleden en er is niets veranderd. Die meisjes zijn nog steeds dood en mijn vader zit nog steeds vast. Waarom bent u er nog steeds in geïnteresseerd?’

Aaron zwijgt; ik weet dat ik hem al te veel informatie heb gegeven. Ik heb die gestoorde drang van journalisten om wonden van anderen open te rijten net voordat ze zijn geheeld al bevredigd. Ik heb die behoefte precies zoveel bevredigd dat hij een metaalsmaak proeft en naar meer hunkert, als een haai die wordt aangetrokken tot bloed in het water.  

‘Maar u bent veranderd,’ zegt hij. ‘U en uw broer zijn veranderd. Het publiek wil heel graag weten hoe het met jullie gaat, hoe jullie ermee omgaan.’

Ik sla mijn ogen ten hemel.

‘En uw vader,’ vervolgt hij. ‘Misschien is hij veranderd. Hebt u wel eens met hem gepraat?’

‘Ik heb mijn vader niets te zeggen. En ik heb u ook niets te zeggen. Ik wil niet dat u me hier nog eens belt.’

Ik hang op en smijt de hoorn harder neer dan mijn bedoeling was. Ik kijk naar beneden en zie dat mijn vingers trillen. Ik strijk mijn haar achter mijn oor om maar iets te doen te hebben en kijk weer naar het raam. Ik zie dat de kleur van de lucht in diep inktblauw verandert en dat de zon een bal op de horizon is, die op het punt staat te exploderen.

Dan draai ik me weer naar mijn bureau, pak mijn tas, duw mijn stoel achteruit en sta op. Ik kijk naar mijn bureaulamp, adem langzaam uit, zet hem uit en loop trillerig het donker in.

 

3

 

Wij vrouwen beschermen ons de hele dag onbewust op allerlei subtiele manieren; we beschermen ons tegen schaduwen, tegen ongeziene aanvallers. Tegen waarschuwende sprookjes en broodjes aap. Zo subtiel dat we nauwelijks beseffen dat we het doen.

We vertrekken voor het donker van ons werk. We klemmen met de ene hand onze tas tegen ons aan en houden met de andere hand onze sleutels als een wapen tussen onze vingers terwijl we naar onze auto schuifelen, die strategisch onder een straatlantaarn geparkeerd staat voor het geval we niet voor het donker van ons werk konden vertrekken. We lopen naar onze auto toe en werpen een blik op de achterbank voordat we het voorportier opendoen. We pakken onze telefoon stevig vast, met onze vinger op de sneltoets voor het alarmnummer. We stappen in. Doen de auto weer op slot. We treuzelen niet. Rijden snel weg.

Ik draai de parkeerplaats af die naast het gebouw ligt waarin mijn praktijk zich bevindt en rijd weg van het centrum. Ik stop voor het rode licht en kijk in mijn achteruitkijkspiegel; uit gewoonte denk ik. Ik krimp ineen als ik zie hoe afgeleefd ik eruitzie. Het weer is drukkend, zo drukkend dat mijn huid glibberig is van het vet; mijn doorgaans slappe bruine haar krult een beetje aan de uiteinden, wat alleen in de zomer in Louisiana gebeurt.

De zomer in Louisiana.

Wat een beladen zin. Ik ben hier opgegroeid. Nou ja, niet hier. Niet in Baton Rouge, maar wel in Louisiana. In een dorpje dat Breaux Bridge heet, de Rivierkreefthoofdstad van de wereld. Een benaming waar we om een of andere reden trots op zijn. Net zoals de mensen in Cawker City, in Kansas, waarschijnlijk trots zijn op hun bol draad van tweeduizend kilo. Het verleent een voor de rest betekenisloze plek oppervlakkige betekenis.

Breaux Bridge heeft ook minder dan 10.000 inwoners, wat betekent dat iedereen elkaar kent. En in het bijzonder: iedereen kent mij.

Toen ik jong was, leefde ik toe naar de zomer. Ik heb zoveel moerassige herinneringen: alligators kijken in Lake Martin, gillen wanneer ik een glimp opving van hun kraalogen die on- der een algentapijt uit loerden. Mijn broer die hard lachte als we de andere kant op renden en riepen: ‘See ya later, alligator!’ Een pruik maken van het Spaanse mos dat in onze gigantische achtertuin hing en de dagen erna mijten uit mijn haar plukken en doorzichtige nagellak op de prikkende rode bultjes smeren. De staart van een vers gekookte rivierkreeft af draaien en de kop leegzuigen.

Maar herinneringen aan de zomer gaan gepaard met herinneringen aan angst.

Ik was twaalf jaar toen de meisjes begonnen te verdwijnen. Meisjes niet veel ouder dan ik. Het was juli 1999 en het zou weer gewoon zo’n hete, vochtige zomer in Louisiana worden.

Totdat het allemaal anders werd.

Vroeg op een ochtend liep ik de keuken in terwijl ik de slaap uit mijn ogen wreef en mijn mintgroene dekentje met me meesleepte over het zeil op de vloer. Sinds mijn babytijd sliep ik al met dat dekentje en ik had het aan flarden geknuffeld. Ik friemelde aan de stof, een tic van mij, en zag toen mijn ouders bezorgd dicht bij elkaar voor de tv zitten. Ze fluisterden.

‘Wat is er gebeurd?’

Ze draaiden zich om, hun ogen werden groot toen ze me zagen en ze zetten de tv uit voordat ik het scherm kon zien.

Voordat ze dachten dat ik het scherm kon zien.

‘O, liefje,’ zei mijn vader, die naar me toe liep en me steviger omhelsde dan normaal. ‘Er is niks, meissie.’

Maar het was niet niks. Zelfs toen wist ik al dat het niet niks was. Door de manier waarop mijn vader me omhelsde, mijn moeders lip trilde toen ze zich naar het raam keerde – net zoals Laceys lip vanmiddag trilde toen ze het besef tot zich door liet dringen dat ze het altijd had geweten. Het besef dat ze had geprobeerd te onderdrukken, waarvan ze had gedaan alsof het niet waar was. Ik had een glimp van die felrode kop opgevangen die onder aan het scherm voorbijkwam; hij stond al in mijn geest gebrand, een verzameling woorden die mijn leven voor altijd zou veranderen.

meisje uit breaux bridge vermist

Als je twaalf bent, wekken de woorden meisje vermist niet dezelfde suggestie als wanneer je ouder bent. Je gedachten gaan niet automatisch naar al die afschuwelijke opties: ontvoering, verkrachting, moord. Ik weet nog dat ik dacht: waar vermist? Ik dacht dat ze misschien verdwaald was. Ons huis lag op een terrein van meer dan vier hectare; ik was al talloze keren verdwaald toen ik padden ging vangen in het moeras of op onderzoek uitging in onbekende stukken bos, waarbij ik mijn naam in de bast van een boom kerfde of een fort bouwde van met mos overdekte stokken. Ik was zelfs een keer klem komen te zitten in een kleine grot, waar een of ander dier woonde. De ingang die leek op een mond die een o vormde was zowel angstaanjagend als verleidelijk. Ik weet nog dat mijn broer een stuk oud touw om mijn enkel knoopte, terwijl ik plat op mijn buik lag en me de koude, donkere holte in wurmde met een sleutelhangerzaklamp tussen mijn lippen. Ik kroop steeds verder en werd opgeslokt door het donker; toen ik besefte dat ik mezelf er niet uit kon trekken sloeg de doodsangst toe. Dus toen ik filmpjes zag van zoekteams die verwilderde bosjes doorkruisten en door moerassen waadden, vroeg ik me af wat er zou gebeuren als ik ooit ‘vermist’ raakte: zouden mensen net zo op zoek gaan naar mij als dat ze naar haar aan het zoeken waren?

Ze komt wel weer tevoorschijn, dacht ik. En als dat zo is, voelt ze zich vast heel dom dat ze zo’n opschudding heeft veroorzaakt.

Maar ze kwam niet meer tevoorschijn. En drie weken later verdween er een ander meisje.

Vier weken daarna nog eentje.

Aan het eind van de zomer waren er zes meisjes verdwenen. De ene dag waren ze er nog, de volgende dag waren ze weg. Spoorloos verdwenen.

Zes verdwenen meisjes zijn er natuurlijk altijd zes te veel, maar in een dorp als Breaux Bridge, dat zo klein is dat er een gapend gat ontstaat in een klaslokaal wanneer er een kind van school gaat of een buurt een stuk stiller wordt wanneer er een familie verhuist, vormden zes meisjes een last die bijna te zwaar was om te dragen. Hun verdwijning viel niet te ne- geren; het was een kwaad dat in de lucht hing net zoals een dreigende storm je pijn in je botten kan bezorgen. Je kon het voelen, proeven, zien in de ogen van iedereen die je tegen- kwam. Het dorp waarin iedereen elkaar altijd had vertrouwd werd bevangen door wantrouwen; niemand kon de achter- docht van zich afschudden. Er hing één onuitgesproken vraag in de lucht.

Wie is de volgende?

Kinderen moesten op een bepaald tijdstip thuis zijn; winkels en restaurants sloten als het ging schemeren. Net als alle andere meisjes in het dorp mocht ik na het donker niet meer buiten zijn. Zelfs overdag voelde ik dat het kwaad om elke hoek schuilde. Ik had altijd het gevoel dat ik degene zou zijn, dat ik de volgende zou zijn. Dat gevoel was er altijd en verstikte me. ‘Jou overkomt niks, Chloe. Je hoeft je geen zorgen te maken.’

Ik herinner me dat mijn broer op een ochtend zijn rugzak omhing omdat hij op zomerkamp ging; ik moest weer huilen, was te bang om het huis uit te gaan.

‘Ze moet zich wel zorgen maken, Cooper. De situatie is ernstig.’

‘Ze is nog te jong,’ zei hij. ‘Ze is pas twaalf. Hij houdt toch van oudere tieners?’

‘Cooper, alsjeblieft.’

Mijn moeder ging op haar knieën zitten, zodat ze op oog- hoogte was, en streek een haarlok achter mijn oor.

‘Dit is serieus, liefje, wees gewoon voorzichtig. Wees op je hoede.’

‘Stap niet bij een onbekende in de auto,’ zei Cooper met een zucht. ‘Loop niet in je eentje door een donker steegje. Het is allemaal heel logisch, Chlo. Doe gewoon geen domme dingen.’

‘Die meisjes waren niet dom,’ snauwde mijn moeder. Haar stem klonk zacht maar fel. ‘Ze hadden pech. Ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek.’

Ik draai de parkeerplaats van de apotheek op en rijd door de drive-through. Achter het loket is een man allerlei potjes in papieren zakken aan het doen. Zonder op te kijken schuift hij het raampje open.

‘Naam?’ ‘Patrick Briggs.’

Hij kijkt me even aan, ik ben duidelijk geen Patrick. Hij tikt wat in op de computer voor hem en stelt nog een vraag.

‘Geboortedatum?’ ‘2 mei 1982.’

Hij draait zich om, doorzoekt de bak met een B erop. Hij pakt een papieren zak en komt weer naar me toe. Ik omklem het stuur stevig om te voorkomen dat ik zenuwachtig ga friemelen.Hij richt zijn scanner op de barcode en ik hoor een piep- je.

‘Hebt u nog vragen over de medicijnen?’

‘Nee,’ zeg ik met een glimlach. ‘Alles is duidelijk.’

Hij duwt de zak door zijn raampje mijn auto in; ik gris hem uit zijn handen, duw hem diep in mijn tas en doe het raampje weer dicht. Ik rijd weg zonder nog iets te zeggen.

Ik rijd nog een paar minuten. Mijn tas op de bijrijdersstoel lijkt wel radioactief door de pillen die erin zitten. Vroeger stond ik verbaasd hoe makkelijk je medicijnen voor andere mensen kon ophalen; zolang je de geboortedatum weet die hoort bij de naam in de computer vragen de meeste apothekers niet naar een rijbewijs. En als ze dat wel doen, is een eenvoudige verklaring vaak voldoende.

O, verdraaid, dat zit in mijn andere tas.

Ik ben zijn verloofde. Zal ik het adres ook geven?

Ik rijd mijn wijk binnen, het Garden District, en begin aan het laatste stukje over de twee kilometer lange weg waarop ik me altijd gedesoriënteerd voel, net zoals diepzeeduikers zich moeten voelen wanneer ze helemaal omhuld zijn door de duisternis, die zo donker is dat zelfs hun eigen hand op een paar centimeter afstand van hun gezicht verloren zou raken.

Elk richtinggevoel: weg. Elk gevoel van controle: weg.

Zonder huizen om de weg te verlichten of lantaarns om de kronkelende takken van de bomen langs de straat zichtbaar te maken wekt deze straat bij zonsondergang de illusie dat je zo een inktplas in rijdt, dat je in het niets verdwijnt, eindeloos in een bodemloos gat valt.

Ik houd mijn adem in en druk het gaspedaal iets verder in. Ten slotte voel ik dat mijn afslag nadert. Ik zet de richtingaanwijzer aan, ook al is er niemand achter me en is er niets dan duisternis, en draai zo onze doodlopende straat in. Wanneer ik langs de eerste lantaarnpaal rijd die de weg naar huis verlicht, adem ik weer uit.

Thuis.

Ook dat is een beladen uitdrukking. ‘Thuis’ is niet alleen een huis, een verzameling bakstenen en hout die door mortel en spijkers bij elkaar wordt gehouden. Het is iets veel emotionelers. ‘Thuis’ betekent veiligheid, zekerheid. De plek waar je weer naartoe gaat als je ’s avonds om negen uur binnen moet zijn.

Maar stel dat je thuis niet veilig bent? Het je geen zekerheid biedt?

Stel dat de omhelzing waarin je je op het trapje naar de veranda laat vallen van iemand is voor wie je weg zou moeten rennen? Dat hij met die armen die meisjes heeft gegrepen, hun keel heeft dichtgeknepen en hun lijk heeft begraven voordat hij zijn handen schoon ging boenen?

Stel dat het allemaal begonnen is bij jou thuis; dat dat het epicentrum is van de aardbeving die jouw dorp diep geschokt heeft? Dat dat het oog van de orkaan is die gezinnen uiteen heeft gereten, levens, jou? Alles wat je ooit hebt gekend?

Wat dan?

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief