leesfragment

Leesfragment ‘De Columbus’: Ik ben een man van de klok, maar in de natuur werkt dat niet.

‘Columbussen’ deed Wim Lybaert zoveel deugd dat hij met zijn boek iedereen uitnodigt om hetzelfde te doen. Intussen staat De Columbus al 10 weken in de Standaard Boekhandel top-10. Ben jij ook benieuwd naar hoe je een echte ‘columbusser’ wordt? Kom weer helemaal in je element en laat je inspireren door dit fragment.

***
Columbussen is een state of mind en als je het vaak doet, kan het zelfs een manier van leven worden. Om het te kunnen, moet je leren nu en dan je verstand uit te schakelen. Dat werkt bevrijdend, zeker omdat ons brein de voorbije 300 jaar in alles wat we ondernemen onze belangrijkste wegwijzer is geworden.

De ontwikkeling van soorten wordt gedreven door natuurlijke selectie. Dat inzicht hebben we aan de bekende negentiende-eeuwse evolutiebioloog Charles Darwin te danken. Evolutie is het gevolg van de voortdurende aanpassing van een soort aan een almaar veranderend milieu, zo leerde hij ons. Hoe beter een soort zich aan haar omgeving aanpast, hoe groter haar kans om te overleven.

Om ons als homo sapiens beter aan onze omgeving aan te passen, gebruiken we ons verstand. Dat maakt ons tot speciale dieren. Wanneer we het woord ‘mens’ gebruiken staan we er niet bij stil, maar in het Latijn betekent het letterlijk ‘geest’ of ‘verstand’. We zijn mens omdat we verstand hebben en we hebben verstand omdat we mens zijn. Met dat verstand proberen we de grillige natuur naar onze hand te zetten.

We hebben de voorbije eeuwen de ene uitvinding na de andere gedaan. Onze inventiviteit heeft sinds de eerste industriële revolutie 300 jaar geleden een ongekende vlucht genomen. We gingen zo sterk in de kracht van ons verstand geloven dat we ons niet langer aan onze omgeving wilden aanpassen, maar de omgeving zo veel mogelijk aan ons ‘verstand’ hebben aangepast.
Dat de mens beter wil zijn dan een beest valt te begrijpen. De natuur is wreed en meedogenloos, en het is een goede zaak dat we er op veel vlakken in zijn geslaagd die beestachtige wreedheid met ons verstand te regelen. Maar dat we het beest helemaal willen bannen, is een overmoedige ontkenning van onszelf en onze eigen aard. We zijn helemaal niet alleen geest, we zijn een uniek geestbeest. We zijn dieren die zich heel verstandelijk aan de natuur hebben aangepast. We kunnen het beest onmogelijk uit onszelf halen. Geest en beest zijn één en functioneren niet los van elkaar. En dat zal altijd zo zijn.

Vandaag zijn we een compleet nieuw tijdperk ingestapt. Sinds de digitale revolutie is een parallelle wereld ontstaan. Wereldwijd is boven onze hoofden een virtueel net gespannen. Met een simpele druk op de knop is ons verstand met dat web verbonden. Met het hoofd hoog in de virtuele hemel krijgen we het zalige gevoel dat we alles onder controle kunnen houden. Vanuit onze luie zetel kunnen we onophoudelijk op jacht gaan op het internet. Sms’jes, mails, gemiste boodschappen, pushberichten: we checken om de haverklap of we nog wel mee zijn. Met de digitalisering bouwden we onze wereld om tot een computerspel. We razen als een ware Pacman – het legendarische gele happertje uit de jaren tachtig – over de denkbeeldige snelweg. De virtuele verleiding is zo groot dat we al te vaak de voeling met de grond verliezen. De Pacman heeft zich als het ware in onze hersenstam genesteld.
Onze geest wordt zo nog maar zelden door de natuurlijke omgeving uitgedaagd. Het contact tussen geest en beest is meer dan ooit verloren geraakt, door de virtuele overdrive waarin we ons bevinden. Hoog tijd voor actie!

Door te columbussen proberen we ons bazige verstand te temmen en het weer voeling met de realiteit te laten krijgen. Zo wordt het evenwicht tussen geest en beest hersteld. Wie columbust, is zich er maar beter van bewust dat ons hoofd koppig is. De geest wil het beest de baas zijn en stelt zich er altijd boven.
Maar de Columbus leert ons hoe we onze koppige kop om de tuin kunnen leiden. De zeven wegwijzers zijn daarvoor de ideale leidraad. Ze bieden tegengas en werken in op ons gezond verstand. Noem het een stille missie van klein verzet.[…]Ik ben graag op tijd en houd me bij voorkeur aan het afgesproken uur. Ik heb een hekel aan te laat komen, en ik weet ook waar ik dat vandaan heb: van mijn bobonne, de moeder van mijn vader.

Na de scheiding van mijn ouders op mijn achttiende ging ik vaak op zondag eten bij mijn pa. Ik moest dan eerst bobonne oppikken. Om halftwaalf reed ik bij haar voor, maar aanbellen moest ik nooit. Iedere keer stond ze me met haar jas en schoenen aan op te wachten in de koude hal van haar appartement. ‘Bobonne, je zult nog iets opdoen’, zei ik dan bezorgd – ze was toen al een eind in de tachtig. Maar er was geen zeggen aan.Anderzijds vind ik het ook niet fijn als mensen te vroeg op een afspraak komen. Mijn schoonouders wonen in Rotselaar, voorbij Leuven. Als ze bij ons komen eten, zijn ze steevast een halfuur te vroeg, ‘want je weet nooit hoe het verkeer zal zijn’. Soms loop ik nog in pyjama rond of ben ik nog bezig met van alles klaar te zetten of op te ruimen. Ik weet dat ik me daar niet in mag opjagen en hen gewoon in de zetel moet installeren met een drankje, dat vinden ze prima. Maar als ik ergens te vroeg ben, zeker als ik een afspraak heb met iemand die ik niet goed ken, loop ik nog een blokje om of blijf ik even in mijn auto wachten tot het tijd is.

Ik ben dus een man van de klok, ook op vakantie. Tijdens een van mijn reizen alleen had ik een Frans echtpaar leren kennen. We spraken af om de volgende dag samen te lunchen. Om halftwaalf begonnen we met een aperitief op het terras van het plaatselijke café. Dat was zo gezellig dat we er anderhalf uur bleven. Ik genoot ervan, maar zat ondertussen wel de hele tijd op mijn horloge te kijken. Shit, straks komen we te laat in het restaurant en is er geen plaats meer of is de keuken al gesloten: dat soort van gedachten spookte de hele tijd door mijn hoofd. Terwijl ik gewoon in het moment had moeten opgaan. Mijn Franse vrienden waren daar heel bedreven in trouwens, zo ontspannen en relaxed als ze waren! We hebben tot laat in de namiddag getafeld.
Ik ben een familiemens. Ik maak graag deel uit van een groter verhaal en voel me verbonden met de generaties die voor me gekomen zijn en die die na me volgen. Ik besef dat ik maar een schakel in de keten ben. Ik probeer de geschiedenis van mijn familie te documenteren, maar dat is niet zo eenvoudig. Het verhaal van mijn ouders en grootouders ken ik nog, door gesprekken, maar van alles wat daarvóór was, weet ik weinig. Van mijn overgrootouders is zelfs geen enkele foto bewaard gebleven. Het is alsof die mensen opgelost zijn, alsof ze nooit bestaan hebben. Ik vind het een lastige gedachte dat een rijk en intens leven als het ware vergeten wordt. Ik ben een herdenker. Op 1 november ga ik zonder uitzondering naar de graven van mijn voorouders. Dan neem ik geen pot chrysanten mee, maar de laatste bloemen uit mijn moestuin. Met een aantal Columbus-gasten ben ik op begraafplaatsen bij vaak pittoreske kerkjes beland en telkens gaf dat aanleiding tot een reflectie over de dood en de vergankelijkheid van het aardse bestaan – en tot intense emoties.

Mijn oom Jan, de broer van mijn moeder, is een paar jaar geleden overleden. Dat heeft me erg aangegrepen. Ik deelde met hem de passie voor het goeie leven. We gingen graag samen op restaurant en kookten vaak samen. Dan mocht ik zijn souschef zijn. Gebogen over onze potten praatten we wat over het leven, onder het genot van een goed glas wijn of een frisse pint. Dat waren momenten om in te lijsten. Na zijn overlijden ben ik naar zijn huis gegaan. Ik vond er plakboeken vol menukaarten. Telkens als mijn oom Jan op restaurant ging – hij was een echte foodie – documenteerde hij dat achteraf. Hij schreef op wat hij gegeten en gedronken had, in wiens gezelschap, waarom het zo’n bijzondere avond was geweest. Die plakboeken heb ik uit zijn huis meegenomen, ik koester ze. Ze herinneren me op een unieke manier aan de fantastische mens die oom Jan was. Zijn hele leven zit erin vervat.

Ik probeer iets soortgelijks na te laten voor mijn kinderen. Ik heb in mijn bureau thuis een aantal dozen staan, voor elk van mijn kinderen een. Ik stop er tekeningen van ze in, foto’s, kattebelletjes, zodat ze die later nog eens kunnen bekijken en er hun levensverhaal uit kunnen af lezen. Ook over mezelf heb ik een doos. Mijn ouders bewaren de krantenartikelen die over me verschijnen, en die stop ik daarin. Hetzelfde doe ik met allerlei prullaria en souvenirs, zoals badges voor de Boekenbeurs of toegangsbewijzen allerhande. Niet dat ik zo ijdel ben, ik wil mezelf niet vereeuwigen. Ik doe dat omdat ik hoop dat mijn kinderen die doos over 30, 40 jaar nog eens zullen inkijken, misschien met hun kinderen erbij, en dat ze er blij mee zullen zijn.

Lieve Blancquaert vertelde tijdens onze trip hoe haar dochter op haar achttiende een jaar alleen op reis was gegaan. Natuurlijk was ze vaak ongerust geweest, welke moeder zou dat niet zijn? Maar ze had zich erover gezet, want haar angsten en bezorgdheid mochten de vrijheid en autonomie van haar kind niet inperken. Hetzelfde merk ik in de opvoeding van mijn kinderen. Mijn oudste zoon Theo is veertien en begint in de puberteit te komen. Hij is altijd heel huiselijk geweest, deed niets liever dan bij mama en papa zijn. Nu wil hij niet meer altijd met ons mee als we met het gezin bijvoorbeeld een dag op stap gaan of vrienden bezoeken. Liever blijft hij in de voormiddag alleen thuis, zodat hij in de namiddag naar de KSA kan. Aan de ene kant word ik er wat melancholisch van, heb ik het gevoel dat ik hem aan het kwijtraken ben. Anderzijds weet ik dat hij zich van ons moet losmaken en dat ik hem zijn eigenheid en zelfstandigheid moet gunnen. Dat is een vorm van respect en vertrouwen. Je kunt het vergelijken met een boom die je plant. Als het nog een twijgje is, zet je er het best een stokje naast, zodat het in zijn prille groei begeleid wordt. Maar naarmate het een stevige stam wordt, heeft de boom het stokje niet meer nodig en duwt hij het vanzelf weg.
***


Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief