leesfragment

Leesfragment: ‘Appels vallen niet’ van Liane Moriarty

0

Zo op het eerste oog zijn de Delaneys een gezin om jaloers op te zijn. De voormalige tennisleraren Joy en Stan winnen nog altijd elk toernooi waaraan ze meedoen, en nu ze hun familiebedrijf verkocht hebben, is er alle tijd om te leren ‘ontspannen’. Hun vier volwassen kinderen hebben ieder hun eigen drukke leven, en hoewel het de vraag is of zij daar alles uit halen, wordt dit nooit hardop gezegd. Maar dan verdwijnt Joy Delaney. En de kinderen bekijken het huwelijk van hun ouders en hun eigen verleden met nieuwe, geschrokken ogen. Was alles wel zo’n rozengeur en maneschijn in huize Delaney…?

Lees hier de eerste hoofdstukken van de nieuwste roman van Liane Moriarty: Appels vallen niet.

Proloog

De fiets lag langs de kant van de weg onder een eik, het stuur stak omhoog in een vreemde hoek, alsof iemand hem met woeste kracht van zich af gesmeten had.

Het was zaterdagochtend, de vijfde dag van een hittegolf, en het was nog vroeg. Door de hele staat woedden meer dan veertig hardnekkige bosbranden. Zes steden hadden acute evacuatiewaarschuwingen uitgevaardigd, maar hier, in de buitenwijken van Sydney, was er alleen gevaar voor astmapatiënten, die het advies kregen om binnen te blijven. De rooknevel die de stad omhulde was boosaardig geel-grijs van kleur, zo dik als Londense mist.

Het was stil in de lege straten, los van het dreinen van krekels. Mensen sliepen nog, na rusteloze, hete nachten vol verwarrende dromen, terwijl vroege vogels geeuwend met hun duim over het schermpje van hun telefoon scrolden.

De afgedankte fiets was splinternieuw. Het was er een van het type dat in advertenties ‘vintage damesfiets’ werd genoemd: mintgroen, zeven versnellingen, een bruinleren zadel en een witte rieten mand. Het soort fiets dat thuishoort in de koele, frisse lucht van een Europees bergdorp, met op je hoofd een zachte baret in plaats van een veiligheidshelm, en een stokbrood onder je arm.

Vier groene appels lagen verspreid in het droge gras onder de boom alsof ze uit de mand van de fiets waren gerold.

Een familie zwarte bromvliegen zat op verschillende punten op de zilveren spaken van de fiets, zo stil dat ze wel dood leken.

De auto, een Holden Commodore VS, vibreerde op het ritme van jarentachtigrock toen hij vanaf de kruising naderde, ongepast snel in deze kinderrijke buurt.

De remlichten flitsten en de auto reed met piepende banden achteruit tot hij naast de fiets stilstond.
De remlichten flitsten en de auto reed met piepende banden achteruit tot hij naast de fiets stilstond. De muziek stopte. De chauffeur kwam naar buiten, met een sigaret in zijn mond. Hij was mager, blootsvoets en met ontbloot bovenlijf, en droeg niets anders dan een blauwe voetbalbroek. Hij liet het bestuurdersportier openstaan en liep op zijn tenen, bevallig als een ballerina, via het al hete asfalt het gras op, waar hij neerhurkte om de fiets te bestuderen. Hij streelde de lekke voorband van de fiets alsof het de poot van een gewond dier was. De vliegen zoemden, plotseling tot leven gebracht en verontrust.

De man keek de lege straat op en neer, nam turend een trekje van zijn sigaret, haalde zijn schouders op, greep toen met één hand de fiets vast en stond op. Hij liep ermee naar zijn auto en legde hem in zijn kofferbak alsof hij hem net had gekocht, behendig het voorwiel los wippend met de snelspanhendel zodat de fiets paste.

Hij stapte weer in de auto, sloeg het portier dicht en reed weg, het ritme van AC/DC’s ‘Highway to Hell’ mee tikkend op zijn stuur, in zijn sas met zichzelf. Gisteren was het blijkbaar Valentijnsdag geweest, en hij geloofde niet in die kapitalistische shit, maar hij zou de fiets aan zijn vrouw geven en zeggen: ‘Beetje laat, maar fijne Valentijnsdag, schat,’ met een ironische knipoog, en dan had hij het weer goedgemaakt. Dus dikke kans dat hem vanavond een beloning wachtte.

Maar helaas wachtte hem geen beloning. Integendeel. Twintig minuten later overleed hij, op slag dood bij een frontale botsing. Een chauffeur van een oplegger die van de snelweg kwam zag het stopbord niet, want dat ging schuil achter een overhangende tak van een amberboom. Buurtbewoners klaagden er al maanden over. Het was wachten op een ongeluk, zeiden ze, en nu was het dan zover. De appels rotten snel weg in de hitte.

1

Twee mannen en twee vrouwen zaten achter in een hoek van een restaurantje onder de ingelijste foto van zonnebloemen bij zonsopgang in Toscane. Ze waren lang als basketballers en ze hingen over het ronde tafeltje met het mozaïekblad, waarbij hun voorhoofden elkaar bijna aanraakten. Ze spraken met zachte, intense stemmen, alsof ze het over een internationale spionagezaak hadden, wat vreemd zou zijn in dit kleine zaakje in een buitenwijk op een aangename, zomerse zaterdagochtend, met de geur van versgebakken bananenen perencake in de lucht en zachte rockmuziek die loom uit de stereo kwam om het ijverige gesis en gemaal van de espressomachine te begeleiden.

‘Volgens mij zijn het broers en zussen.’
‘Volgens mij zijn het broers en zussen,’ zei de serveerster tegen haar baas. De serveerster was enig kind en geïntrigeerd door het fenomeen broers en zussen. ‘Ze lijken ontzettend veel op elkaar.’

‘Ze moeten opschieten met bestellen,’ zei haar baas, die uit een gezin met acht kinderen kwam en broers en zussen totaal niet intrigerend vond. Na de hevige hagelbui van vorige week had het goddank bijna een week geregend. Nu de branden onder controle waren, was de rook tegelijk met de gezichten van de mensen opgeklaard en waren er eindelijk weer klanten, met geld om te verbrassen, dus wilde hij dat mensen snel bestelden en weer weggingen.

‘Ze zeiden dat ze nog niet op de kaart hadden gekeken.’

‘Ga nog maar eens vragen.’

De serveerster liep opnieuw naar het tafeltje en merkte op dat ze allemaal op dezelfde kenmerkende manier zaten, met hun enkels om de voorpoten van hun stoelen gehaakt, alsof ze wilden voorkomen dat ze weggleden.

‘Pardon?’

Ze hoorden haar niet. Ze waren allemaal tegelijk aan het praten, hun stemmen vielen samen. Ze waren absoluut familie. Ze klónken zelfs hetzelfde: lage, diepe stemmen, een tikje hees. Mensen met keelpijn en geheimen.

‘Technisch gezien wordt ze niet vermist. Ze heeft ons dat appje gestuurd.’

‘Ik kan gewoon niet geloven dat ze haar telefoon niet opneemt. Ze neemt anders altijd op.’

‘Papa zei dat haar nieuwe fiets weg is.’

‘Wat? Dat is bizar.’

‘Dus… ze is gewoon de straat uit gefietst, de ondergaande zon tegemoet?’

‘Maar ze had haar helm niet bij zich. Wat ik heel vreemd vind.’

‘Volgens mij wordt het tijd dat we haar toch als vermist opgeven.’

‘Het duurt nu al ruim een week. Dat is te lang.’

‘Ik zeg toch net dat ze technisch gesproken niet…’

‘Als wij niet weten waar ze is, dan wordt ze dus automatisch vermist.’
‘Als wij niet weten waar ze is, dan wordt ze dus automatisch vermist.’

De serveerster verhief haar stem tot een punt dat gevaarlijk dicht in de buurt kwam bij onbeschoft. ‘Zijn jullie al klaar om te bestellen?’

Ze hoorden haar niet.

‘Is er al iemand thuis geweest?’

‘Pa vroeg of ik alsjeblieft niet langs wilde komen. Hij zei dat hij het “erg druk” heeft.’

‘Erg drúk? Waar heeft hij het dan zo druk mee?’

De serveerster stond naast hen te schuifelen, tussen de stoelen en de muur, zodat een van hen haar misschien zou zien. ‘Weet je wat er zou kunnen gebeuren als we haar als vermist zouden opgeven?’ Het was de knappere van de twee mannen die dit zei. Hij droeg een linnen overhemd met lange mouwen die tot aan zijn ellebogen waren opgerold, een korte broek en schoenen zonder sokken. Hij was begin dertig, vermoedde de serveerster, met een sikje en een beetje van de charismatische charme van een realityster of een makelaar.

‘Dan verdenken ze pa dus meteen.’ ‘Dan verdenken ze pa waarvan?’ vroeg de andere man, een wat sjofeler, grovere, goedkopere versie van de eerste man. Hij had geen sikje, maar moest zich wel nodig scheren.

‘Dat hij… je weet wel.’ De broer in de duurdere versie zwaaide met zijn vinger langs zijn nek.

De serveerster hield zich muisstil. Dit was het beste gesprek dat ze had gehoord sinds ze als serveerster was begonnen.

‘Jezus, Troy.’ De goedkopere versie ademde uit. ‘Dat is niet grappig.’

De andere man haalde zijn schouders op. ‘De politie zal vragen of ze ruzie hadden. Volgens pa hádden ze inderdaad ruzie.’

‘Maar…’

‘Misschien heeft pa er wel echt iets mee te maken,’ zei de jongste van de vier, een vrouw in een korte oranje, met margrieten bezaaide jurk over een zwempak dat in de nek was vastgestrikt. Haar haar was blauwgeverfd (precies in de kleur die de serveerster zelf ook zo graag wilde) en was bij elkaar gebonden in een natte, warrige lage knot. Er lag een fijn waas van zanderige zonnebrandcrème op haar armen, alsof ze net van het strand was gelopen, ook al waren ze minstens veertig minuten rijden bij de kust vandaan. ‘Misschien was het de druppel voor hem. Misschien was het eindelijk de druppel.’

‘Hou op, jullie allebei,’ zei de andere vrouw.
‘Hou op, jullie allebei,’ zei de andere vrouw, van wie de serveerster zich nu realiseerde dat ze een vaste klant was: extra grote, extra hete flat white, met sojamelk. Haar naam was Brooke. Brooke met een ‘e’ op het eind. Ze schreven de namen van de klanten op hun koffiedeksel en deze vrouw had er ooit op een bedeesde maar vastberaden manier, alsof ze zich niet kon inhouden, op gewezen dat er een ‘e’ aan het einde van haar naam moest staan.

Ze was beleefd, maar niet spraakzaam en over het algemeen een beetje gestrest, alsof ze al wist dat het niet haar dag zou worden. Ze betaalde met een briefje van vijf dollar en deed dan altijd het wisselgeld van vijftig cent in de fooienpot. Ze droeg elke dag hetzelfde: een donkerblauw poloshirt, een korte broek en gympen met sokken.

Vandaag was ze gekleed voor het weekend, in een rok en een topje, maar ze zag er toch nog steeds uit als een soldaat buiten diensttijd, of een gymleraar die er niet in trapte als je met een smoesje kwam over buikkramp.

‘Papa zou mama nóóit iets aandoen,’ zei ze tegen haar zus. ‘Nooit.’

‘O mijn god, natuurlijk niet. Dat meende ik helemaal niet serieus!’

Het meisje met het blauwe haar hield haar handen omhoog en de serveerster zag de gerimpelde huid om haar ogen en mond en realiseerde zich dat ze helemaal niet jong was, ze ging alleen jong gekleed. Ze was iemand van middelbare leeftijd in een vermomming. Van een afstand zou je haar op twintig schatten; van dichtbij leek ze eerder veertig. Het voelde als een truc.

‘Pa en ma hebben een geweldig huwelijk,’ zei Brooke met een ‘e’, en iets in de verontwaardigde eerbied in haar stem deed de serveerster vermoeden dat ze, ondanks haar verstandige kleding, misschien wel de jongste van de vier was.

De knappere broer keek haar verwonderd aan. ‘Zijn we wel in hetzelfde huis opgegroeid?’

‘Geen idee, zeg het maar? Ik heb namelijk nooit iets van geweld gezien… Ik bedoel, kom óp!’

‘Hoe dan ook, ik ben niet degene die het suggereert. Ik zeg dat andere mensen het misschien suggereren.’

De blauwharige vrouw keek op en zag de serveerster staan.
De blauwharige vrouw keek op en zag de serveerster staan. ‘Sorry! We hebben nog steeds niet gekeken!’ Ze pakte de geplastificeerde menukaart op.

‘Geeft niet,’ zei de serveerster. Ze wilde meer horen.

‘We zijn namelijk allemaal een beetje afgeleid. Onze moeder wordt vermist.’

‘O nee. Dat is… zorgwekkend?’ De serveerster wist niet goed hoe ze moest reageren. Ze leken niet echt bezorgd. Deze mensen waren allemaal een stuk ouder dan zij – zou hun moeder dan niet écht oud zijn? Een oud dametje? Hoe kan een oud dametje vermist raken? Dementie?

Brooke met een ‘e’ kromp ineen. Ze zei tegen haar zus: ‘Dat zeg je toch niet tegen mensen.’

‘Neem me niet kwalijk. Onze moeder is mógelijk vermist,’ verbeterde de blauwharige vrouw zichzelf. ‘We weten even niet waar we haar hebben gelaten.’

‘Dan moet je je stappen nagaan,’ zei de serveerster, die het grapje meespeelde. ‘Waar hebben jullie haar voor het laatst gezien?’

Er viel een ongemakkelijke stilte. Ze keken haar allemaal aan met identieke donkerbruine ogen en nuchtere gezichtsuitdrukkingen. Ze hadden allemaal van die wimpers die zo donker waren dat het leek alsof ze eyeliner op hadden.

‘Je hebt nog gelijk ook. Dat is precies wat we moeten doen.’ De blauwharige vrouw knikte langzaam, alsof ze deze onzinnige opmerking serieus nam. ‘Onze stappen nagaan.’

‘We willen allemaal graag de appelkruimel met slagroom proberen,’ onderbrak de dure broer. ‘En dan laten we je weten wat we ervan vinden.’

‘Goeie.’ De goedkopere broer tikte met de rand van zijn menukaart tegen de zijkant van de tafel.

‘Als ontbijt?’ zei Brooke met een ‘e’, maar ze glimlachte wrang, alsof ze een of andere privégrap deelden over appelkruimel, en ze overhandigden allemaal hun menukaarten op die opgeluchte ‘dat is dan geregeld’-manier waarop mensen vaak een menukaart teruggaven, blij dat ze ervanaf waren.

De serveerster schreef 4x app.kr. op haar notitieblok en legde de stapel menukaarten recht.

‘Luister,’ zei de broer in de goedkopere versie. ‘Heeft iemand háár al gebeld?’

‘Koffie?’ vroeg de serveerster.
‘Koffie?’ vroeg de serveerster.

‘We willen allemaal een grote zwarte koffie,’ zei de dure broer en de serveerster maakte oogcontact met Brooke met een ‘e’ om haar de kans te geven te zeggen: ‘Nee, zo drink ik mijn koffie niet, ik heb altijd een extra grote, extra hete flat white met sojamelk,’ maar ze was bezig haar broer de les te lezen. ‘Natuurlijk hebben we haar gebeld. Een miljoen keer. Ik heb geappt. Ik heb gemaild. Jij niet dan?’

‘Dus vier grote koffie, zwart?’ vroeg de serveerster.

Niemand reageerde.

‘Oké, dus vier grote koffie, zwart.’

‘Niet mama. Háár.’ De goedkopere broer legde zijn ellebogen op tafel en drukte zijn vingertoppen tegen zijn slapen. ‘Savannah. Heeft iemand al geprobeerd met haar in contact te komen?’

De serveerster had geen excuus meer om te blijven hangen en hen nog verder af te luisteren. Was Savannah een andere zus? Waarom was die hier niet vandaag? Was zij soms de verschoppeling van de familie? De verloren dochter? Was dat de reden waarom die broer haar naam zo onheilspellend liet vallen? En hád iemand haar inderdaad gebeld?

De serveerster liep naar de toonbank, drukte met haar vlakke hand op de bel en legde hun bestelling met een klap neer.

2

Afgelopen september

Het was bijna elf uur op een kille, winderige dinsdagavond. Lichtroze kersenbloesems schoten op en wervelden door de lucht terwijl de taxi langzaam langs gerenoveerde historische huizen reed, elk met een middenklasse luxe sedan op de oprit en een ordelijk trio van verschillend gekleurde kliko’s op de stoep. Een koeskoes schoot over een zandstenen muurtje, gevangen in de koplampen van de taxi. Een kleine hond kefte één keer en viel toen stil. De lucht rook naar houtkachels, gemaaid gras en langzaam gegaard lamsvlees. De meeste huizen waren donker, op het waakzame knipperen van beveiligingscamera’s na.

Joy Delaney, op nummer negen, ruimde haar vaatwasser in terwijl ze luisterde naar de laatste aflevering van The Migraine Guy Podcast op de mooie nieuwe draadloze koptelefoon die haar zoon haar voor haar verjaardag had gegeven.

Joy was een kleine, slanke, energieke vrouw met glanzend, schouderlang, wit haar.
Joy was een kleine, slanke, energieke vrouw met glanzend, schouderlang, wit haar. Ze kon zich nooit precies herinneren of ze nou achtenzestig was of negenenzestig en soms hield ze zelfs rekening met de mogelijkheid dat ze zevenenzestig was. (Ze was negenenzestig.) Op dit moment droeg ze een spijkerbroek en een zwart vest over een gestreept T-shirt, met wollen sokken. Ze zag er zogenaamd ‘geweldig uit voor haar leeftijd’. Jongeren in winkels zeiden dat vaak tegen haar. Ze wilde dan altijd zeggen: ‘Je weet mijn leeftijd niet, gek, dus hoe weet je dat ik er geweldig uitzie voor mijn leeftijd?’

Haar man, Stan Delaney, zat in zijn ligstoel in de woonkamer, met op elke knie een icepack, en keek naar een documentaire over ’s werelds mooiste bruggen terwijl hij een zakje zoete chilizoutjes soldaat maakte die hij stuk voor stuk door een bakje roomkaas haalde.

Hun bejaarde staffordshireterriër, Steffi (vernoemd naar Steffi Graf, omdat ze als puppy al zo hard kon lopen), zat op de keukenvloer naast Joy en kauwde stiekem op een stukje krant. Het afgelopen jaar was Steffi obsessief gaan kauwen op elk papier dat ze in huis kon vinden, wat een psychische aandoening bij honden scheen te zijn, mogelijk veroorzaakt door stress, al wist niemand waar Steffi gestrest over zou kunnen zijn.

Maar goed, Steffi’s papierverslaving was in elk geval acceptabeler dan de verslaving van Otis, de kat van haar buurvrouw Caro, die ineens allerlei kledingstukken jatte uit de huizen aan hun hofje, inclusief, vernederend genoeg, ondergoed, wat Caro te gênant vond om terug te geven, behalve aan Joy natuurlijk.

Joy wist dat ze er met haar gigantische koptelefoon uitzag als een buitenaards wezen, maar dat kon haar niet schelen. Na jarenlang haar kinderen om rust te hebben gesmeekt, kon ze die rust nu juist niet meer verdragen. De stilte gierde door haar zogeheten lege nest. Dat nest was al jaren leeg, dus ze had er inmiddels aan gewend moeten zijn, maar vorig jaar hadden ze hun bedrijf verkocht en het voelde alsof alles abrupt tot stilstand kwam. In haar zoektocht naar rumoer was ze verslaafd geraakt aan podcasts. Vaak ging ze naar bed met haar koptelefoon nog op, zodat ze in slaap werd gewiegd op het slaapliedje van een spraakzame, gezaghebbende stem.

Zelf had ze geen last van migraine, maar haar jongste dochter wel, dus luisterde Joy naar The Migraine Guy Podcast voor nuttige tips die ze aan Brooke zou kunnen doorgeven, maar ook als een soort boetedoening. De afgelopen jaren was ze bijna ziek van spijt geworden vanwege de afwijzende, ongeduldige manier waarop ze in eerste instantie had gereageerd op Brookes kinderhoofdpijn, zoals ze het vroeger noemden.

‘Spijt’ zou sowieso het thema van mijn memoires kunnen zijn.
‘Spijt’ zou sowieso het thema van mijn memoires kunnen zijn, dacht ze, terwijl ze probeerde de kaasrasp naast de braadpan in de vaatwasser te schuiven. Een spijtig leven, door Joy Delaney.

Gisteravond was ze naar de eerste sessie geweest van een cursus ‘Dus je wilt je memoires schrijven?’ op de avondschool in de buurt. Joy wilde helemaal geen memoires schrijven, maar Caro wel, dus hield ze haar daar gezelschap. Caro was weduwe en verlegen en wilde niet alleen gaan. Joy zou Caro aan een vriendin helpen (ze had al een geschikt iemand op het oog) en dan zou ze afhaken. Hun leraar had uitgelegd dat je het proces van het schrijven van memoires begon door een thema te kiezen en daarna was het gewoon een kwestie van anekdotes vinden om het thema te ondersteunen. ‘Misschien is jouw thema “Ik ben voor een dubbeltje geboren, maar moet je me nu eens zien”,’ zei de leraar en alle dames met hun keurige pantalons en pareloorbellen knikten plechtig en noteerden voor een dubbeltje geboren in hun gloednieuwe schriftje.

‘Nou, voor jou is het tenminste duidelijk wat het thema van je memoires moet worden,’ zei Caro op weg naar huis tegen Joy.

‘O ja?’ zei Joy.

Tennis. Jouw thema is tennis.’

‘Dat is geen thema,’ zei Joy. ‘Een thema is meer zoiets als “wraak” of “succes tegen alle verwachtingen in” of…’

‘Je zou het Game, Set and Match, het verhaal van een tennisgezin kunnen noemen.’

‘Maar dat is… We zijn geen tennisstérren,’ zei Joy. ‘We hadden gewoon een tennisschool en een tennisclub. Wij zijn de familie Williams niet.’ Om de een of andere reden vond ze Caro’s opmerking irritant. Verontrustend, zelfs.

Caro keek perplex. ‘Waar heb je het over? Tennis is de passie van jullie gezin. Mensen zeggen altijd: “Volg je passie!” En dan denk ik bij mezelf: goh, hád ik maar een passie. Zoals Joy.’

Joy was op een ander onderwerp overgestapt.

Nu keek ze op van de vaatwasser en herinnerde zich Troy, als jonge jongen, hier in deze keuken, zijn racket vastgegrepen als een wapen, gezicht rood van woede, zijn mooie bruine ogen vol verwijt en tranen die hij weer inslikte, al schreeuwend: ‘Ik haat tennis!’

‘Oei, heiligschennis!’ had Amy gezegd.
‘Oei, heiligschennis!’ had Amy gezegd, omdat het haar rol als oudste was om elke familieruzie van commentaar te voorzien en moeilijke woorden te gebruiken die de andere kinderen nog niet begrepen, terwijl Brooke, nog zo klein en schattig, in onvermijdelijk huilen was uitgebarsten en Logan een uitgestreken, onnozel gezicht opgezet had.

‘Je haat tennis helemaal niet,’ had Joy tegen hem gezegd. Het was een bevel. Wat ze bedoelde was: je mág tennis niet haten, Troy. Wat ze bedoelde was: ik heb de tijd of de kracht niet om jou toe te staan tennis te haten.

Joy schudde licht met haar hoofd om de herinnering van zich af te zetten en probeerde haar aandacht weer op de podcast te richten.

‘… zigzaglijnen die door je gezichtsveld zweven, glinsterende vlekken of sterretjes; mensen met aurasymptomen bij hun migraine zeggen dat… ’

Troy had niet echt een hekel aan tennis. Sommige van hun gelukkigste familieherinneringen speelden zich af op de tennisbaan. De meeste. Sommige van hun naarste herinneringen speelden zich daar ook af, maar kom op, Troy speelde nu nog steeds. Als hij echt zo’n hekel had gehad aan tennis, zou hij nu hij in de dertig was niet nog altijd de baan op gaan.

Was tennis echt het thema van haar leven?

Misschien had Caro gelijk. Zij en Stan hadden elkaar misschien nooit ontmoet zonder tennis.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief