leesfragment

Lees de eerste hoofdstukken van ‘Een heel gewoon leven’ – Imogen Crimp

0

The Guardian omschreef het als ‘een fascinerend debuut over seks en macht’, The Sunday Times noemde het boek ‘aangrijpend, troosteloos en meeslepend’ en Kirkus Reviews vergeleek Imogen Crimp met Sally Rooney. Kortom, redenen genoeg om Crimps debuutroman Een heel gewoon leven te lezen!

Anna is een jonge vrouw met een grote ambitie om operazangeres te worden. Overdag moet ze zich meten met haar medestudenten, die allemaal over een onuitputtelijke hoeveelheid culturele bagage en financiële middelen lijken te beschikken. ’s Avonds zingt ze in een hotelbar om de huur te kunnen betalen van het verwaarloosde appartement dat ze deelt met haar vriendin Laurie. Dan ontmoet ze Max, een succesvolle veertiger, die haar alles kan geven wat ze wil. Maar hij is ook veeleisend, en er ontwikkelt zich een machtsspel tussen de twee. Anna zal keuzes moeten maken die grote invloed hebben op haar toekomst.

Lees hier al de eerste hoofdstukken!

 

EEN

Laurie stond die avond niet achter de bar, maar deed tafels, waar­door ze niet stiekem iets voor me kon inschenken. Ik voelde me echter rijk en wilde net nog iets bestellen toen de man naast me zich half omdraaide en begon te praten.

Ik heb je daarnet gezien, zei hij. Toen je zong. Dat was jij toch? Ik knikte.

Ja.

Ik wachtte tot hij nog iets zou zeggen. Ze wilden altijd nog iets zeggen, de mannen die mij aanspraken. Normaal gesproken iets in de trant van hoe mooi ik zong, of was. Of hoe sexy. Het was min of meer fiftyfifty of ze het bij mooi hielden of sexy aan­ durfden. Of ze zeiden dat een van de nummers die ik had gezon­gen hen deed denken aan de tijd dat ze zus­of­zo hadden gedaan of daar­en­daar waren geweest, of ze kwamen met een verhaal dat ik niet kon volgen, maar dat erop neerkwam dat mijn stem herinneringen opriep aan hun voormalige vriendin of ex­vrouw of moeder.

Deze man zei echter niets. Hij knikte alleen en keek weer naar zijn glas, liet de vloeistof erin ronddraaien, staarde naar de bo­dem, tot het me begon te irriteren.

En hoe vond je het? vroeg ik.

Ja, zei hij, het was wel goed.

Wel goed?

Niet zo mijn ding, eerlijk gezegd.

O.

Hij zweeg weer.

Wat doe je hier dan? vroeg ik.

Ik zat op een barstoel die kon draaien. Hij legde zijn hand op de rugleuning en draaide me met mijn gezicht naar het raam. Ik wilde net zeggen dat hij zijn handen thuis moest houden, toen ik zag dat zijn gezicht volkomen uitdrukkingsloos was, alsof mijn reactie hem koud zou laten, en opeens vond ik het idioot om over zoiets moeilijk te doen. Ik wist dat ik er iets van moest zeggen, maar ik vond het eigenlijk helemaal niet zo erg.

Hij wees.

Zie je dat gebouw?

Het grijze?

Ja. Tel even tot aan de vijfde verdieping. Oké? Ga nu naar het raam helemaal links. Dat is mijn raam. Daar werk ik.

Aha, zei ik. En kom je hier vaak?

Vraag je me dat serieus?

Ik bedoel niet wat jij denkt.

Hij glimlachte fijntjes.

Ik kom hier zo af en toe. Ik geloof dat ik je vaker heb horen zingen. Of misschien was het iemand anders.

Zijn we zo inwisselbaar?

Hij haalde zijn schouders op. Zoals ik al zei, niet mijn ding.

En wat doe je in dat kantoor? vroeg ik.

Wat weet jij over het geldwezen?

Weinig tot niets.

En vind ik dat een bezwaar? Ik werk in de financiële sector en vandaag is het laat geworden. Om antwoord te geven op je oorspronkelijke vraag, nee, ik kom hier niet voor de muziek, zei hij op een toon waarmee je een kind uitlegt dat je geen tijd hebt om met hem te vingerverven. Begrijp me niet verkeerd, ik weet zeker dat je heel mooi zingt, maar ik kom hier als ik trek heb in een borrel.

Goed.

Het spijt me als ik je heb beledigd.

Hij glimlachte en wendde zich weer af.

Meestal gaat het als volgt als een vent je probeert te versieren. Hij is ofwel erg dom en dan moet je niet laten merken dat je bo­ven zijn niveau staat en alleen maar o ja? en meen je dat? zeggen en lief lachen om hem niet boos te maken, ook al zou je het liefst de inhoud van je glas in zijn gezicht smijten. En anders is hij juist pienter en wil hij je belachelijk maken. Dat zijn de types die je pootje haken en hartelijk lachen als je op je bek gaat.

Deze man was geen van beide. Niet precies. Ik kon hem niet goed peilen. Om te beginnen probeerde hij niet dichter bij me te gaan zitten. Hij zat met zijn ene hand op zijn been en zijn andere hand rond zijn glas. Hij had niet geprobeerd de ruimte tussen ons te verkleinen. Hij was eerder iets verder van me weggeschoven, waardoor ik opzij moest leunen om te kunnen verstaan wat hij zei. Hij leek geen bijbedoelingen te hebben. Mijn reacties leken hem niet veel te doen. Hij gooide zijn woorden er achteloos uit, zoals je etensrestjes in een bakje voor de hond schraapt, om ervan af te zijn, niet omdat je benieuwd bent of Fikkie ze lekker zal vin­ den.

Ik had me niet gerealiseerd dat je uitgebreide loftuitingen ver­ wachtte, zei hij. Neem me niet kwalijk.

Kon je ook niet weten. Wij artiesten zijn gewoon erg gevoelig.

O ja?

Ja, zei ik. Als mijn publiek niet ronduit zegt dat het mooi was, ga ik ervan uit dat ze er niks aan vonden.

En zou dat een probleem voor je zijn?

Ja, zei ik, want dan ga ik denken dat ik niet kan zingen, en der­gelijke gedachten kunnen voor een zanger snel uit de hand lopen. Voor je het weet, zit je in een inzinking en besluit je dat je er een punt achter moet zetten, dat je jezelf niet langer moet kwellen, dat je moet accepteren dat je niet goed genoeg bent en het ook nooit zult worden, en dat iedereen dat allang weet. Je voelt je alsof je in een put bent gesmeten en probeert eruit te klimmen terwijl iemand bezig is hem vol te gooien met de uitgegraven aar­de, en dat alleen omdat iemand het lef had een gesprek te openen met een opmerking over het weer of hoeveel mensen er op de afterparty waren, en niet eerst zei hoe schitterend je optreden was, terwijl dat het enige is waar je over wilt praten.

Ik lachte erbij, om duidelijk te maken dat het ironisch bedoeld was, maar dat leek aan hem voorbij te gaan.

Dat lijkt me erg vermoeiend, zei hij.

Dat is het ook.

Laat me iets voor je bestellen, dan beginnen we gewoon op­ nieuw.

Hij wees naar mijn lege glas. Wat drink je?

O, doe maar hetzelfde als jij, zei ik.

Hij draaide zich om naar de barman, en ik keek naar hem toen hij met hem sprak. Hij was ouder dan ik, eind dertig, begin veer­tig misschien, en aantrekkelijk. Mooi zelfs, omdat hij iets vrou­welijks had, ook al had hij brede schouders en de haarstijl van alle mannen die in de City werken. Misschien kwam het door zijn wimpers. Hij had prachtige lange wimpers, krullend en bleek, als van een meisje. Zijn knappe uiterlijk was echter kil. Moeilijk te beoordelen wat erachter schuilging.

De barman zette twee glazen voor ons neer.

Wat is dit? vroeg ik. Ik had iets anders gekregen dan hij. Proef maar, zei hij. Ik denk dat je het wel lekker zult vinden.

Hij had gelijk, ik vond het lekker. Het was dik en zoet. Het maakte mijn keel warm.

Goed, waar waren we gebleven?

We zouden opnieuw beginnen.

O ja.

Hij draaide zich met barkruk en al naar me toe.

Ik zag je daarnet, zei hij. Toen je zong. Dat was jij toch?

Ik knikte. Ja.

Ik hoop dat je me niet opdringerig vindt, zei hij. Ik bedoel, omdat ik je aanspreek terwijl je hier in je eentje zit. Als je wilt dat ik mijn mond houd, moet je het zeggen.

Ik zei niets. Hij ging door.

Ik heb je aangesproken, omdat ik je wilde vertellen dat ik er­ van heb genoten. Van je stem. Je hebt een mooie stem. Dat meen ik.

Ik lachte.

Dank je wel, zei ik. Dat is aardig van je.

Ik meen het echt. Eerlijk waar. Waarom lach je nou? Hoe heet je?

Anna.

Anna, herhaalde hij. Ik meen het, Anna. Ik zeg niet zomaar wat. Oké, ik zal er maar eerlijk voor uitkomen. Ik heb je hier va­ker horen zingen, en voordat je nu gaat protesteren, ik weet wat ik daarnet heb gezegd, maar ik wist wel degelijk dat jij het was, en ik vond dat je erg mooi zong.

Hij glimlachte en haalde zijn schouders op. Niets te zien in zijn ogen die me onschuldig aankeken.

Het is niet echt mijn ding, zoals ik zei. Ik weet er weinig van. Maar, hoe zal ik het zeggen, het hád iets. Jij hebt iets. Het beviel me.

Ik dacht dat hij me in de maling nam en trok een gezicht alsof ik hem doorhad, alsof ik wist dat hij maar een grapje maakte, maar hij ging door.

Ik ben hier nu al een paar keer geweest, zei hij, op avonden dat ik dacht dat je er zou zijn. Ik hoopte je te zien.

Hij bleef naar me kijken, keek me in de ogen, zonder zijn blik te laten afdwalen naar mijn lippen, mijn borsten of mijn benen, en ik werd er steeds minder zeker van wat hij aan het doen was. Ik wist niet meer wat voor gezicht ik moest trekken. Hij praatte door, rustig en sussend, tot zijn stem het enige was waarvan ik me bewust was, terwijl al het andere wegzakte, alle gevoelens en gedachten uit mijn lichaam wegvloeiden, als water dat bij eb naar het diepe wordt gezogen.

Hij zei nu iets over hoe intens het was. Een intense sfeer, mag­netisch, zei hij, iets over magneten in elk geval, en iets over mijn ogen, hij had het over mijn ogen.

Er moet iets zijn, zei hij, ik kan het niet goed uitleggen, maar er moet iets zijn wat je hebt of wat je niet hebt om dit te kunnen doen en ik weet dat jij het hebt.

Maar toen zag ik dat zijn mondhoeken iets naar boven draaiden en dat er een kil, hard licht in zijn ogen verscheen, zoals bij een schooljongen die iets heeft uitgehaald wat iedereen zo dadelijk zal ontdekken, en hij eindigde met: Je stem, je stem sprak me zo aan. Toen grinnikte hij en begreep ik eindelijk dat hij me in de maling nam en wilde ik door de grond zakken.

Ik pakte mijn glas en draaide me een kwartslag om.

Wat is er? vroeg hij. Ik heb het geprobeerd. Was dit niet beter?

Stukken beter, zei ik. Bedankt.

Ben je nou beledigd? Dat was niet de bedoeling.

Ik ben helemaal niet beledigd. Gefeliciteerd. Je bent hier erg goed in.

Dank je.

Ik geloofde het bijna, zei ik. Wie zegt dat het niet waar was? Maar zijn ogen lachten.

Nu begon hij uit te leggen wat zijn baan inhield en terwijl hij zat te praten, pulkte ik een reepje huid van mijn duim en vond ik mezelf erg dom. Hij vond me ijdel en gekunsteld, en omdat hij gelijk had, voelde dat alsof hij een lucifer had aangestoken onder mijn nagel. Ik hou er niet van geplaagd te worden, ik weet nooit hoe ik moet reageren. Ik was het overgevoelige kind geweest dat in tranen naar de juf rende als iemand iets gemeens tegen me zei, er heilig van overtuigd dat het recht diende te zegevieren, dat mensen die iets hadden gedaan wat niet mocht, daarvoor moes­ten boeten.

Toch genoot ik van de manier waarop hij tegen me sprak, ook al deed het pijn, zoals wanneer je een muggenbult zo hard krabt dat die gaat bloeden. Iets aan de manier waarop hij me plaagde en kleineerde, dingen aan me uitlegde – heb je het nu eindelijk door? – terwijl ik meedeed, pruilend en toneelspelend als een kind, wat ik van mezelf niet kon uitstaan, en de hele tijd dacht: Vind je me leuk? Vind me alsjeblieft leuk.

Je zegt zelf niet veel, zei hij toen hij was uitgesproken.

Vind je?

Ik deed waar mijn zanglerares zo’n hekel aan had. Elke zin met een vraagklank beëindigen en daar nerveus bij giechelen. Denk aan je ademsteun, zei ze dan. Gebruik die! Geen uitvluchten.

Nee. Je hebt me zo goed als niets verteld. Het enige wat ik over jou weet, is dat je snel beledigd bent. Vooruit. Vertel me iets over jezelf.

Dat wil ik best, maar er valt niet veel te vertellen.

Weer dat terughoudende lachje.

Laat mij daarover oordelen.

Ik probeerde iets te bedenken.

Ik stelde me voor dat ik een koffer uitpakte en de onderdelen van mijn kleine leven voor hem uitstalde. Wat zou hij mooi vin­den? Wat zou hij willen kopen?

Niets. Hij zou er niets van willen, dat wist ik nu al. Hij zou het allemaal prullerig vinden, oninteressant, niet zijn smaak. Een leven dat niet verder ging dan vier muren zonder schilderijen omdat spijkers de verf zouden beschadigen, met van dat lelijke blankhouten meubilair, dat alleen wordt aangeschaft voor ka­mers om te verhuren door mensen die er zelf nooit zullen wo­nen. Nee, dat zou ik hem niet laten zien. Lauries lange haren in mijn haarborstel en de kleren waar ik naar zocht in haar laden, en dat ik maar een beperkte tijd in het bad kon liggen omdat ik on­ze huisbazen, de P’s, beneden op de overloop hoorde fluisteren, zelfs als ik met mijn hoofd onder water zakte, zelfs als ik de kraan openzette kon ik hen horen, alsof ze naast me stonden, alsof ze bij me in het bad waren komen liggen en in mijn oor fluisterden. Ik stelde me voor hoe hij het stramien van dit leven van mij tussen duim en wijsvinger zou nemen – nee, te zwak, goedkoop, zou hij denken, en hij zou het loslaten.

De avondjes uit met Laurie zou ik hem ook niet laten zien. Zij en ik in de goedkoopste wijken van Londen, oninteressante bars, andermans kamers met net zulk licht meubilair uit dezelfde cata­logus, plekken waar hij zich nooit zou vertonen. Niets van dat al­ les. Niet hoe beroerd ik me voelde als ik in bed lag en de P’s in het donker de trap op hoorde stommelen. Hoe ze met hun vingers de muren betastten, tsjik, tsjik, tsjik, als wormen in het hout, waar­ door ik ’s nachts niet naar de wc durfde, uit angst dat mevrouw P daar zou zijn en zou zeggen: Moet je nu alweer? Die keer dat ik blaasontsteking had en in mijn koffiemok heb geplast omdat ze altijd onder aan de trap op de loer lag, als een reusachtig serpent, en ik haar niet voor de zoveelste keer wilde horen zeggen: Moet je nu alweer? Kun je de slaap niet vatten? Nee. Niets van dat alles. Dit kon ik hem niet laten zien.

Maar bovenal niet de armetierigheid van dit leven. Daar zou hij niet van onder de indruk zijn. Dat kon ik niet trots laten zien om te vragen wat hij ervan vond. De slipjes met de vlek­ken die er niet meer uit gaan, de oude, korrelige, uitgedroogde make­up, die zich niet meer egaal over mijn huid liet spreiden, de hakken die zo hard tikten omdat het rubber was versleten en ik op metaal liep. Hoe geestdodend het was. Om elke week je geld te tellen – is het genoeg, is het niet genoeg? De vroe­ge ochtenden in het oefenlokaal om honderdduizend keer de­zelfde noot te zingen – niet goed, nog niet, niet perfect, het moet perfect zijn en dat de grijze straten niet bestonden als ik ’s avonds weer naar buiten kwam, omdat mijn hoofd was gevuld met muziek, en mijn lichaam bruisend bewoog in een heel eigen ritme en alle kleuren zo intens waren. Dat zou hij niet begrij­pen. Noch wat ik voor mezelf bleef herhalen – het zal het waard zijn, deze periode in mijn leven, het zal het waard zijn, op een dag zal ik erom kunnen lachen – ik bleef het herhalen, steeds maar weer, in die kleine nietszeggende kamer – koud, het is daar altijd koud – met op de achtergrond de jankende sirenes, het eeuwige gedreun van het verkeer, zeurend, als een kind dat zijn zin wil hebben. Nee.

Hij keek me afwachtend aan en ik vertelde hem het enige wat ik goed vond klinken.

Ik ben eigenlijk geen jazzzangeres, zei ik. Ik ben operazange­res.

Het was laat. De bar liep leeg. Laurie had haar dienst erop zit­ten. Ze kwam naar ons toe, gaf meteen een show, luid en vrijpos­tig met hem flirtend, terwijl ze haar haar heen en weer gooide. Ik dacht dat hij met haar zou gaan praten en voelde al opluch­ting, maar hij leek niet in haar geïnteresseerd. Hij luisterde als ze sprak, met een beleefd luistergezicht, het soort dat er een beetje gekweld uitziet, alsof er per ongeluk wat van haar speeksel op zijn wang terecht was gekomen.

Hij zei dat hij moest gaan en we verlieten samen het hotel. Buiten gaf hij me een visitekaartje – bel me, dan gaan we een keer uit eten – en ik zei goed, en hij zei goed en toen liep hij weg. Niet naar de ondergrondse maar de andere kant op.

Laurie haakte haar arm door de mijne. We liepen naar de on­dergrondse. Het was het deel van Londen waar allemaal kantoren zijn en waar niemand woont. De gebouwen zijn verlicht, maar de straten zijn verlaten.

Tjee, wat een eikel, zei Laurie. Vond jij hem leuk?

Ik weet het niet. Niet zo.

Maar ik bleef zijn gezicht zien, alsof het op de binnenkant van mijn oogleden geëtst was, en terwijl Laurie babbelde, bleef ik in mijn hoofd zijn stem horen.

In de ondergrondse stond een grote groep dronken kerels te schreeuwen om niets. Een vrouw bekeek zichzelf in het scherm­pje van haar telefoon en probeerde de huid onder haar ogen glad te trekken.

Ik haalde mijn boek uit mijn tas om zijn kaartje erin te doen. Manon van Prévost. Ik was de rol aan het leren en wilde meer we­ten over de achtergrond ervan. Laurie keek naar het omslag.

Was ze niet een hoer? zei ze. Manon? Ik geloof dat ik dit boek heb gelezen.

Ik weet het niet. Ik ben er nog niet in begonnen.

Nou, ze was een hoer. Dat zie je al aan de afbeelding op het omslag. Bovendien schrijven mannen geen boeken met de naam van een vrouw als titel als ze niet een of andere hoer is. Of weet jij er soms een?

Madame Bovary, zei ik. Die is geen prostituee.

Oké, misschien niet beroepsmatig, maar ze is wel een soort hoer.

Anna Karenina.

Dito.

Alice in Wonderland.

Dat is een kinderboek, zei ze. Dat telt niet.

Meer wist ik er niet.

Laurie zuchtte.

Luke heeft me daarstraks een bericht gestuurd, zei ze. Hij wil me zien.

En jij hem niet?

Nee.

Ze begon te praten over Luke. Hoe die haar creativiteit had gesmoord. Haar had gedwongen een baan te zoeken. Met andere woorden, haar kapot had gemaakt. Dat ze zich had gerealiseerd dat hij had geprobeerd haar kapot te maken. Ze had me dit al va­ker verteld. Laurie was schrijver en ze hield ervan over zichzelf te praten. Ze had me grote delen van haar leven al meerdere keren verteld. Ik slaagde er nooit in haar iets verrassends te vertellen, omdat haar altijd net zoiets was overkomen en zij mij daar dan over ging vertellen.

Hij zei nooit wat hij zou moeten zeggen over wat ik schrijf, zei ze. Of hij zei juist wat hij niet zou moeten zeggen. Iets wat neerbuigend klonk. Heel mooi, schat, maar ik weet niet zeker of… Uiteindelijk zei ik gewoon dat ik niet aan het schrijven was, terwijl ik natuurlijk wél schreef, omdat ik als de dood was dat hij het zou willen lezen. Hij wees altijd woorden aan, fronste, en deed dan te enthousiast, zoals je doet als je het middelmatige kunstwerk van een hobbyist bekijkt. Het werd zo erg dat ik elke zin die ik schreef weer wiste, omdat ik me voorstelde dat hij hem las en wat hij ervan vond en wat hij ervan zou zeggen. En seks was altijd voorbij als hij was klaargekomen, weet je wel, ook als ik nog moest. Zo’n man was hij. Mooi dus dat ik hem niet wil zien.

Ze klonk hard en boos, maar ze keek bedroefd en draaide de punten van haar haar om haar vingers. Ze was achtentwintig en erg leuk om te zien, vond ik – blond, lang, slank – maar ze maakte zich zorgen dat ze oud werd. Ik moest soms naast haar voor de spiegel komen staan, zodat ze kon vergelijken welke delen van mijn gezicht glad waren en welke bij haar rimpels hadden.

Ben je van plan met die vent uit te gaan? vroeg ze.

Misschien. Wat vind jij?

Ik zou in elk geval met hem uit eten gaan. Waarom niet? Hij kiest vast een duur restaurant. Dat doen dat soort mannen altijd. Hij heeft geld, zei ze, met minachtende nadruk op het woord, alsof geld een seksueel overdraagbare aandoening was. Je ziet meteen dat hij geld heeft.

Laurie had een obsessieve belangstelling voor andermans geld. Het was alsof ze kon ruiken of iemand geld had, zoals een varken truffels kan ruiken.

Dat, zei ze, was een heel duur pak. En het horloge. Heb je het horloge gezien?

Ik schudde mijn hoofd. Ik had niet op het horloge gelet.

Ik dacht dat je hem een eikel vond, zei ik.

Nou en? Je hoeft niet met hem te trouwen. Ik neem aan dat hij al getrouwd is. Dat zijn ze altijd, voor zover ik heb ervaren.

Wie, mannen?

Dat soort mannen.

Wat voor soort mannen?

Het soort mannen dat in bars op meisjes aast.

Vond jij dat azen? Ik vond het geen azen.

Nee, zei ze, dat vond jij vast niet.

Zo was hij niet, zei ik. De meeste mannen met wie ik daar praat, bestellen een glaasje voor me en doen dan alsof dat een entreekaartje is, dat ik alleen nog maar hoef af te stempelen. Ze hebben geen idee wie of wat ik ben. Hij niet. Hij… het was net alsof hij zijn vinger op me legde en drukte tot het pijn deed. Snap je wat ik bedoel?

Jazeker. Je wilt met hem naar bed omdat hij er goed uitziet en een beetje wreed is en jij een masochist bent. Geeft niks, hoor. Daar hoef je je niet voor te schamen. Er zijn wel ergere dingen en het is hoog tijd dat je met iemand naar bed gaat. Ik heb een keer mijn oorbellen uitgelaten tot jij weer seks had en toen zijn de gaatjes dichtgegroeid.

Bedankt voor die informatie, zei ik.

Geen dank. Moeten we morgen niet de huur betalen? vroeg ze.

Eerste vrijdag van de maand, ja.

Kun je me iets lenen? Niet veel. Vijftig pond is genoeg. Ik zit een beetje krap.

Tuurlijk.

Ik had genoeg. Ik had die maand een paar extra sets gedaan en had net mijn salaris gekregen. De envelop in mijn tas was goed gevuld.

Ik kan het je nu wel vast geven, zei ik.

Ik haalde het geld tevoorschijn en gaf haar een paar briefjes. Ik vond het nooit erg om haar geld te lenen. Ze betaalde me nooit terug, maar ze was erg gul als ze een keer goed bij kas was. Dan stond ze erop dat we uit de band sprongen en betaalde ze alles – drankjes, etentje, taxi’s. Dat was de reden waarom geld haar door de vingers gleed, ze altijd tekortkwam en een hekel had aan mensen die het hadden.

Ze had blijkbaar in de rats gezeten dat ze mij erom moest vra­gen, want daarna was ze weer vrolijk. We verlieten de onder­grondse en lachten ons de hele weg naar huis slap. In Mitcham Road stonden ’s avonds altijd groepjes mensen, ongeacht hoe koud het was – ze stonden voor de mooie oude bioscoop die in een bingohal was veranderd, ze stonden te zoenen en te vrijen, ze luisterden naar muziek uit hun telefoontjes, ze stonden in de rij voor de nagelsalon waar je ’s avonds laat tosti’s kon krijgen. Ver­derop was het rustiger en werden we aangestaard door etalage­poppen. Volledig opgemaakte hoofden in pruikenwinkels. Stof­fenzaken met etalagepoppen in kindermaten die satijnen feest­ jurkjes droegen. Laurie wilde dat ik stukjes zong van favoriete jazznummers en zong mee als ze de woorden kende – suddenly I saw you there, and through foggy London town, the sun was shining everywhere – en voorbijgangers keken naar ons. Pas toen we onze straat insloegen, werd ze somber. Ze zei niets meer, zuchtte alleen een paar keer, en ik kreeg een akelig, misselijk gevoel in mijn maag en wist dat zij zich net zo voelde. Ze stak haar sleutel in het slot en zei: Dit kuthuis, dit kutleven, waarom doen we dit, Anna? Ik zou een echte baan moeten zoeken. Dat zou ik moeten doen. En dat ga ik ook doen. Ik trek het niet meer.  Toen draaide ze de sleutel om.

 

TWEE

Op maandagochtend had ik zangles van Angela. Ik nam de onder­grondse naar Moorgate – de forensen die zich in de wagons van de Northern Line persten, waren naarmate we de City naderden bij elk station beter en duurder gekleed – en stapte over voor het laatste korte traject naar Farringdon. Buiten was het daglicht vaag, alsof er slechts een spaarlamp brandde, en het conservatori­um was verlaten en stil. Musici hielden over het algemeen niet van vroeg opstaan, maar Angela wel. Als je stem het ’s ochtends vroeg doet, placht ze te zeggen, doet hij het in alle omstandigheden.

Ze was al in het oefenlokaal. Het was negen uur en zoals ik van haar gewend was, zag ze eruit alsof ze zo de bühne op kon stappen – zijden bloes, lippenstift, hoge hakken.

Goed weekend gehad? vroeg ze.

Redelijk. Ik heb gezongen op een van de liefdadigheidsevene­menten waarvan Marieke altijd pamfletten uitdeelt. Frankie was er ook.

Wat dapper. Vraagt het publiek daar niet altijd om oubollige nummers?

Het viel wel mee. Gilbert and Sullivan. Wat jazz. Een paar operanummers die iedereen kent. Frankie heeft zich gewaagd aan ‘Nessun Dorma’. Het was best leuk en er was een maaltijd bij inbegrepen.

Angela klakte theatraal met haar tong.

‘Nessun Dorma’, zei ze, is totaal niet geschikt voor hem. Bij wie studeert hij ook alweer? John? Wist John dat hij dat zou zin­gen?

Dat denk ik niet, maar hij heeft het heel aardig gedaan. Je weet hoe Frankie is. Hij durft alles. Het honorarium was trouwens ook heel behoorlijk.

Je gooit je stem te grabbel voor een schnabbel, zei ze. Erg onverantwoordelijk van jullie. Goed, laat maar eens horen wat er nog van over is na al dat geforceerde gedoe.

Ze speelde een akkoord en zong een oefenstukje dat ik moest herhalen. Eenvoudige drieklank, open a’s, niets bijzonders, maar mijn god, Angela Lehmann en ik in één lokaal, haar stem, zo dicht bij me, de stem waar ik in mijn eentje in mijn slaapkamer jaren naar had geluisterd. Haar stem was de eerste waar ik verliefd op was geworden toen ik als tiener haar muziek had ontdekt. Ik was totaal overdonderd door de schoonheid ervan. Ik had niet gewe­ten dat een menselijke stem zo prachtig kon klinken – de fluwe­len diepgang, zo zoet, donker en rijk dat ik met open mond had zitten luisteren. In mijn eerste studiejaar had ik gespaard tot ik genoeg had om naar Londen te gaan en haar in Tosca te horen zin­gen. Na de voorstelling had ik buiten bij de artiesteningang staan wachten, hopend dat ik de kans zou krijgen met haar te praten, maar het was gaan regenen en ze was niet naar buiten gekomen.

Mijn liefste wens was geweest aan dit conservatorium te stu­deren, omdat ik wist dat zij hier lesgaf, maar het was een vage droomwens, zoals van kinderen die zeggen dat ze astronaut wil­len worden als ze later groot zijn. Ik heb na de middelbare school niet eens geprobeerd op het conservatorium te komen. Ik durf­de het niet vanwege de lange lijst van vereisten voor de audities en het jargon op de website. Zangers moesten artistieke integriteit hebben. Veelzijdig zijn. Ze moesten uitblinken op hun terrein. Ze moesten vocaal opgewassen zijn tegen de zware eisen van een beroepsopleiding.

Uiteindelijk volgde ik een zangopleiding aan een muziekschool buiten Londen. In mijn laatste jaar kreeg ik een beurs aangebo­den en heb ik me alsnog ingeschreven voor de operaopleiding van het conservatorium. Ik verwachtte niet eens dat ik voor een auditie zou worden uitgenodigd, maar ik mocht komen en in de e­mail stond dat Angela in het panel zou zitten. Het panel luistert in één week naar honderden zangers, van wie de meesten al aan het conservatorium studeerden of een opleiding volgden aan een andere gerenommeerde school in Engeland of elders. Uit al die kandidaten worden er slechts twaalf gekozen voor de tweejarige operaopleiding, de laatste en belangrijkste fase van de opleiding van jonge zangers. Ik wist dat ik weinig tot geen kans maakte dat ze mij zouden kiezen.

Ik ging naar de auditie en toen ik in Londen uit de trein stapte, voelde ik me opeens eigenaardig zeker van mezelf. Ik haalde diep adem en de hele stad golfde naar binnen. Hij vulde mijn longen, voedde mijn bloed, maakte me nieuw en spreidde mijn toekomst voor me uit, helder en gaaf. Ik kon zó in die toekomst stappen en dat deed ik toen ik het toneel opliep, barstensvol zelfvertrouwen. Die zelfverzekerdheid is iets wat ik alleen voel als ik zing, alsof ik dan de baas ben over de ruimte waarin ik mij bevind en daar tot alles in staat ben, en nadat ik had gezongen, glimlachte Angela en zei brava. Later was zij het die opbelde om te zeggen dat ik was aangenomen.

Ik vroeg me af, zei ze erbij, of je bij mij zou willen studeren. Ik wil je graag lesgeven, als jij dat ook wilt.

Ik verhuisde naar Londen, de stad van de superlatieven – de beste zangers, de beste regisseurs, de beste kansen. Ik was door de laatste maanden op de muziekschool gezweefd zonder me er helemaal van bewust te zijn – de opera die we aan het eind van het jaar opvoerden in het wijkcentrum, zonder budget, zodat on­ze eigen kleren als kostuum dienden en we improviseerden met rekwisieten die we van huis meenamen – tot en met mijn laatste recital in een te fel verlichte, halfvolle kerk.

Bij mijn eerste les zette Angela wat feiten op een rijtje.

Ik begrijp heel goed dat je een ster was op je vorige school, zei ze, maar dat ben je hier niet, voorlopig nog niet in elk geval, en dat is niet makkelijk, dat weet ik. Je toekomst is je eigen verant­woordelijkheid, Anna. De stem is er en die heeft iets bijzonders, anders zou je hier niet zijn, maar niemand zal consideratie tonen voor het feit dat je een achterstand hebt. Je moet gewoon hard werken, zei ze, en toen glimlachte ze. Ik hou wel van een gokje. Zullen we ze laten zien wat je waard bent?

Sinds ik vorige maand was begonnen, was ik bijna altijd als eer­ste op het conservatorium, een uur voordat de lessen begonnen. In de gangen – met de prikborden vol te koop aangeboden instru­menten, taallessen, kamers te huur – waren de leslokalen bijna allemaal nog donker. Hier en daar een kiertje licht, een flard van een vioolsonate, iemand die toonladders oefende, maar verder stilte. Het was mijn favoriete tijd om te werken. Een uur alleen met mijn stem, voordat de dag begon en alles hectisch werd. Voor de spiegel gaan staan, rug rechten, kaak masseren. Deze wereld verlaten en een andere betreden, een die me beter beviel. Werken vanuit stilte, eerst de ademhaling, dan langzaam geluid toevoegen tot de stem er is, precies zoals ik die had achtergelaten. Reper­toire. Een stuk van de grond af opbouwen. Toonladders zingen op la, dan met de tekst gaan werken, hem vertalen, fonetische notities aanbrengen, klinkers vloeiend maken, dan de medeklinkers erbij doen, maar zonder de rest te laten scheuren. Ze zijn het fundament. Daarop staan de muren, de kleuren, de meubels. Ik maak van de muziek een ruimte waarin ik kan wonen, een kamer waarin ik kan rondlopen. Ik oefen tot het niet meer fout kan gaan. Ik neem het op in mijn lichaam, beeld me in dat de noten zich voortplanten in mijn cellen, zodat ik de muziek word en die niet alleen zing. Ik zoek in mezelf naar beelden, herinneringen die de gevoelens opwekken die ik voor de tekst nodig heb, en keer me­ zelf dan binnenstebuiten zodat ze mijn zang kleur geven, want zingen is geen buikspreken. Een rol vertolken is niet andermans stem vanuit jouw lichaam laten spreken, dode woorden op een stuk papier, maar in de huid van de ander kruipen en haar tot leven wekken met jouw stem, haar woorden nieuw leven inblazen.

Die dag had ik Manon meegenomen naar de les. Ik was un­derstudy voor een van de laatstejaars bij de operascènes die in december werden opgevoerd.

Het past bij je, zei Angela toen het uur om was. Sommige rol­len passen perfect bij jouw stem. Dit is er zo een. Geniet ervan.

Ik wist wat ze bedoelde. De muziek voelde aan als een geliefde oude trui, die zacht en soepel de vorm van mijn lichaam aannam. Ze is een geweldig type, zei ik. Ik ben dol op haar, altijd ge­weest.

Ik ook. Mannen weten nooit hoe ze haar moeten zien. Als een verleidster of een ingénue. Een hartstochtelijke minnares of een geldzuchtige hoer. Leer haar door en door kennen. Niet alleen de noten. Zorg ervoor dat je ook de vrouw kent.

Toen ik mijn partituur in mijn tas deed, vertelde Angela dat ze die rol zelf ook had vertolkt, met een heel beroemde tenor in de rol van chevalier.

Dit was jaren geleden, zei ze. Ik zou de grenzen van de geloof­waardigheid wel erg ver oprekken als ik nu de rol van een tiener op me zou nemen, zelfs naar de maatstaven van de opera. Hoe dan ook, mijn tegenspeler van toen was erg met zichzelf ingeno­men en dacht dat hij zich op het toneel alles kon veroorloven. Bij het zoenen stak hij altijd zijn tong in mijn mond, ook al had ik ge­zegd dat hij dat niet moest doen. Hij beweerde dat het voor hem de enige manier was om zich echt in de rol in te leven. Toen hij het op een avond weer deed, heb ik in zijn tong gebeten. Iets te hard, wat niet mijn bedoeling was geweest, waardoor hij bloedde. Vlak voor zijn aria nog wel.

Hoe is dat afgelopen? Was hij erg kwaad?

Laat ik het zo zeggen. Hij heeft het daarna nooit meer gedaan. Niet dat ik je adviseer je collega’s te verwonden, maar nood breekt wet. Ga je vanavond iets leuks doen?

Misschien, zei ik. Ik ga uit eten met een man die ik vorige week heb ontmoet in de bar van het hotel waar ik zing.

Het had me veel tijd gekost om het sms’je voor hem op te stel­len. Ik wilde me niet op een bepaalde toon vastleggen, met het risico dat hij er iets anders in zou zien, maar toen ik het had ver­stuurd, antwoordde hij meteen om te vragen of maandag schik­te. Niet al te vroeg, want hij moest tot vrij laat doorwerken. Hij noemde een tijd, een restaurant. Nonchalant, alsof het om een zakendiner ging.

Heel goed, zei Angela. Begin maar lekker aan een affaire. Je moet ervaringen opdoen. Dan heb je iets om over te zingen.

Angela was een van de weinige mensen die ik kende die woor­den als affaire kon gebruiken zonder ironische bijbedoelingen.

Ik zal mijn best doen, zei ik.

Die ochtend had ik acteerles bij Stefan, die altijd een lange zwarte jas aanhad en iedereen met een uitgestreken gezicht mijn beste noemde. We moesten om beurten op een doelbewuste ma­nier een denkbeeldige ruimte betreden, terwijl hij achterin te­gen de muur leunde en toekeek.

Waar is ze? vroeg hij. Hoe voelt ze zich? Hoe oud is ze? Blijkt dat uit haar manier van doen?

Toen het lunchuur aanbrak, merkte ik dat ik mijn boterham­men bij de P’s had laten liggen en dronk ik alleen heet water. Beth, de enige mezzo in mijn jaar, die daarom altijd op een rol kon rekenen, vroeg waarom ik niets at. Ik zei dat ik een ontgiftings­kuur deed.

O, wat interessant, zei ze. Dat heb ik nog nooit gedaan. Is dat goed voor je stem? Misschien moet ik het ook eens proberen.

In het begin van het jaar had ik een paar mensen horen praten over een studente die aldoor klaagde dat ze blut was – ze denkt zeker dat ze daarom iets bijzonders is – en ik was niet van plan die fout te maken. Obsessief met je gezondheid bezig zijn mocht wel. Dat werd zelfs aangemoedigd.

’s Middags oefende ik een poosje in mijn eentje en daarna had ik repetitie met Marieke, de directeur van de operaopleiding. Dat gebeurde in de concertzaal, zonder ramen, zonder daglicht, al­leen schijnwerpers op het toneel. De zaal bood plaats aan hon­derden bezoekers, maar nu zat alleen mijn klas er. We zaten met ons twaalven op de eerste rij, maakten aantekeningen en knikten bij alles wat Marieke zei, in de hoop dat ze ons aardig zou vinden. Ik was blij dat ik vandaag niet aan de beurt was om te zingen. Ik was er met mijn hoofd niet helemaal bij, want ik zat me af te vragen waarom ik erin had toegestemd met hem uit te gaan, een man die minstens tien jaar ouder was dan ik en die ik vrijwel zeker niet eens zou mogen. Het kan best een enorme flop worden, had ik tegen Laurie gezegd, toen ik half van plan was het af te zeggen.

Het kan altijd een flop worden, zei ze, maar dat hou je toch.

Marieke was in een opvallend kribbige bui. Ze liet iedereen amper een of twee maten zingen voordat ze ingreep. Na een il­lustere carrière was ze onlangs aangesteld als directeur van de operaopleiding en ze boezemde iedereen angst in. Ze kon het ene moment charmant en speels zijn, met wuivende armen over het toneel dansen of zeggen dat je moest doen alsof je een boom was – en het volgende moment met een paar bijtende woorden je vertolking de grond in boren.

Het was Natalies beurt om gefileerd te worden. Ze had nog geen twintig seconden van haar muziek gezongen toen Marieke haar interrumpeerde.

Je verhaspelt je tekst, zei ze. Overal dubbele medeklinkers. Overal. Diftongen. Diftongen. Waarom zing je al die diftongen?

Ze sloeg haar hand voor haar mond alsof het haar pijn deed. Waarom? vroeg ze.

Natalie leek op het punt te staan iets terug te zeggen, wat niet slim was. Mariekes vragen waren bijna altijd retorisch en ze had er een hekel aan als haar show werd onderbroken door mensen die probeerden er antwoord op te geven. Gelukkig begon ze zelf de tekst te declameren voordat Natalie de kans kreeg iets te zeg­gen.

E pur così in un giorno perdo fasti e grandezze? kweelde ze met een accent Italiaanser dan Italianen zelfs in hun stoutste dromen niet konden evenaren. Dus, in een dag, heb ik mijn glans en mijn grootheid verloren?

Dat is de bedoeling, zei ze. Zo moet het. Zo moet je het doen.

E pur così –

Nee, nee, nee, onderbrak ze haar vertwijfeld. Niet zo. Zó. E pur così, E pur così. Spreek ik soms buitenlands?

Een van haar favoriete grapjes. We grinnikten gehoorzaam. Ze liet Natalie een nieuwe poging tot zingen doen, maar on­derbrak haar om de twee noten, zodat de zang veranderde in iets geheel onsamenhangends. Natalies gezicht werd inmiddels een veel overtuigender vertolking van Cleopatra’s mismoedige wan­hoop. Misschien was dat juist Mariekes doel geweest.

Wie zegt dat je daar een appoggiatura moet doen? riep ze. Een appoggiatura is een lange voorslag. Expressief. Waarom voeg je een lange voorslag toe aan een naam? Er zijn natuurlijk, gaf ze toe, bepaalde omstandigheden waarin je aan een naam een lange voorslag zou kunnen toevoegen, maar niet hier. Doe dat dus niet. Het lijkt nergens op.

Of: Je zei toch dat je dit met je leraar Italiaans had doorgeno­men? Toch? Niet? Opnieuw.

Of: Die noot moet worden verbonden met die noot. Eigenlijk moet alles verbonden worden, maar we kijken wel hoever we komen.

Of: Dat woord is belangrijk, Natalie, maak het dan ook belang­rijk. Het is een actief woord. Weet je wat ik bedoel met een actief woord? Wat dan? Je moet geen ja zeggen als je het niet weet. Dit is de basisschool niet.

Natalie knikte verslagen en Marieke stuurde ons allemaal weg, geeuwend, als een kat die er opeens genoeg van heeft met een muis te spelen en hem de vrijheid schenkt in plaats van hem dood te bijten.

Ik had nog een uur voor mijn afspraak en ging naar de kantine. Sophie, de laatstejaars voor wie ik de understudy was in Manon, zat er in haar eentje, dus ik ging bij haar zitten.

O, ben je er nog, zei ze. Heb je vanavond repetitie? Nee, ik ga zo dadelijk met iemand uit eten.

Ah. Ik krijg een extra coaching, zei ze op een manier die aangaf dat dit een veel betere tijdsbesteding was. Tim heeft een gaatje voor me gevonden. Ik doe ergens een Così en heb moeite met de recitatieven. Hij is erg goed met recitatieven.

Ze boog haar hoofd opzij, legde haar hand erop en trok. Ik hoorde haar nek kraken.

Hoe gaat het met Manon? vroeg ze.

Elke keer dat ze iets zei, maakte ze een gebaar om zich heen, alsof een publiek haar woorden probeerde op te vangen en zij dat prima vond.

Goed, zei ik.

Dit was mijn eerste set operascènes sinds ik aan het conserva­torium studeerde en ik had nog geen eigen rol gekregen, alleen als understudy. Het was moeilijk om niet teleurgesteld te zijn.

Jij bent toch een soubrette? vroeg Sophie. Vind je Manon niet een beetje hooggegrepen? Ik snap niet waarom ze dat hier doen. Mensen rollen geven die ze in echte concertzalen nooit van hun leven zullen vertolken. Voor je cv heb je er ook niets aan.

Het is voor mij helemaal niet hooggegrepen. Ik heb de aria’s al eerder ingestudeerd.

Op je vorige school?

Ja.

Weet je, veel van de meisjes in mijn jaar vonden het een won­der dat je hier was aangenomen. Toen we de lijst voor het eerst zagen, bedoel ik. Niet dat je niet goed bent, zei ze snel, dat be­doel ik natuurlijk niet. Alleen was die school waar je op zat geen conservatorium. Iedereen zei dat je iets bijzonders moest zijn. Voordat je hier kwam, bedoel ik.

Bedankt, zei ik, al was het niet precies een compliment.

Ik zat nu vier weken op het conservatorium en wist inmiddels dat het feit dat ik er was aangenomen geen garantie was voor suc­ces, zoals ik onnozel had gedacht. Het betekende alleen dat ik nu in de running was, terwijl ik voorheen niet eens meedeed. Je moest voor alles auditie doen, ook intern, en er waren veel meer kan­didaten dan rollen. Alles was een wedstrijd en ik was niet aan de winnende hand. Elke keer dat ik in de les aan de beurt was om te zingen, dacht ik eerst terug aan dat moment tijdens mijn auditie, toen Angela had geglimlacht en brava had gezegd, omdat ik me zo de mindere voelde van de anderen. Zij spraken een andere taal, hadden het over mensen die ik niet kende, gezelschappen waar ik nooit van had gehoord, externe audities waar men mij niets over had verteld.

Sophie had haar interesse in mij verloren en begon haar kaak weer te masseren.

De stem is vandaag niet zo in zijn sas, zei ze.

Ik sprak nog niet over mijn stem alsof die een eigen leven leid­ de. Ik nam me voor daarmee te beginnen.

Het strottenhoofd is gespannen, zei ze.

Ze liet haar tong uit haar mond hangen en begon erop te kau­wen.

 

Ik stond op hem te wachten, voor mijn gevoel erg lang.

Ik hing eerst een poosje buiten rond, in de hoop dat hij snel zou komen, maar het was zo koud dat ik het niet volhield. Ik besloot naar binnen te gaan en had het gevoel dat ik totaal afging tegen­over de gastvrouw die me op de stoep had zien drentelen.

Onder welke naam is er gereserveerd?

Ik denk Max.

Ik heb niets onder die naam. Wat is de achternaam?

Eh…

Ik moest het nakijken op zijn kaartje, dat ik als boekenlegger gebruikte. De glimlach van de gastvrouw, die inmiddels doorhad hoe de vork in de steel zat, onderging een subtiele verandering. En dat gebeurde nogmaals toen ik haar mijn jas gaf en ze de ge­tornde voering zag. Ze nam hem met beleefde weerzin in ont­vangst, zoals een arts probeert niet vies te kijken als ze het potje met het plasje van haar patiënt overhandigd krijgt. Ik wist niet wat ik het beste te drinken kon bestellen en wees uiteindelijk willekeurig iets aan op de wijnkaart, dronk het glas veel te snel leeg en bedacht toen dat het er niet goed zou uitzien als hij nu kwam en zag dat ik al een heel glas ophad, zodat ik snel nog een glas bestelde. Hij liet me zo lang wachten dat ik me kwaad begon te maken. Zo lang dat ik me begon af te vragen waar hij verdo­rie bleef en waarom hij niet had doorgegeven dat hij was opgehouden. Zo lang dat ik overwoog weg te gaan, tot me te binnen schoot dat ik dan voor de wijn zou moeten betalen.

Al met al was hij twintig minuten te laat, maar hij kwam bin­nen als iemand die precies op tijd is. Hij overhandigde zijn jas aan de gastvrouw, zei iets waar ze allebei om lachten en leek niet de minste haast te hebben om bij mijn tafel te komen.

Toen ik niet opstond, gaf hij een kneepje in mijn schouder en ging zitten.

Sorry dat ik wat aan de late kant ben, zei hij. Ik had een cliënt in New York aan de lijn. Een veeleisende man. Ik kon niet wegko­men.

Geeft niet.

Het schoot me te binnen dat ik me had voorgenomen schalks te zijn – maar zei je niet dat jij nogal belangrijk bent?

Heb ik dat gezegd? Dat klinkt niet als iets wat ik zou zeggen.

Ik geloof dat je dat ermee bedoelde.

Een enigszins verbijsterde glimlach en toen viel er een stilte, die veel te lang aanhield. Ik nam een slokje wijn om mijn gezicht te verbergen.

Ik begrijp, zei hij, dat jij hier al een poosje bent?

Ik heb op een katholieke school gezeten. Ingebouwd schuldge­voel. Ik ben niet in staat te laat te komen.

Wat flapte ik er nu toch uit? Hij keek naar me alsof ik een vreemdsoortig kunstobject was, wel aardig om te zien, maar niet duidelijk wat het precies voorstelde.

Dat is ook belangrijk bij repetities, zei ik, om er iets aan toe te voegen wat logischer klonk. Als je er niet bent als de regisseur wil beginnen, word je nooit meer gevraagd.

Je meende het dus?

Wat?

Over de opera. Je zei dat je operazangeres was.

Natuurlijk meende ik dat. Dacht je dat ik dat had gelogen?

Niet gelogen, zei hij. Het verbaasde me alleen. Je ziet er niet uit als een operazangeres.

Wat is dat nou weer voor onzin?

Alles wat ik zei, kwam er verkeerd uit, vlak en toonloos, als geautomatiseerde antwoorden. Hij lachte.

Wauw, zei hij, ik weet het niet. Ik bedoel gewoon dat je er zo jong uitziet.

Ik ben vierentwintig.

Ah. Maar evengoed. Is dat niet wat jong voor een operazange­res? Ik heb iemand gekend die een tijdje opera heeft gezongen, tot ze kinderen kreeg. Ze had jaren les gehad, geloof ik. Maar misschien was ze gewoon niet erg goed.

Ik heb ook les. Ik studeer nog.

Nu snap ik het, zei hij. Je bedoelde het dus niet beroepsmatig.

Mijn lichaam spande zich alsof het zich moest verweren, alsof hij me een duw had gegeven.

Het hangt af van wat je bedoelt met beroepsmatig, zei ik. Ik zing voor publiek. Soms krijg ik daarvoor betaald, soms niet, maar artiesten vinden het niet erg om voor nop te werken, als ze maar gezien en gehoord worden. Toch? Misschien pas ik daarom niet in jouw definitie.

 

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief