leesfragment

LEESFRAGMENT: Chris Van Camp over het leven als onecht kind in ‘De kus van Dabrowski’

Chris Van Camp heeft op z’n zachtst gezegd een heftig leven geleid. In De kus van Dabrowski vertelt ze over hoe het ‘pijnkabinet’ van een onecht kind een schatkamer werd.

Chris Van Camp neemt je in De kus van Dabrowski mee naar de laatste zeven levensdagen van haar hoogbejaarde moeder. Ze hebben wel vaker afscheid genomen, met stille trom of slaande deuren. Voor de moeder was ‘wat dé mensen zouden denken’ van levensbelang, terwijl voor de dochter de waarheid over haar bastaardschap levensnoodzakelijk was.

Uitgerekend in die woordeloze, intense, lange dagen komt de auteur het boek van de vergeten, Poolse Kazimierz Dabrowski tegen. Zijn Positieve Desintegratie-theorie, die al dat vallen en opstaan rechtvaardigt, voelt als thuiskomen. En plots zijn alle giftige zinnen uit ‘het pijnkabinet’ een godsgeschenk…

Het verklaart haar té felle emoties, haar onnoemelijke pijn, haar zucht naar autonomie, maar ook haar veerkracht. Deze aha-erlebnis zorgt ervoor dat ze haar deviante jeugd en de bijbehorende vloedgolf van haarscherpe, vaak pijnlijke herinneringen als haar ware erfenis gaat koesteren.

De kus van Dabrowski is een literaire tocht door het leven van de auteur, waarin verleden en heden zich verweven in een web van emoties, herinneringen en inzichten die je genadeloos naar de keel grijpen. Lees hier alvast het eerste hoofdstuk.

1.

‘Gaat het zo?’ De geveinsde betrokkenheid van de bediende bij de bakker had haast iets onwelvoeglijks. Wie weet zelfs pervers, als ze zou kunnen aanvoelen dat ik niet veel nodig heb om in een emotionele tsunami terecht te komen. Maar van zulk inzicht verdenk ik haar niet. Het is vast niet meer dan een standaardzinnetje dat beschaafd onze transactie afsluit. Ik koop een brood, ik betaal, en nu wil ze zeker zijn dat ik mijn buit ook eigenhandig naar buiten kan slepen. Weg met die handel. Wat kan het haar schelen dat er naar aanleiding van nachtelijke maagpijnen glutenintolerantie bij mij is vastgesteld. Zo’n brood is als een bom voor me. ‘Gaat het zo?’ Als je het per se wilt weten: niet echt, nee.

Ik speel mens en vraag me af hoe dat moet.

Sinds enkele dagen groeit de afstand weer tussen mij en de wereld. Het is alsof ik verplicht word in te zoomen op de kleinste details van mijn routines. Ik speel mens en vraag me af hoe dat moet. Ik kijk naar mezelf in winkelramen en zie een trieste versie van wie ik dacht te zijn. Het rode haar is er nog, zij het wat misplaatst bij de verder middelbare vrouw die zich synchroon met mij beweegt. Het staat te gebeuren, zoveel is zeker. Als de rokken van een ui worden straks al mijn zogenaamde zekerheden afgepeld. Elk houvast smelt bij de minste aanraking. Een onzichtbare hand heeft mij uit de race gehaald. Ik spartel tussen duim en wijsvinger van het lot. Als een houdini behangen met kettingen en zeven sloten zal ik ondersteboven in een watertank neergelaten worden. Het is gewoonweg een kwestie van op tijd te ontsnappen. Daarna is er de triomf.

‘Of heeft u graag een zakje? Dat is dan 50 cent.’ We zijn weer terug bij het brood. Eerder werd ik verzocht te kiezen tussen wit of bruin. Ik ging voor wit omdat ik geen zin had in een opsomming van de tientallen graansoorten, waarna ik dan weer een op niets gebouwde beslissing moest nemen. Ik haat dat afgedreunde broodvariantenlijstje net zo fel als de halfslachtige bewegingsroutine waarmee stewards je tonen wat je moet doen wanneer het vliegtuig dreigt neer te storten. Iets met blazen in een pijpje dat aan een vest zit dat je niet weet liggen. Groot of klein? O ja, of ik het graag gesneden had, dat had ze ook nog gevraagd. Ik snij liever zelf. Het tegen je borst drukken van een brood en er vervaarlijk een mes doorhalen heeft iets authentieks. ‘Wit, klein en ongesneden graag.’ Zijn er dan geen evidenties? Ja, geef me dat triljoenste plastic zakje maar, dat straks een avontuurlijker leven gaat leiden dan ik, en allicht in de oceaan terechtkomt. In de maag van een potvis die het televisiejournaal haalt wanneer hij ergens aanspoelt. Ik heb dat zakje nodig. Echt nodig, want de rugzak die ik al heel mijn leven meedraag, zit zo vol dat de naden op springen staan. Ernaar wijzen zou hem tot ontploffing kunnen brengen. En ik banjer daar gewoon mee rond. Dag in dag uit. Niemand die de ontmijningsdienst verwittigt. Niemand die ziet dat ik op mijn laatste benen loop.

De rugzak die ik al heel mijn leven meedraag, zit zo vol dat de naden op springen staan.

In onze ‘happy cultuur’ voel ik mij een levend anachronisme. Zelfs al laat ik me meevoeren in een jolige polonaise, de treurnis om de onvolmaaktheid van het leven danst als een sylfide om mij heen. Waarom worden we in een hinderlaag van vlees, stront en beenderen gelokt, in de veronderstelling dat we er uiteindelijk van gaan houden? Onnodig te zeggen dat deze ontgoocheling in de maat van ons bestaan gepaard gaat met een verlangen naar het echte, volle leven. Geen donker zonder licht, geen yin zonder yang, geen weltschmerz zonder onblusbare levensdrang, zonder geloof in een waardig alternatief.

Toch kun je je treurnis, ingegeven door lust for life, maar beter in het verborgene belijden. Al was het maar om aan de labels bipolair, borderline of manisch-depressief te ontsnappen. Waarom zijn we toch zo vervreemd van de natuurlijkheid van deze dualiteit die juist persoonlijke groei aandrijft? De klassieke literatuur staat er bol van. Van vallen en opstaan, compleet uiteenvallen en beter doorgaan. Maar goed, weltschmerz live is niet langer toegestaan. Het zou verzuurd en asociaal zijn. Er zijn nu andere diagnoses, doeltreffende designermedicatie en virtueel sociaal engagement als pleister op de wonde. Onze angst voor het verlies van gemoedsrust wordt stilaan grotesk. Hoe groot is de onzekerheid als je ziet hoe angstvallig we elk individueel falen proberen te verijdelen? Dra komt er een verplichte vermelding op boekcovers: ‘Het lezen van deviante levens kan uw mentale gezondheid schaden.’ Maar naar wiens beeld zijn dan straks de romanhelden geschapen? Heb het leven lief en veracht het met verve. Meer dan gelijkmoedigheid is dat des mensen.

Van vallen en opstaan, compleet uiteenvallen en beter doorgaan.

Ik word achtervolgd door een middelbare vrouw met rood haar, die desperaat probeert het plastic tasje met dito wit brood als een fashion item aan de hand te laten bungelen. Stratenlang, winkelraam na winkelraam. Wat moet ik met haar? Ze past niet in mijn kleren. Ze is altijd moe en heeft het met die overroepen toekomst wel gehad. Ze zou wijs zijn, dat wel, maar daar is voorlopig niets van te merken.

Diep in mijn broekzak trilt mijn gsm. Communicatie. Mensen die wat van me willen. Ik wil vooral met rust gelaten worden. Ik ben bezig, zien ze dat dan niet? Ik transformeer in een wezen dat ik niet eens ken. Dat is echt intens genoeg. Bovendien dreigt elk telefoontje hét telefoontje te zijn. Het startsein dat je moet stoppen, waarmee je ook bezig bent, en alles moet achterlaten. Er is geen reddingsvest, geen pijpje om in te blazen. Er is alleen het telefoontje dat je leven nog maar eens verandert, dat je ondanks je geloof in de maakbaarheid van je parcours op de knieën dwingt voor het lot. Ik negeer de oproep. Ik kijk niet.

Ik kijk wel. Het is mijn broer. Hij gaat me iets vertellen waar ik niet klaar voor ben of liever, waar ik klaar mee ben. Daar ben ik nog niet uit. Als hij gewoonweg belt om onze lekke familieband nog eens op te pompen, ben ik boos. Ik wil niet weer aan het infuus waarlangs de pijn langzaam binnensijpelt en mijn ziel vergiftigt.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief