leesfragment

Leesfragment: ‘De brandende zon’ – Christoffer Carlsson

0

De brandende zon van Christoffer Carlsson: melancholische Scandinavische crime.

1986. Op de dag dat Olof Palme wordt doodgeschoten in Stockholm ontvangt de politie in het kleine dorpje Tiarp een telefoontje van een man die zegt een vrouw te hebben vermoord. ‘Ik ga het weer doen,’ wordt er gezegd, en dan wordt de verbinding verbroken. De moord op Olof Palme zal Zweden voor altijd veranderen, maar voor politieagent Sven Jörgensson en zijn tienerzoon Vidar zal de zaak van de omgebrachte vrouw een levenslange obsessie worden. Het lijkt er namelijk op ook twee andere vrouwen het slachtoffer zijn geworden van de zogenaamde Tiarpman. Er zijn weinig aanwijzingen, maar Sven zet de achtervolging in. Wie is de moordenaar? Wie wordt zijn volgende slachtoffer? En hoelang zal het duren voordat hij wordt ontmaskerd?

De brandende zon is een meeslepende en gelaagde thriller over boetedoening, verantwoordelijkheid en het verlies van onschuld.

Lees hier al de eerste hoofdstukken!

1.

Het was in de zomer toen Evy Carlén erg ziek werd en begreep dat ze nog maar kort te leven had en me toevertrouwde dat ze wist wat er was gebeurd met Sven Jörgensson en zijn zoon Vidar in Tiarp.

We kenden elkaar nog niet zo lang. Ik wist dat Evy bij de politie had gewerkt en een paar jaar na haar pensionering was verhuisd naar het huis in de buurt van Tofta. Haar man Ronnie was over­leden en als weduwe besteedde ze veel tijd aan de mooie tuin rondom hun huis. Het huis stond een paar kilometer het bos in. Daar ontmoetten we elkaar.

Sinds mijn terugkeer leid ik een vrij rustig leven. Dat is ook precies wat ik wil. Ik ben de veertig gepasseerd en mijn dagen zijn niet gevuld met kinderen, vrouwen of andere storende elementen. Ik breng mijn tijd door met schrijven en lezen. Een paar keer per week neem ik de auto en ga boodschappen doen, breng een bezoek aan de boekhandel of ga bij mijn ouders langs. Die zijn over de zeventig nu. Soms rij ik naar Lund waar mijn broer werkt en waar mijn uitgever de helft van de tijd zit. Zoveel meer doe ik niet. Als ik zin heb loop ik naar de bushalte aan de Växjövägen, waar de bus me naar de stad brengt om daar een kop koffie of een biertje met een oude bekende te drinken. Dat gebeurt steeds minder vaak.

De enige echte regelmaat in mijn bestaan naast het schrijven en het lezen, is wandelen. In de jaren dat ik in Stockholm woonde wandelde ik eigenlijk nooit, behalve van A naar B of vice versa, maar hier loop ik bijna elke dag een paar kilometer. Ik weet niet goed waarom ik daar behoefte aan heb, maar blijkbaar is dat zo. Naast het glas whisky dat ik me wel eens gun na een bijzonder productieve dag zijn wandelingen een van de weinige beloningen die ik mezelf toesta.

De eerste keer dat ik haar ontmoette was eind juni. De oude vrouw stond in de tuin met een open zak tuinaarde voor zich. Door de stilte van de omgeving was het voor haar niet moeilijk om me op te merken toen ik aan kwam lopen. Ze keek op, zag me, knikte en glimlachte.

‘Jij bent zeker degene die in het huis is komen wonen bij de weg? In het gele huis?’

‘Ja, dat ben ik, ik ben hier onlangs komen wonen,’ zei ik. ‘Waar heb je hiervoor gewoond?’

‘In Stockholm. Maar ik kom hier oorspronkelijk vandaan.’ ‘Ik heb je hier in de omgeving zien wandelen.’

‘Dat doe ik altijd. Het is mooi hier.’

‘Nou ja. Misschien wel. Tja, je ziet het zelf niet meer.’ Ze kwam naar het hek en stak haar hand uit. ‘Ik ben Evy.’

Toen ik me voorstelde zei ze: ‘Juist ja. Jij bent die schrijver. Ja, toch?’

‘Ja,’ zei ik, hoewel ik sinds mijn terugkomst geen letter meer op papier had gekregen. ‘Ik denk het.’

‘Ik heb niets van jou gelezen, moet ik bekennen.’ ‘Dat hoeft ook niet. Woon je hier al lang?’

‘Alweer bijna vijftien jaar. Mijn man en ik kochten het huis. Nu ben ik nog alleen over. Ik heb overwogen om het te verkopen, natuurlijk,’ ging ze verder, alsof het een vraag was die ze vaak te horen kreeg, ‘maar ik weet het niet, waar zou ik naartoe moeten? Tachtig jaar oud. Ik ga maar gewoon door met leven.’

De volgende keer dat we elkaar zagen, zo’n week later, nodigde ze me uit voor een kop koffie en we wisselden telefoonnummers uit. We zaten in haar keuken. Evy had een nieuwe mobiele tele­foon die ze van een van haar kleinkinderen had gekregen en ik liet haar zien hoe de wekker werkte.

Soms kwam ze bij mij langs. We dronken wijn, praatten, kaart­ten en hielden elkaar gezelschap. Ze vertelde anekdotes uit haar leven als politieagent, hilarische en droevige verhalen over her­rieschoppers en verslaafden, slachtoffers en naasten. Hoe anders het voor een vrouw was geweest in het korps in die tijd, maar ook weer niet. Ze liet me foto’s uit een fotoalbum zien en sprak over haar overleden man Ronnie, over haar kinderen en kleinkinderen, over haar broer Einar. Ik zei dat ik terug naar mijn ouderlijk huis was verhuisd, dat ik had geprobeerd dat op te knappen maar niet had geweten hoe, dat ik al een hele tijd niet had kunnen schrijven of niet eens iets had om over te schrijven.

‘Dat klinkt eenzaam. Ik bedoel, jij. Jij lijkt eenzaam.’ ‘Jij ook,’ zei ik.

Ze grinnikte.

‘Dat is niet hetzelfde.’

Haar ogen waren alert en ontwapenend op een manier die ik niet gewend was, alsof de blik een kunst was die zij verworven had en waar ze veel profijt van had gehad tijdens de jarenlange ont­moetingen met degenen die in de klauwen van de politiemacht waren gevallen. Het zou nog een tijd duren voordat ik begreep dat ze ondanks haar sobere achtergrond jarenlang sigaretten had moeten roken en de zenuwen van de nacht had moeten kalmeren met gin om zich staande te houden.

Op een dag in het begin van augustus ging er iets mis. Evy was vroeg in de ochtend wakker geworden en had zich vreemd ge­voeld. Er was iets met haar evenwicht, ze werd duizelig toen ze haar ochtendkoffie zette en toen ze de hal in liep moest ze steun zoeken bij de muur omdat alles ineens vreemd overhelde. Ze werd steeds misselijker. Staand voor de spiegel rekte ze zich uit en probeerde te glimlachen, ook al wilde ze dat niet. Haar ene mondhoek bewoog niet mee. Ze zag er scheef uit. Ze tilde haar armen op en begon tot tien te tellen maar stopte toen ze haar linkerarm weer naar beneden zag zakken. Ze trok een gemakke­lijke stoel naar zich toe en belde 112.

‘Ik heet Evy Carlén. Het is een mooie ochtend. Ben ik te ver­ staan?’

‘Sorry,’ zei de operator aan de andere kant. ‘Kun je dat herhalen? Ik verstond het niet. Wat is je naam?’

‘Ik heet Evy Carlén en ik zei: het is een mooie ochtend. Ben ik te verstaan?’

‘Ik zie dat je belt van Norteforsen vlak bij Tofta. Is het Norte­ forsen 195? Wat is je naam? Ik kan je moeilijk verstaan.’

‘Juist ja,’ zei Evy met een zucht. ‘Ik begrijp het. Nou, dan moeten jullie nu komen.’

Ze ging moeizaam naar de voordeur met de mobiele telefoon in haar hand en draaide de sleutel in het slot om zodat ze binnen konden komen. Ze zakte in elkaar op de vloer, want het was zo ver weer terug. Toen de ambulance arriveerde was ze bewusteloos.

Ik hoorde dat ze een beroerte had gehad. En toen ze wakker werd in het ziekenhuisbed had ze noch kunnen praten, noch zich iets bijzonders kunnen herinneren. Het enige wat ze deed was in huilen uitbarsten. Er gingen dagen voorbij voordat ze iets kon zeggen en toen ze weer iets zei, noemde ze een naam. Maar het was niet de naam van haar overleden man of van haar vriendin met wie ze af en toe afsprak op Kupan, niet de naam van haar broer Einar of van een van haar kinderen of kleinkinderen. Ze zei: ‘Sven Jörgensson.’

En toen barstte ze weer in huilen uit.

Tegen die tijd had ze waarschijnlijk begrepen dat ik niet he­lemaal eerlijk tegen haar was geweest, dat ik haar in feite had bedrogen. Maar wat moest ik doen. Toen Evy haar beroerte kreeg, was mijn leven zich langzaam gaan centreren rond wat er dat vroege voorjaar lang geleden in Tiarp was gebeurd.

Moreel lijden is eigenaardig. Het kan de sterken net zo goed treffen als de zwakken en geen chirurgie, pijnverlichting of kunst­matige beademing helpt. Die morele pijn is van een andere soort. De enige oplossing is dat je je er langzaam door laat verteren, of dat je je er met drastische middelen van bevrijdt.

En zij zou me dat leren.

 

2.

Toen ik klein was zag ik Sven Jörgensson meerdere keren in de week. Dat gebeurt wanneer je in een plaats als Tofta opgroeit, je komt heel wat te weten over iedereen zonder dat je er echt moeite voor hoeft te doen.

Ik woonde met mijn broer Rasmus en mijn ouders vlak bij het meer Toftasjön langs de rijksweg naar Simlångsdalen. Vanaf het jaar dat ik tien werd, in 1986, ging ik met de schoolbus naar de Snöstorp­school. Elke ochtend liep ik naar de brievenbussen aan de kant van de weg en wachtte tot die oranje­witte oude bus de bocht om zou komen op de weg naar Skedala. Ik herinner me de naam van de buschauffeur niet meer maar het was altijd dezelfde dunharige en zwijgzame man. Hij kwam vanuit de stad rijden, stopte bij ons en ging dan verder richting Marbäck tot de bus keerde bij Toftas Konstgård, terugreed langs de rijksweg en afsloeg naar Snöstorp.

Mijn broer is drie jaar jonger dan ik en toen hij op school begon, stonden we samen bij de brievenbussen. Nooit voelde ik me zo volwassen als toen ik die vroege ochtend naast hem stond met zicht op de weg en erop lette dat hij niet bij de rand ging staan, dat de reflector op zijn jas zichtbaar was in de herfst en de winter wanneer de ochtend zwart was en dat hij alles bij zich had. Met zevenjarigen wist je het maar nooit.

Toen zagen we Sven Jörgensson altijd. Hij kwam aanrijden in de auto vanaf Marbäck, gekleed in zijn uniform met zijn ver­moeide gezicht, een sigaret in de mondhoek en het zijraampje ietsje naar beneden, met kleine oogjes kijkend naar de ochtend alsof hij bezig was met een intensief onderzoek waar wij kinderen nog geen weet van hadden. Soms reed hij in de politieauto, maar meestal nam hij zijn eigen rode Volvo Kombi. Dan was het ietsje lastiger om hem van een afstand te onderscheiden, maar het kon wel.

Op een ochtend toen de Volvo voorbijreed hielden we onze adem in. Een dikke rode smurrie was vanaf het dak van Svens auto gelopen, langs de achterruit en de spatborden en vervolgens gestold.

Mijn broer en ik hadden het niet meer. De hele weg naar school zaten we te speculeren wat er gebeurd zou kunnen zijn, fluister­den mogelijke verklaringen en wisselden scenario’s uit, het ene nog spectaculairder dan het andere. Hij had misschien een dief opgepakt en hem verwond. Hij had hem misschien neergescho­ten. We wisten dat Sven een pistool droeg, want dat deden alle politieagenten. Of misschien was hij gedwongen geweest om met iemand op het dak van de auto te vechten, met iemand die duidelijk had verloren, misschien een man die iets kostbaars uit een winkel had gestolen en had geprobeerd te vluchten. Sven had misschien een dief halfdood geslagen met zijn wapenstok.

Toen we het ’s avonds aan mijn vader vertelden, die ook in die tijd een man met humor was, was hij net zo verbaasd als wij.

‘Stel je voor dat er zich hier vlakbij een dergelijk misdaaddrama heeft afgespeeld. Misschien was dat wat ik hoorde. Het schot, dus.’

‘Het schot?’ Ik keek mijn broer aan. ‘Welk schot?’

‘Ik werd om een uur of drie wakker vannacht. Jullie weten hoe je soms kunt dromen en de werkelijkheid onderdeel wordt van je droom?’

‘Ja,’ antwoordde mijn broer met grote ogen.

‘Ik weet nog dat ik droomde over een deur die zo verdomd hard dichtsloeg dat het behoorlijk hard knalde.’ Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en liet zijn stem zakken. ‘Misschien was dat in het echt Sven wel die de dief neerschoot.’

We zaten gebiologeerd te luisteren tot mijn moeder veelbe­tekenend met een vermoeid glimlachje haar hoofd scheef hield. Toen begon hij te lachen en met een stem die plotseling zonder fantasie en opwinding was en plaats had gemaakt voor de saaie vaderlijke werkelijkheid, zei hij dat het immers niet uitgesloten kon worden dat het een dief was geweest. Dat het was misge­gaan in een handgemeen op het dak of dat er iets van de andere gebeurtenissen die wij hadden bedacht klopte. Maar, voegde hij eraan toe, Sven had ooit gejaagd. Maar dat deed hij nu niet meer, hij had zijn wapens ingeleverd en zo, maar hij kende nog steeds Lennart Börjesson, Göran Lundgren en de andere jagers van het dorp. Af en toe hielp hij hen met de dieren die ze schoten. Laatst hadden ze een eland geschoten en Sven had hem op het dak van zijn auto gelegd omdat de anderen te weinig ruimte hadden en het zeildoek waar ze hem in hadden gelegd, was gaan lekken.

We waren teleurgesteld, uiteraard. Maar het was, als je erover nadacht, erg on­Svens om een andere persoon zomaar neer te schieten, ook al was het een dief. Of zelfs iemand te slaan. Sven was immers Sven. We zwaaiden altijd naar hem wanneer hij ’s ochtends voorbijkwam. Soms zwaaide hij terug. Het leek of hij glimlachte, niet te erg want dan zou de sigaret uit zijn mond vallen, maar toch glimlachte hij.

In de omgeving rond Marbäck en Tofta woonden in die tijd twee automonteurs. De ene was Peter Nyqvist aan de Svanåsvä­gen, verderop in het dorp. De andere was mijn vader. Hij werk­ te bij Rejmes in Halmstad, achter Sannarp recht tegenover de brandweerkazerne. Wanneer de auto’s in de regio Marbäck ka­potgingen wendde men zich tot hem of tot Peter om een eerste inschatting te krijgen van de ernst van de situatie, vooral in de zomer en de weekenden. De auto naar een garage zien te krijgen was immers een project op zich, daarom kon je beter eerst mijn vader of Peter er even naar laten kijken. Goedkoper ook. Hoe vaak ik wel niet wakker ben geworden van de telefoon en dat ik mijn vader hoorde opstaan en een beetje slaapdronken hoorde opnemen, Heeh, hallo Göran en O, verdomme, dat is balen zeg en Ja, ik ben thuis, prima, kun je hem hierheen rijden?

We raakten eraan gewend om auto’s die niet van ons waren op de oprit te zien, opgekrikt met de motorkap open, mijn va­der die op zijn rug op een versleten schuimrubberen matje lag dat ooit geel was geweest maar nu donkerbruin van de olie en vuiligheid. Ik kan me herinneren dat het twee keer de auto van Sven Jörgensson was. Ik weet niet meer wat voor weer het was, wat er aan de auto mankeerde, of mijn vader hem op de oprit kon repareren of dat hij de berger Kenneths Bilbärgning moest bellen. Het enige wat ik me herinner is Sven.

Svens kin was breed en hoekig als een graafbak, zijn handen groot als voorhamers. Hij had brede schouders en dun haar, een buik die iets naar voren stak door het slechte politie­-eten en het bier dat hij graag ’s avonds dronk. Hij zag er eigenlijk eerder uit als een boer dan als een politieman. Maar iedereen wist dat hij politieman was. Het definieerde hem. Mijn broer en ik stonden bij het raam of zaten op de buitentrap en bestudeerden nauwkeurig hoe hij zich bewoog, hoe hij sprak, hoe hij zijn sigaret in zijn ene hand hield en de andere op de riem van zijn spijkerbroek liet rusten, alsof de holster ontbrak die daar moest zitten om alles compleet te maken. Terwijl mijn vader de auto nakeek, hadden ze het over hun huizen, wat er gedaan moest worden en wat er al gedaan was, over auto’s, vakanties, voetbal, Breared tegen Snöstorp, wat geëindigd was met 1­2, wat er verderop in Marbäck gebeurde en hier in Tofta, en over ons. De kinderen.

Sven en zijn vrouw Bibbi hadden een zoon, Vidar. Hij was net zijn vader, groot en sterk en teerhartig. Vidar ging naar de mid­delbare school, was aanvaller in het voetbalteam van Breared, hakte al hout als een kerel en was bij iedereen geliefd. We hadden hem wel eens in het dorp gezien en hoorden vaak zijn naam. Die kon zelfs Vidar Jörgensson niet vellen, weet je, we moesten een bedrijf uit de stad bellen, zei boer Andersson een keer en hij knikte naar een bijzonder grote spar die aan de rand van de koeweide stond. Oei, zien jullie, nu zijn jullie in de buurt van Vidar Jörgenssons oude record, riep onze gymleraar uit toen hij geconcentreerd de lat van het hoogspringen tot de duizelingwekkende hoogte van een meter zesenzeventig schoof. Vidar deed af en toe klusjes bij de boeren, voornamelijk omdat hij het leuk vond. Hij kwam toen al overeen, herinner ik me, met zijn plek, zijn leven en zijn dromen, wat die ook hadden kunnen zijn geweest.

Jullie zeggen het wel als jullie iets nodig hebben, of als ik jullie kan helpen. Dat zei Sven soms, en wanneer hij op je neerkeek met zijn groene heldere ogen, een grote, zware hand op je schouder legde en zei pas goed op, jochie, en wees aardig tegen je ouders, nam ik deze woorden zeer serieus juist omdat ze van hem kwamen. Hij noemde me jochie, maar keek bijna naar me alsof ik volwassen was.

Het was niet dat we zoals Sven wilden zijn. Het was de wereld die je in zijn nabijheid kon voelen, die illusie dat het mogelijk was om onszelf te veranderen, om Marbäck en Tofta en de mensen en het leven te veranderen, die zo’n sterke aantrekkingskracht had. Dat die wereld veilig en zeker was, dat ook onze kleine stappen op de aarde een bedoeling hadden en zinvol waren, dat we het verschil konden maken en dat we erop konden vertrouwen dat we nooit buitengesloten werden. Dat iemand ons altijd zag.

Sven moet toen al ziek zijn geweest. Dat was alleen niet te merken. Of dat was het wel, we wilden het waarschijnlijk niet zien. Veel van wat er eigenlijk wel is, zie je niet, omdat het te pijnlijk zou zijn.

 

3.

Dat ik nu, zoveel later, ben gaan schrijven over Sven en Vidar lijkt bijna onwerkelijk. Soms zijn we dicht bij elkaar in de buurt geweest, af en toe heel dichtbij, ik stel me levenslijnen voor die elkaar een tel kruisen en op het punt staan zich met elkaar te vervlechten maar om de een of andere reden op het laatste mo­ment van richting veranderen.

Het had anders kunnen gaan. Ik heb veel aan hen gedacht, deze twee mannen en de tand des tijds, alles wat er kon plaatsvinden zonder dat het opgemerkt werd.

Op een avond in mei 2019, een paar maanden na mijn terugkeer, was ik in Halmstad. Om precies te zijn, ik zat in een café. Mijn huwelijk met Sara was op de klippen gelopen en de papieren wa­ren ondertekend, de boedelverdeling afgehandeld, het hoofdstuk afgesloten en de lei schoon. Ik was pas gescheiden en had geen zin om überhaupt iets te doen, laat staan schrijven. Zo ongeveer. Ik had met opzet een café gekozen dat wat achteraf lag, in de buurt van Lilla Torg. Bijna alle gasten zaten op het terras in de avondzon, dus ik koos een tafel binnen in de hoek vlak bij de bar, in de hoop dat ik niet hoefde op te staan wanneer ik wilde bestellen. De barkeeper leek op dat punt coöperatief.

Het thuiskomen was niet zoals ik me had voorgesteld. Ik stond versteld van hoe weinig er in bijna dertig jaar was veranderd en, besefte ik, teleurgesteld, nog wel om redenen die ik niet echt begreep. Wilde ik verandering zien? Ik, die juist was teruggekeerd om in het verleden te leven?

Dat is het dilemma van de terugkeerder. Eigenlijk kun je niet terugkeren en degene die het toch probeert, raakt alleen maar in verwarring. Misschien vindt daar de werkelijke verandering plaats, niet bij dat waarnaar men terugkomt, maar bij degene die terugkomt.

Ik zat daar zwaarmoedig een biertje te drinken, luisterde naar het anonieme gekabbel van de loungemuziek uit de geluidsinstal­latie en staarde uit het raam. Zo nu en dan passeerde er iemand buiten op straat. De vrouwen zagen er mooi uit, maar de mannen op de een of andere manier uitgeteerd.

Ik werd dit voorjaar in beslag genomen door oude gedachten, gedachten aan het verleden, dat wat ooit lang geleden en onlangs was gebeurd, gedachten aan mijn jeugd en de voorbeelden die ik had gehad, de dromen. Over mannen en vrouwen die elkaar meer hadden beloofd dan ze waar konden maken.

Een grote, vermoeide persoon kwam binnen en liep naar de bar. Hij leunde tegen de toog alsof hij steun nodig had, bestelde een bier en keek om zich heen met de fles in zijn hand.

Hij keek me recht aan. Toen zag ik wie het was. ‘Vidar?’

De grote man deed een paar stappen dichterbij, kneep zijn ogen halfdicht.

‘Wurm? Verrek, ben jij het?’

Ik stond op van mijn stoel en stak mijn hand uit. Vidar gaf me een hand die al koud en vochtig was geworden van het flesje bier. Zijn handen waren smerig en de nagels hadden rouwranden, alsof hij onlangs aardappelen had gerooid.

‘Jou heb ik in, wat zal het zijn? Dertig jaar niet meer gezien? Ben je hier op bezoek?’

‘Ik ben hier weer komen wonen,’ zei ik. ‘Sinds wanneer dan?’

‘Februari. Sinds, ongeveer zo’n drie maanden?’ ‘Schei uit. Wat ga je hier doen?’

‘Tja.’ Ik lachte. ‘Schrijven, is de bedoeling. Werken. Leven.’

Hij opende zijn mond om nog iets te zeggen, maar bedacht misschien ineens waarom hij hier überhaupt naartoe was geko­men want hij keek weer om zich heen, naar al die lege stoelen.

‘Het is goed,’ zei ik. ‘Ik ben hier ook niet voor gezelschap.’

Vidar keek naar mijn halfvolle bierglas. Hij nam een grote slok uit zijn fles en de helft van de inhoud verdween. De zware stem bulderde uit zijn borstkas.

‘Het eerste biertje kunnen we praten. Het tweede drinken we in stilte.’

Hij trok een stoel uit en ging zitten.

Wurm. Het was lang geleden dat ik dat had gehoord, maar zo werd ik altijd genoemd. We waren met zijn tweeën in de klas met dezelfde naam en ik hield van boeken. Mijn naamgenoot niet, zijn eerste liefde was ijshockey. De fantasie reikt niet altijd verder dan dat, maar dat hoeft ook niet. Ik weet niet wie als eerste met die naam kwam, maar ergens in een grijs verleden op het schoolplein was het aanvankelijk Boekenwurm geweest. Na verloop van tijd werd het Wurm. Het had erger gekund, een jongen werd Boon genoemd omdat iemand had gezegd dat hij op Mr. Bean leek, maar het allerergst was het wel voor de jongen die Rukker werd genoemd, om te bedenken waar die naam vandaan kwam hoef je geen schrijver te zijn.

Het was raar om die naam weer te horen. Vreemd dat Vidar het nog wist.

Nu pas zag ik dat ook zijn kleren onder de aarde zaten, dat de donkere delen van zijn gezicht niet alleen maar baardstoppels waren maar ook vuiligheid. Hij rook zwaar naar natuur en zweet en was verontrustend ouder geworden.

Voor mij, die hem ooit had bewonderd, was het onverwacht pijnlijk om te zien. Ik zag hem in mijn herinnering, hoe hij over een voetbalveld vloog op weg om Breared de overwinning te bezorgen in een beslissende wedstrijd en ons allemaal de handen in de lucht te laten gooien. Zag hem dansen met een erg mooie jonge vrouw van wie wij anderen wensten dat we man genoeg waren om haar aan te mogen raken, en ik herinner me hoe verbaasd wij als vijftienjarigen waren geweest over het feit dat je zo zacht en vastberaden kon optreden, dat het met zichtbaar gemak daadwerkelijk mogelijk was de complexe kunst te beheersen een vrouw in de dans te leiden zonder haar te sturen. Hoe hij zo zelfbewust kon lijken wanneer hij door het dorp liep. In mijn hoofd werd hij omgeven door een glans, een glans die ik hier in de bar maar moeilijk kon zien.

‘Je komt zeker van je werk, toch?’ Vidar keek niet­begrijpend.

‘Hè?’

Ik knikte naar zijn kleren.

‘O, nee, ik was thuis en heb gewoon wat in de tuin gewerkt. Moest er even weg en had niet de puf om te douchen. Hoezo ben je hier weer komen wonen?’

‘Om te beginnen ben ik niet meer getrouwd.’ ‘Was je getrouwd?’

‘Zevenenveertig maanden.’ Mijn blik viel op zijn linkerringvin­ger. ‘Jij ook, zie ik. Of je bent getrouwd, bedoel ik.’

‘In augustus drieëntwintig jaar. Ik weet niet eens hoeveel maan­den dat zijn.’

We dronken. Hij streek met een vinger over zijn trouwring, alsof hij wat vuil wilde weghalen.

‘Waar woon je nu dan?’ vroeg hij.

‘Waar ik hier altijd heb gewoond.’ Ik glimlachte. ‘Bij Toftasjön. Het gele huis, je weet wel.’

‘Wat, hetzelfde huis? Woon je weer in je ouderlijk huis?’

Mijn ouders hadden besloten het te verkopen en ik kon het waarschijnlijk niet verloren zien gaan. Men neemt vaak de grote besluiten zo: omdat iets je anders door de vingers glipt.

Tegen Vidar zei ik: ‘Of anders gezegd, ik nam het over. Mijn vader en moeder zouden het verkopen. Ze zijn verhuisd naar een driekamerappartement in Tegelbruket.’

‘Die nieuwe huizen bij Slottsmöllan? Dat appartementencom­plex?’

Ik knikte.

‘Dus tegenwoordig doe ik niets anders dan mokken, piekeren en proberen werklui te bellen, offertes opvragen en bekijken, nieuwe meubels uitzoeken. Niet echt mijn ding.’

‘Kan ik me voorstellen.’

‘Weet je, mijn ouders wilden niet voor niets verkopen.’

Het huis moest opnieuw geïsoleerd worden, de vloer moest eruit en weer opnieuw gelegd worden en vocht had de funde­ring aangetast. De dakbedekking moest vervangen worden en de leidingen in de badkamer waren zwaar verouderd, het meeste witgoed was veel te oud en de meer dan tweeduizend vierkante meter typische weelderige Marbäck­vegetatie was weer gaan groeien. Deze problemen werden de mijne en hadden erin gere­sulteerd dat ik me verwikkeld zag in iets wat ik niet echt aankon. Mijn hele leven had ik doorgebracht op een armlengte afstand van het alledaagse, fysieke werk dat de wereld draaiende houdt. Ik kwam uit een familie van handwerkers en was opgegroeid met een beeld van werk als iets wat je deed met je handen, niet met je hoofd. Het gebeurde dat ik staand of liggend in het huis een plotselinge blijdschap en trots in het fysieke werk vond, de pijn voelen in je lichaam en het zweet op je rug.

Ik zal niet overdrijven. Deze momenten waren schaars.

Zo schaars dat ik spijt begon te krijgen van alles en me eenza­mer voelde dan toen mijn scheiding op zijn ergst was. Daarom zat ik waarschijnlijk in dat café.

‘Bevalt het hun in Slottsmöllan?’ vroeg Vidar.

‘Heel goed, verbazingwekkend genoeg. Ze bezoeken tegen­woordig elke week een museum. Ze proberen nieuwe cafés uit. Mijn vader is begonnen boeken te lezen. Hij leest meer boeken dan ik.’

Vidar lachte. ‘Wat leuk.’

‘Jij werkt niet meer bij de politie, toch?’

‘Al vijftien jaar niet meer. Nee, ik werk op het vliegveld.’ ‘Bevalt het je?’

‘Ik kreeg eerder dit voorjaar de vraag of ik terug bij de politie wilde komen, maar heb daarvoor bedankt.’ Hij glimlachte flauw­tjes. ‘Dus ik neem aan dat het me bevalt waar ik ben.’

Natuurlijk deed het dat. Hoe kon het anders dan dat het hem, die altijd precies degene was die hij was, beviel precies waar hij was? Maar hij zei het alsof het eigenlijk helemaal niet zo een­voudig was. Hij hield zijn flesje omhoog met iets sombers in zijn ogen. Het was bijna leeg. Ik dronk met tegenzin uit mijn glas, plotseling was me er veel aan gelegen dat er geen eind aan het gesprek zou komen.

Vidar leegde zijn flesje en wendde zich tot de barkeeper, be­stelde een tweede. De aantrekkingskracht die ik als kind tot hem had gevoeld was er nog. En nu zouden we in stilte verdergaan. Zouden we alleen maar tegenover elkaar zitten en drinken? Een van ons tweeën moest ergens anders gaan zitten. Anders werd het veel te vreemd.

Maar het gesprek hield niet op. Het was alsof hij het was ver­geten. Of zich had bedacht. In plaats daarvan zaten we daar te praten – wat is er van hem geworden, trouwens? O, trouwde ze met hem, dat had ik nou nooit gedacht. Nee, die idioot heeft alles wat hij bezat opgezopen, tragisch. Heb je gehoord van de boerderij die ze in Frösakull hebben gesloopt? Ze hebben drie dode paarden in de stal gevonden en een rode mg uit 1960. In nieuwstaat. Waar zijn mensen mee bezig? Ik zag haar en haar man op een signeersessie in Falkenberg een paar jaar geleden – wij twee die vreemdelingen waren maar toch niet. We deelden de grond. Soms is dat voldoende.

Hij lachte wat, ik ook. Het was leuk. De donkere wolken om hem heen werden echter niet helemaal verdreven. Toen ik te­rugkwam van het toilet zat hij diep in gedachten verzonken naar het tafelblad te staren.

‘Het moet heerlijk zijn om schrijver te zijn,’ zei hij. ‘Als schrijver heb je het vast nooit bij het verkeerde eind.’

Die plotselinge bewering verbaasde me. Het was een gedachte die niet van hemzelf, maar van iemand anders leek te komen.

‘Als schrijver heb je het altijd mis,’ zei ik.

‘O. Nou. Ja, misschien.’ Hij begreep niet wat ik bedoelde. ‘Zeg, mag ik je iets vragen?’

‘Ik denk het wel.’ Daarna schoot ik in de lach, omdat ik een beetje aangeschoten begon te raken van het bier en niet goed wist wat ik moest antwoorden. ‘Het hangt ervan af wat het is.’

‘Waarom zijn jullie gescheiden? Jij en…’ ‘Sara.’ Ik dacht na. ‘Ze zei dat ik leeg was.’

Vidar trok zijn wenkbrauwen hoog op. ‘Wat betekent dat?’ ‘Ik weet het niet echt. Maar het voelde alsof het klopte.’ ‘Dus zij was degene die wilde scheiden?’

‘Niet alleen.’

Vidar leek te proberen ook dit te begrijpen, maar dat lukte hem niet goed.

‘Ik geloof niet…’ begon ik en ik nam een slok van mijn bier, ‘nou, ik weet niet. Maar ik denk dat het te maken kan hebben met dat ik hier nu zit. Weet je, er zijn verschillende manieren om de zin van het leven te vinden. Een manier is volgens mij hoe je je voelt als ouder van een kind. Ik heb zelf geen kinderen maar ik kan me voorstellen dat er een zin in het ouderschap zit, je hebt een taak. Een doel. Ja, toch?’

‘Ja, zeker.’

‘Of in het, ja, het opknappen van je huis. Het huis van je dro­men bouwen, zeg maar, of proberen te onderhouden en te be­heren wat je ouderlijk huis is geweest. Maar de enige echte zin die ik voel, wanneer ik als geaard ben in doordeweekse dagen, is wanneer ik schrijf. Wanneer ik me inbeeld dat ik het leven van anderen leef. Dat is wat je doet als schrijver. Daarin, wanneer ik voel dat ik dat doe waarvoor ik op de wereld ben gezet, kan ik een soort zin vinden. En dat zorgde er waarschijnlijk voor dat ik vrij afwezig was. Wat overbleef, was niet genoeg voor haar. Ze wilde dat we beiden een zin in ons samen zouden vinden. Ik kon dat niet.’

Vidar knikte bedachtzaam.

‘Dat klinkt inderdaad leeg. En een beetje triest. Maar zo is het misschien om schrijver te zijn. Dat je het leven van anderen leeft. Zo heb ik het nooit bekeken, denk ik. Maar aan de andere kant heb ik er ook niet zoveel over nagedacht. Nu we het daar toch over hebben.’ Hij zette zijn bierflesje weg. ‘Dit was gezellig, Wurm, maar ik moet naar huis. Ik moet nadenken.’

‘Waarover?’

‘Over mijn vader, toevallig.’ ‘Sven? Wat is er met hem?’

Alsof Vidar zich had versproken, keek hij me alleen maar leeg aan met halfopen mond. Hij leek opeens gegeneerd.

‘Nee, maar… wees maar blij dat je beide ouders nog leven. Wanneer ze er niet meer zijn kun je ze niets meer vragen. Hoe graag je dat ook zou willen. Je denkt dat je weet wie ze waren, maar dat is niet zo.’

‘Dat is waar,’ beaamde ik, niet helemaal zeker wat hij eigenlijk bedoelde.

Toen zag ik het pas. Zijn gezicht was getekend zoals het alleen maar gebeurt wanneer je je midden in een grote tragedie bevindt en geen uitweg ziet. En hij had tegen me gelogen. Waar het vuil op zijn gezicht en op zijn kleren en handen ook vandaan kwam, ik durfde te wedden dat hij niet thuis in zijn tuin had gewerkt. Ik verweet hem niets, maar op deze voorjaarsavond was de uit­ drukking op zijn gezicht voor mij gemakkelijk te herkennen, want ik had die zo vaak gezien, in mijn eigen spiegelbeeld, in het gezicht van Sara toen ze tegenover me had gezeten tijdens die ondraaglijke gesprekken en ruzies. Er was iets fundamenteel mis in Vidar Jörgenssons bestaan.

‘Het was leuk je te zien, Wurm.’ ‘Insgelijks.’

Toen hij het café had verlaten, bleef ik zitten en keek hem na. Ik moest denken aan de foto van Sven van die keer dat hij bij zijn auto op de oprit had gestaan terwijl mijn vader over de motor­ kap stond gebogen, hoe vriendelijk en stabiel die grote man had geleken, hoe rustig en wijs hij had geoogd. Hoe Vidar zich door het dorp bewoog met die kleine wereld die de zijne was veilig op zijn schouders, ervan overtuigd dat die nooit kapot zou gaan.

Maar er zitten barsten in alles. Dat is geen geheim. Dit voorjaar begreep ik dit beter dan heel veel andere dingen, maar ik had er toch moeite mee om ze bij Vidar te zien, ik kon me niet voor­ stellen wat hem en de mensen bij hem moest hebben getroffen.

 

4.

Ongeveer twee weken later, op 12 juni 2019, ontplofte het nieuws in de media.

Na 33 jaar. Hij is de tiarpman.

Het ging om drie moorden en een poging tot moord die meer dan dertig jaar geleden in de streek hadden plaatsgevonden en nu pas waren opgelost. Het was opwindende lectuur en het duurde lang voordat ik de krant weglegde. Waarna ik hem weer naar me toe trok. Ik begreep dat het een soort aanwijzing was?

De daaropvolgende dagen was de Tiarpman steeds het enige waarover geschreven en gesproken werd, alsof dat het enige was waaraan gedacht werd. Ik probeerde te klussen en de dagelijkse karweitjes te doen, maar mijn gedachten gingen de hele tijd te­ rug naar hen, naar Vidar en zijn vader en de moorden in Tiarp. De eerste moord werd gepleegd in maart 1986, toen het li­chaam van Stina Franzén werd gevonden in een auto dicht bij Tiarp Gård. Sven Jörgensson was toen verantwoordelijk voor het onderzoek en pas nu, dertig jaar na zijn dood, was de waarheid aan het licht gekomen. Het was zijn zoon die de puzzelstukjes bij elkaar had gevoegd en het plaatje compleet had gemaakt. Maar wat was dat voor plaatje?

Toen ik Vidar in het café tegenkwam was ik bijna teleurgesteld. Teleurgesteld. Waarover? Misschien omdat er iets gebroken leek te zijn in de man die altijd onbreekbaar had geleken.

Zestig minuten, niet langer maar ook niet korter. Ik las een keer dat als je voor een probleem staat en je een uur lang probeert om het op te lossen zonder dat je daarin slaagt, je net zo goed iets anders kunt gaan doen. Ik herinner me niet meer welk boek het was of dat het überhaupt een boek was, misschien was het een artikel, maar elke dag zat ik exact zestig minuten achter mijn computer, alsof het een plicht was die ik weigerde op te geven, in de hoop dat er iets zou gebeuren waardoor ik een zin schreef die ik niet meteen weer wiste.

Als kind zag ik Sven Jörgensson meerdere keren per week.

Buiten voor mijn raam werd heel even een streep van de hemel zichtbaar tussen de boomtoppen als een dunne, lichtblauwe hals. Ik dacht aan Sven en aan zijn zoon, leunde achterover en sloot mijn ogen. Toen ik ze opende waren er drieënvijftig minuten verstreken. Ik bleef nog zeven minuten zitten voordat ik de zin wiste en verliet de kamer, duidelijk in de war zonder goed te weten waarom.

Elke keer wanneer ik het werk aan een boek heb afgerond, voelde ik me merkwaardig ongebonden, losgekoppeld als het ware. Alsof het boek me in zijn greep had gehouden en ik ein­delijk werd vrijgelaten. Ik was nu lang vrij geweest. Voelde dat zo? Ongebonden zijn. Woorden als ‘vrij’ zijn teer en broos, dun als papier. Ze verdragen geen druk.

De volgende morgen gebeurde het weer.

Als kind zag ik Sven Jörgensson meerdere keren per week.

Ik staarde naar de zin. Bewijsbaar keerde ik daarheen terug. Na een tijdje moest ik aan de schoolbus denken. De kou in de herfst wanneer ik met mijn broertje stond te wachten bij de rijksweg, de ochtendforensen die naar de stad reden. Af en toe kwam hij daar, Sven. Ik schreef de verrassend weinig herinneringen die ik aan hem en Vidar had op. Ik herinnerde me een voetbalwedstrijd in maart 1986. Breared had tegen een club uit de stad gespeeld, was het hbk? Nee, die kan het niet geweest zijn. Ik kon me niet meer herinneren tegen wie we speelden maar wist nog wel dat we gewonnen hadden en dat het belangrijk was geweest. Vidar had niet het beslissende doelpunt gemaakt, daar was ik zeker van, maar wie dan wel…

Ik zocht in mijn geheugen. Zo ging ik door. Alles wat ik me herinnerde, noteerde ik. Op de een of andere manier, besefte ik na een paar dagen, probeerde ik mijn herinneringen aan die twee mannen in verband te brengen met wat er daarna gebeurde, nadat ik Tofta had verlaten. Nadat ik naar Stockholm was gegaan om daar te gaan studeren, nadat ik schrijver was geworden en bijna iemand anders, en zij hier door waren gegaan met hun leven.

Uiteindelijk kwam ik niet verder, maar toen was het al te laat. Er was iets ontwaakt in mij, toen ik in het gele huis bij Toftasjön meer en meer was begonnen te zoeken naar iets, of misschien iemand, om in te verdwijnen.

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief