leesfragment

Leesfragment ‘De gebeurtenis’ – Peter Terrin

0

Peter Terrins vorige roman, Al het blauw, was een groot succes, zowel bij lezers, als bij recensenten én het won de Confituur Boekhandelsprijs van 2022. Nu is zijn nieuwe roman er: De gebeurtenis.

De gebeurtenis is een ingenieuze roman-in-verhalen over de grillige liefde, waarin Peter Terrin eens te meer zijn personages bezwerend tot leven wekt. Lees hieronder al de eerste twee hoofdstukken als voorproefje!

Juliette

Het onderzoeksteam heeft voor Juliette gekozen. Ze krijgt het nieuws twee dagen voor de test met de upload van Willem plaats zal vinden. Het vleit haar, ze hebben niet voor Femke gekozen, zijn jonge weduwe. Het voelt als een erkenning voor haar werk en voor de offers die ze heeft gebracht.

Ze is opgewonden en ’s avonds belt ze aan bij Rosa, haar bovenbuurvrouw. Ze hebben elkaar leren kennen in het wassalon. Om de beurt nodigen ze elkaar uit voor het aperitief, altijd op vrijdag. Het is woensdag. Ik ben het, zegt Juliette. Rosa kijkt door het spionnetje en dan schuchter om de deur. Juliette steekt de champagne die ze snel bij de Turk is gaan kopen in de lucht.

Rosa kent het verhaal van Willem en Femke, de overleden schrijver voor wie Juliette jaren heeft gewerkt, en zijn drieënveertig jaar jongere vrouw, een actrice.

Rosa is niet voorzien op bezoek, ze delen een restje olijven en een paar verdroogde sneden Italiaanse ham, en om acht uur is die eerste, lichte roes die een genadig licht werpt op het solitaire leven dat ze leiden, lang voorbij. Om negen uur trekt Juliette de lakens onder haar kin. Ze luistert naar het gestommel boven haar. Rosa woont op twaalf, Juliette op elf, hun woningen zijn identiek. Ze is blij dat ze het laatste rode wijntje niet meer heeft aangeraakt, dat ze in de badkamer twee glazen water heeft gedronken, en slaapt snel in.

De volgende dag is ze onrustig van de alcohol. Ze verwacht aldoor de deurbel. Ze verwacht een juridische reactie van Femke op haar selectie voor de test, een officieel bezwaar dat haar persoonlijk overhandigd zal worden. Femke heeft na Willems dood, zeven maanden geleden, ook de rechtsgeldigheid van zijn testament aangevochten. Zijn waardevolle collectie originele manuscripten en eerste drukken uit de wereldliteratuur, én een laatste memorystick met dictaten? Geschonken aan Juliette, zijn assistent? De zaak is hangende, het vonnis laat op zich wachten. Juliette kent de strijdlust van Femke en blijft tot na middernacht in haar nette kleren aan de keukentafel zitten, ze wil door niemand verrast worden.

De volgende morgen besluit ze de bus te nemen. De halte ligt een eindje van het onderzoekscentrum, ze vindt het aangenaam om nog even in de frisse buitenlucht te zijn, zonder journalisten en camera’s, tussen de mooie witte huizen die te midden van de overweldigende herfstkleuren schitteren in de zon.

Hoe vreselijk is het voor Willem geweest toen hij niet meer kon genieten van de glooiende Engelse tuin die zich vanaf de dorpel van zijn werkkamer ontrolde in het landschap? Hoe vreselijk dat hij door het pijnlijke licht in zijn zieke ogen ten slotte plaats moest nemen aan de andere kant van zijn bureau-ministre? Geen woord erover is ooit over zijn lippen gekomen, nooit, niet tegen haar. Er was werk aan de winkel. Noteer! Haar hart maakt een sprongetje in haar borst bij de herinnering aan dat bevel, alsof ze weer bij hem is, in het prille begin, luisterend naar zijn silhouet in het tegenlicht en de kronkelende gang van zijn gedachten, de hele dag.

Zonder zijn oogziekte zou ze hem nooit ontmoet hebben. Hij heeft haar tijdens die acht jaar dat ze zijn assistent is geweest nooit werkelijk gezien. Aanvankelijk, gedurende een paar maanden, was ze een schim en als hij sprak draaide hij zijn hoofd in haar richting. Ze wist dat hij van haar korte haar hield. Hij zei het niet, ze hoorde het in zijn verhalen, de vrouwen kregen een opgeknipt jongenskapsel met ontblote oren, of een hoge Franse carré zoals de sterren in de stomme film. Zijn late succes was voor velen onverklaarbaar. Zelf schreef hij het toe aan zijn blindheid, waardoor de afleiding verdween en hij beter kon kijken.

Juliette heeft lang nagedacht over haar kleren, het is een rare dag. Het zwarte mantelpakje dat ze in het voorjaar op zijn begrafenis heeft gedragen is natuurlijk niet geschikt. Maar al heeft de wetenschap zijn hersenen kunnen uploaden, Willem is nog steeds dood en begraven, en voor veel mensen lijkt dat pas gisteren gebeurd. Zonder te vertragen stapt ze op de in- gang van het complex toe. Op de vragen van de journalisten geeft ze geen antwoord. Fotografen roepen haar zomaar bij haar voornaam, ze vindt het stuitend. Ze kijkt naar de grond, ziet hun lelijke schoenen. Eenmaal binnen drukt de directeur van het instituut haar de hand. Hij doet verontwaardigd over de drukte en ophef bij de ingang, maar hij straalt van de aandacht.

In een raamloos vergaderzaaltje wordt ze ontvangen door het team van onderzoekers die aan dit project hebben meegewerkt. Ze staan naast hun stoel, ze hebben witte, ernstige gezichten. Als tijdens een misviering gaan ze tegelijk zitten. Het is er koud. De leider vertelt dat er naast dit Europese project vermoedelijk nog drie teams in de wereld onderzoek verrichten. Eén in Silicon Valley en twee in het Verre Oosten. De laatste nemen het niet zo nauw met de ethische kant van de zaak. Ze worden zwaar gefinancierd door Chinese hightech- bedrijven. Ze willen Apple voor zijn, dat volgens The Washington Post een product heeft laten patenteren dat mogelijk de ‘iHead’ wordt.

Wij, vertelt de leider, hebben van bij het begin een andere route gevolgd. Bij het uploaden naar het bio-dock hebben we andere gebieden van de hersenen gestimuleerd, wat nu, voor het tot stand brengen van de anorganische communicatie, van groot belang blijkt te zijn. We geloven dat we een kleine voorsprong hebben. Bovendien hebben wij ons niet blindgestaard op nanotransponders. Een paar onderzoekers glimlachen zelfvoldaan voor zich uit.

Eerst zal Juliette zich privé tot Willem kunnen richten. Indien er contact ontstaat, wat een absolute primeur zou zijn, volgt wat later een officieel gedeelte met een aantal standaardvragen dat live door vijf gelieerde universiteiten gevolgd zal worden. Daarna beslissen ze in samenspraak met de weduwe wat ze zullen tonen op de persconferentie vanavond. Het zal vreemd zijn, zegt de leider nog. Neem uw tijd. Ik weet dat het niet eenvoudig is, maar probeer, ik herhaal, probeer in de mate van het mogelijke te klinken zoals gewoonlijk, zoals hij u kent. We weten dat uw relatie een puur auditief karakter had, zonder een visuele basis, en dat is vanuit ons standpunt, met een bio-dock dat niets ziet en alleen maar kan horen, uiteraard een grote troef.

In het aangrenzende kamertje is het warmer. Op de tafel een glas en een fles bronwater, tissues en een plastic plantje. De stoel staat naar het scherm gericht waarop de animatie van Willem zal verschijnen. De deur wordt dichtgedaan en Juliette blijft alleen achter in de stilte. Haar hart klopt in haar hoofd.

Wanneer het licht dimt komt Willem geleidelijk tevoorschijn, als vanuit de mist, wellicht om haar niet te choqueren. Hij is een stuk jonger dan toen hij stierf. Door het kraagje van zijn overhemd en hoe zijn haar zit weet ze welke foto’s ze hebben gebruikt om de animatie van zijn hoofd te maken. Een kleiner hoofd. Af en toe knipperen zijn oogleden, snel, vrouwelijk.

Ik ben het, zegt ze. Juliette. Ze wacht even. Je zou dit erg grappig vinden, je hebt lange, donkere wimpers gekregen. Het blijft stil. Zijn blik is indringend. Ze heeft de indruk dat hij naar haar kijkt, voor het eerst, dat hij daarom stil is, dat wat hij ziet hem ontgoochelt. Maar dat is onmogelijk. Ga maar door, klinkt de stem van de projectleider uit een kleine luidspreker in de tafel. U doet het prima, we zien duidelijk activiteit.

Wie zijn die mensen? vraagt Willem.

Gedempt door de muren hoort ze een uitbarsting van gejuich. Willems stem is brokkelig maar verrassend levensecht. Het klinkt als een slechte telefoonverbinding van vroeger, en in deze ongewone omstandigheden lijkt het of Willem zich in een uithoek van het heelal bevindt, lichtjaren van haar verwijderd.

Wie zijn die mensen, Juliette? Dat zijn de onderzoekers, antwoordt ze. Wie? De onderzoekers. Wat komen ze in mijn werkkamer doen? We zijn niet in jouw werkkamer. Het gezicht op het scherm behoudt zijn onbewogen uitdrukking. We zijn niet in mijn werkkamer? Nee.

Dit is met niets te vergelijken. Het is geen telefoongesprek en een weerzien is het evenmin. Hij is dood. Ze vraagt zich af of zijn geest weet dat het lichaam inmiddels gestorven is, en dat hij nu alleen verder moet, gevangen in het bio-dock. De onvoorstelbare eenzaamheid. Wanneer ze stap voor stap uitlegt wat er gebeurd is, zijn tumor, de wetenschap, zijn upload net voor zijn overlijden, proest Willem het uit. Niet Willem, een andere man in een geluidsopname, misschien een fragment uit een film. Ze schrikt ervan. De volle, hartelijke lach vult de kamer. De animatie beweegt mee met de schouders maar lacht eerder ingetogen, waardoor het eruitziet alsof iemand buiten beeld aan hem schudt.

Ik heb dus het loodje gelegd en mijn geest is gespaard, zegt Willem op het einde van de lachbui. Hij zegt het meer tegen zichzelf dan tegen haar. Je praat met mij vanuit een onderzoekscentrum, zeven maanden na mijn dood. Juliette, Juliette, je bent werkelijk, zegt hij, zonder zijn gedachte af te maken. Wat een verbeelding…

Maar goed, zegt hij na een stilte, niet getalmd, waar waren wij ergens gebleven? Kan je me het laatste stukje nog eens voorlezen? We zijn niet aan het werk, zegt Juliette voorzichtig. Ik ben hier niet om te noteren. Dit is een test. Ze zegt, we zijn geen boek aan het schrijven. Hou toch op, zegt Willem aarzelend. Ik weet heus wel waaraan we werken. Je hoeft het me niet voor te lezen. Dan wordt het stil, alsof hij nadenkt, zich een verhaal probeert te herinneren. Zijn gezicht kijkt stoïcijns in de kamer en beweegt niet meer. Hij knippert alleen nog af en toe met zijn ogen.

Ga door, vraagt de projectleider. Praat verder. Maar wat Juliette ook vraagt of zegt, Willem blijft stil.

Frederik

Buiten stond een lange rij wachtenden. De voorstelling was helemaal uitverkocht, een jaar geleden al, zodra bekend was geraakt dat de tournee van start kon gaan. Rosa had vorige week de kaartjes overgekocht van een verhinderde collega in het telemarketingbedrijf. Een vrouwelijke collega, het ver- baasde me niet, de zeldzame mannen in de rij voor ons waren in het gezelschap van een andere man, of van een vrouw met wie ze zeer onwaarschijnlijk een amoureuze relatie hadden. Aan ons, aan Rosa en mij, kon getwijfeld worden, maar zelfs in het weinige straatlicht was onze genetische verwantschap niet te loochenen.

Ik hield niet van theater. Ik hield niet van theatraliteit, om precies te zijn. De wereld ging eraan ten onder. Iedereen liep met zijn emoties te koop, schreeuwde het uit. Hysterie als een nieuwverworven mensenrecht. Wat ik me bij feministisch muziektheater voorstelde hield ik voor mijn zus, die zich had uitgedost en ontzettend benieuwd was naar het stuk, maar verborgen.

Buiten, in het halfduister, viel ik niet op. In het schelle licht van de inkomhal van de schouwburg voelde ik snel de blikken. Ik was een hoofd groter dan de gemiddelde man. Ik was een klassieke heteroman, dat liet Rosa zich op een etentje ontvallen. Je zag het van ver, aan mijn kleren en mijn houding, gewoon aan mijn gezicht. Daar kon ik niets aan doen, zei ze, wegkijkend naar de mensen in het restaurant. Ik vond het een vreemde opmerking. Ik vond het klinken alsof ik een verloren zaak was.

We liepen de foyer in en dronken iets aan de bar omdat ieder- een een drankje bestelde. Wat verder stond een man van mijn leeftijd met zijn arm om het middel van een meisje, een studente zo te zien. Ze lachten en hadden alleen oog voor elkaar, niemand keek naar hen. De man had schouderlang krulhaar en een baardje. Hij droeg een groene trui en versleten jeans en wandelschoenen waar verdroogde modder op zat. Thuis had ik precies dezelfde kleren. Ik had een groene trui en een versleten jeans. Mijn wandelschoenen had ik vorige week gepoetst en ingevet.

Rosa dronk muntthee, ik een rode wijn. Ik zweeg, een uitnodiging, maar Rosa repte met geen woord over Dirk. Van een vriend van Dirk had ik vernomen dat het uit was. Ik had moeten zweren dat ik zou zwijgen.

Rosa zou over tien dagen drieënveertig worden. Sinds Tom was ze negen jaar alleen geweest. Ze ontmoette Dirk op de parking van een supermarkt, hij was zijn muntstuk in het winkelkarretje vergeten, ze riep meneer en bracht het hem. Iedereen was opgelucht met de relatie, vooral mijn ouders. Het leek allemaal zin te hebben gehad, de juiste man had al die tijd simpelweg haar pad niet gekruist. Er was niets met haar aan de hand.

Ze was vrolijk, straalde, haar haar werd vanzelf blonder. Ze hadden grote plannen. Hand in hand hadden ze in het licht van de avondzon op een lap bouwgrond gestaan die grensde aan een oud beschermd loofbos. Ze hoorden twee spechten, die met hun beurtelingse roffel elkaar het hof leken te maken. Ik telde de maanden. Vier, nipt vier maanden waren Rosa en Dirk een koppel geweest.

Dirk was een joviale kerel, goede baan in de media, gevoel voor humor. Een verwoed sporter die van uitdagingen hield en trainde voor wedstrijden in het buitenland, waar hij zijn vakanties aan opofferde. Ik kon erg goed met hem opschieten, ik was altijd ontspannen in zijn gezelschap. Hij was graag aan het woord en bracht mensen voortdurend aan het lachen. Hij hield van Rosa, dat was voor iedereen duidelijk, hij zou haar nooit in de steek hebben gelaten of haar kwaad hebben berokkend. Het was of ik hem al veel langer kende, alsof we samen school hadden gelopen en elkaar een tijd uit het oog waren verloren en nu gewoon de draad weer oppikten. Zo iemand was Dirk. Maar zo iemand was Tom ook geweest. Met Tom had Rosa het een halfjaar volgehouden. De ene maand brak ik mijn rug om haar groene bankstel via de wenteltrap in zijn appartement te krijgen, de volgende maand brak ik hem opnieuw om alles terug te halen.

Ik dronk mijn wijn en probeerde me klein te maken voor de keurende blikken. Ik vroeg me af wat er met Rosa scheelde, hoe het kwam dat ze zo snel haar eigen geluk opblies. Ze was een prachtige vrouw, slank, mooie schouders, een volmaakte, bleke huid. Aan aandacht geen gebrek. Toen ze klein was zei iedereen dat ze net een pop was, ze had een snoetje van porselein. Maar ergens was iets fout gelopen. Ergens was haar vermogen om de mannen in haar leven goed in te schatten ontregeld geraakt.

Soms dacht ik dat het probleem van Rosa zich tussen de lakens situeerde. Een eigenaardigheid, een kleine afwijking, een bijzondere wens die niet werd ingewilligd, of die ze uit schaamte of zelfhaat niet eens uitsprak. Een mens had werkelijk geen idee hoe een ander mens in elkaar stak, zelfs al was je veertig jaar broer en zus. Rosa was vaak ontgoocheld, kwaad. Misschien wilde ze iemand straffen.

Een groepje kaalgeschoren vrouwen vatte post bij de trappen naar de zaal. Ze waren blootsvoets en droegen alleen maar ruime witte T-shirts. Ze vormden twee rijen en toen we erlangs moesten deelden ze flyers uit, zonder iets te zeggen, allen met een neergeslagen blik. Iedereen werd stil.

In mijn stoel in het halfduister van de schouwburg las ik op het blaadje dat de vrouwen zwijgzaam vochten voor totale neutraliteit. De geslachten moesten worden afgeschaft. Op het toneel liepen al zes, zeven vrouwen rond, actrices, in hun rol. Kokerrokjes, zwarte naadkousen en hagelwitte blouses, ze liepen heen en weer op hoge hakken, keken uitdagend naar de mensen die hun stoel zochten, of troepten samen en hingen aan elkaar en begonnen naar het publiek te wijzen en te konkelfoezen en hardop te lachen.

Waarom was ik gekomen? Dit zou duidelijk een avond voor jonge mensen worden, of toch voor mensen die hartstochtelijk voor of tegen iets waren. Ik deed het natuurlijk voor Rosa. Waarom? Ging het, na al die jaren, werkelijk nog om dat hondje? Op haar dertiende verjaardag kreeg Rosa een kleine poedel, Pruts. Drie jaar later, op kerstavond, was het hondje gaan lopen om nooit meer terug te keren. Ik had een aandeel in de schuld, althans dat had Rosa laten merken, en die schuld raakte wat ik ook deed maar niet vereffend. Ik probeerde me een voorstelling te maken van de tijd vóór Pruts. Was het toen anders geweest?

Op het gigantische podium was de set van een soap of een film uit de jaren vijftig nagebouwd. Hier een stuk keuken, daar een hoekje van een eetkamer, vooraan de fauteuil en een stoel in het kabinet van een psychiater, daar dan weer de montagekamer. Er gebeurde veel tegelijk, overal mensen die bewogen, iets deden, waarbij je niet wist waar eerst te kijken. Hoog boven het podium werden de opnames van de cameravrouw live geprojecteerd, met ondertiteling in drie talen. De voorstelling was een soort dans, een indrukwekkende choreografie van mensen en middelen die van de ene scène overliep in de volgende. Meer een prestatie dan kunst.

Het verhaal was gebaseerd op een boek, over een schrijfster die worstelt met haar bestaan als echtgenote en huisvrouw. In de keuken stond de vintage, crèmekleurige gasoven al open. In iedere scène speelde een andere actrice de rol van de vrouw. Ze zwermden in groep over het podium, kordaat, de hakken van hun pumps hamerden op de planken.

Ik meende de drummer te herkennen. Het bandje zat verdeeld op twee hoge constructies ter weerszijden van het podium. De zangeres met piano rechts, de drummer en de saxofonist links. De drummer had nu een langere baard, hij had een tijd in het café gewerkt waar ik vroeger vaak kwam, maar na het plotse succes van de band was hij verdwenen. Ik keek met bewondering naar zijn spel, de vloeiende bewegingen van zijn lichaam, zijn ledematen. Ze speelden andere muziek, gemaakt op maat van de voorstelling, jazzy. Hij ging er helemaal in op, één met zijn instrument. Ik bleef kijken, de rest had ik wel gezien. Maar soms speelde hij niet, was er ook geen piano of saxofoon, en dan keek ik maar naar wat er gebeurde op het podium of vergeleek ik de vertalingen van sommige woorden of frasen.

Op een bepaald moment keerden de vrouwen zich weer naar het publiek. Ze kwamen helemaal vooraan staan, sommigen alleen, anderen klitten samen en schermden hun ogen af voor de schijnwerpers en begonnen te wijzen en te lachen. Ze zoeken een vrijwilliger, zei Rosa nogal luid. Ze zoeken een man. Ze gaf me een por met haar elleboog.

Het was me niet opgevallen dat er geen enkele man op het toneel stond. Nu hadden ze toch iemand nodig voor de rol van haar echtgenoot. Het zaallicht ging aan. Al de hoofdpersonages tuurden de ruimte in op zoek naar een geschikte man. Ik zat op de vierde rij, op ooghoogte van de actrices. Sommigen sloegen hun handen in elkaar en hupten van anticipatie. De vrouwen in het publiek keken in het rond. Waar wacht je op? zei Rosa.

Ik probeerde te verdwijnen door samen met de vrouwen geamuseerd om mij heen te kijken. Het duurde een eeuwigheid, en ik had me half met mijn lot verzoend en was me mentaal aan het voorbereiden op de schok van het zoeklicht, toen een van de actrices het smalle trapje afdaalde en een man op de derde rij kwam halen. Een kalende zestiger met een grijzig baardje, gekleed in ruimzittend zwart. Ze hield zijn beide handen omhoog als in een dans en begeleidde hem behoedzaam het podium op.

De man had een gebrekkige motoriek, kleine houterige passen die een probleem met zijn gezondheid deden vermoeden. De actrice kon vanzelfsprekend niet weten dat de man slecht ter been was. Ze bleef zijn handen vasthouden. Tot overmaat van ongemak was het de artistieke bedoeling dat de man voor de duur van zijn optreden geblinddoekt werd. Hem terugsturen vanwege zijn beperking was in moreel opzicht uitgesloten. Hij werd naar een scène geleid en kreeg ingefluisterd wat er stond te gebeuren.

Een architect, gepensioneerd. Of een galeriehouder. Ik zag grote tableaus met verfklodders, het zonlicht dat traag over de gepolijste betonvloer schoof. De man had lange armen.

Hij liet alles over zich heen komen, de actrices die hem toeschreeuwden, de huisraad die naast hem aan diggelen viel, geen krimp gaf hij. Het was niet de bedoeling dat hij zou spreken of zich verdedigen, de man stond niet voor de echtgenoot, maar voor alle echtgenoten die vanuit hun bevoorrechte positie blind waren voor wat ze aanrichtten.

Mijn medeleven met de vrijwilliger groeide. Hij had een peperduur kaartje gekocht, was zonder morren met de actrice meegegaan en nu zat hij te kijk op het podium, terwijl zowat de hele cast tegen hem tekeerging. Hoe was het met zijn hart? Moest niemand hem tussendoor vragen hoe hij zich voelde? Hij trilde niet, hij glimlachte ook niet, zijn expressie bleef voor zover die zichtbaar was neutraal.

Ik wist niet of ik ook zo rustig zou blijven. Misschien was het opzet om de andere mannen in het publiek een reactie te ontlokken, protest. De gedachte om mijn stem te verheffen en de aandacht op me te vestigen snoerde me de mond. Na een kwartier, twintig minuten was het na een vreemd volksdansje ineens voorbij. De man slofte onder een daverend applaus aan de hand van de actrice terug naar zijn plek en nam met een kleine buiging afscheid van zijn chaperonne. Kennelijk was hij hier alleen. De jonge vrouwen links en rechts van hem zeiden niets en raakten hem niet aan.

Na de voorstelling bleven Rosa en ik iets drinken. In een hoek van het open theatercafé was een lounge, we ploften neer in de lage leren sofa’s. Omdat ik het rondje voor de voorstelling had betaald, ging zij de drankjes halen. Ik stelde voor om het zelf te doen, ze schudde haar hoofd. Ik zei dat ze het geld gewoon kon meegeven. Ze stond op en zei half lachend, half beledigd dat ze heus wel twee drankjes kon halen. Ze schikte haar kleren en na een ogenblik verdween ze in de drukte. Ik wist dat ze me kwalijk nam dat ik haar naar de bar liet gaan.

Ze vertelde over Pablo, haar wilde kater die nachtenlang op stap was. Haar gezicht ontspande. Mijn zus was een zorgeloos kind geweest dat optrok met oudere jongens en rondzwierf aan de rand van het dorp, door de velden en het weiland. Ze klom in bomen en sprong zonder aarzelen in het koude meer. Als ze honger had trok ze jonge wortelen uit een moestuin, of stapte zomaar een serre in om een tomaat te plukken, of ze nam een snee brood uit de zak die de bakker op een vensterbank had gelegd bij mensen die uit werken waren.

We dronken een tweede glas. Rosa vond alle actrices geweldig en mooi, alleen die ene niet, die kleine vond ze vervelend, zo aanwezig en vol van zichzelf. Ze zei, dat was de actrice, dat was niet de rol, dat kon je zo zien. We waren even bezig met het achterhalen wie ze precies bedoelde. Daarna vertelde ik enthousiast over de drummer, hoe jaloers ik was op de hechte relatie die muzikanten met hun instrument hebben. Rosa had niet op de drummer gelet.

Ik vroeg of ze het niet een beetje stereotiep vond, vanavond. Ik zei dat de productie natuurlijk een belevenis was, een ongeziene prestatie, ik was blij dat ze me had uitgenodigd. Maar hadden we dit niet al eerder gezien? Ze vroeg of ik wel goed om mij heen keek, in de stad, in de wereld vandaag. Ik hoorde dezelfde betuttelende toon waarmee ze me had weggezet als een klassieke heteroman. Ik beet op mijn tanden, ging er niet op in. Ik bedacht dat die ene actrice helemaal niet vervelend was geweest. Ze was een soort knipoog van de regisseur, degene die met wat zelfspot de ernst moest doorprikken. Ze had kleine borstjes die springerig bewogen onder haar blouse.

Een man tikte Rosa op de schouder. Hij had jaren geleden in haar straat gewoond, een boom van een vent. Hij bleef staan, dwong Rosa tot een babbel. Hij zei dat ze veel veranderd was, hij had haar bijna niet herkend. Hij bedoelde het goed, zei hij. Ik draaide me wat weg van het tweetal en zag tussen de mensen schuin achter me de vrijwilliger op een barkruk zitten. Hij zag er jonger uit dan in de zaal, vitaler. Hij dronk whisky. In zijn buurt stond een broodmagere vrouw van middelbare leeftijd met opgestoken dreadlocks en een jongeman in een kersttrui. Ze praatten niet, en het was niet duidelijk of ze bij elkaar hoorden. Ze keken naar de overkant van de bar, naar de uitgang van de theaterzaal, waar de meeste mensen in groepjes waren blijven hangen. Ik voelde een zekere bewondering voor de man, zijn kalmte. Hij had zich niet laten afschrikken. Hij had zijn waardigheid niet verloren.

Achter je zit de échte ster van de avond, zei ik toen de buurman eindelijk opkraste. De vrijwilliger. Ik knikte in zijn richting. Rosa wierp een snelle blik over haar schouder. Ik vind dat hij het geweldig heeft gedaan, zei ik. Heb je dat applaus gehoord?

Dat meen je niet, zei Rosa. Om haar ogen verbazing en vermaak. Frederik, dat meen je toch niet? Wat meen ik niet? Je denkt toch niet, zei Rosa, terwijl ze half een gebaar naar de man maakte. O nee, zei ze, je meent het. Ze sloeg haar handen voor haar mond en begon hartelijk te lachen. Sorry, zei ze.

Wat is er zo grappig? vroeg ik. Denk je echt, zei ze, dat die man een vrijwilliger is? Ik had geen idee waar ze op aanstuurde. Wat anders? vroeg ik. Hij zat toch in het publiek? O nee, lachte Rosa nog harder. Ze liet zich schuin in het leer vallen, met de grootste moeite herhaalde ze, hij zat toch in het publiek.

Het gezelschap naast ons keek naar Rosa en dan naar mij. Ook zij lachten een beetje. Broertje toch, bracht Rosa nog uit. Dat ‘broertje’ deed de deur toe. Ik had er genoeg van. Zonder afscheid te nemen liep ik naar de garderobe.

Buiten was het aangenaam fris, ik ademde een paar keer diep in en uit. Ik besloot een blokje om te lopen. In mijn studententijd had ik in deze buurt een kamer, veel was er niet veranderd, de herenhuizen waren donker en verwaarloosd, door de ramen zag je de kaarslampen in een oude luchter, of tl-buizen aan een verlaagd plafond. Ik herinnerde me de tijd toen ik ’s winters de sleetse trap van het huis besteeg en in het keukentje mijn jas en mijn schoenen en mijn kleren uittrok en de deur van de douchecel opende en Petra omhelsde. Ze was prachtig en mysterieus, ze sprak in korte antwoorden. Een ranke nek en gitzwart haar, gestifte lippen waarvan ze tijdens het roken voorzichtig draadjes shag plukte. Twee keer in de week gingen we naar een echt restaurant om steak au poivre te eten. Zij betaalde.

Enkele straten verderop waren de huizen vervangen door sociale nieuwbouw. Op het verlichte speelplein zaten wat jongeren op de leuning van een bank. Ik begaf me naar de grote weg die dwars door de stad liep, geflankeerd door statige gebouwen met bomen achter puntige tralies. Ik hield van de brede voetpaden en de geur van de ijzeren spijlen, die me herinner- de aan het huis waarin mijn grootmoeder poetste, een onbewoond huis van een rijke familie, waarin de overleden ouders of grootouders gewoon verder leefden, inclusief de krantenabonnementen en de sombere slag van Big Ben in het marmer van de trappenhal. Op mooie dagen mocht ik helpen de tuintegels schuren. Met de elektrische pomp vulde ik de emmers en droeg ze naar mijn oma, ik voelde me belangrijk. Het water uit de regenput was helder en ijskoud en rook naar ijzer.

Een jongeman vroeg me om een sigaret. Hij zat in een ruime winterjas tegen een muurtje, de knieën opgetrokken. Een junk. Zijn haar had een kaarsrechte scheiding, een poging om er iets van te maken. Ik rook niet, zei ik. Je bent een verstandig man, zei hij. Sigaretten zijn vergif. Maar als ik om geld vraag krijg ik niets. Rokers hebben medelijden met iemand die geen sigaretten heeft. Ik verkoop ze in het park, zei hij. Ik ga nooit slapen met honger.

Ik haalde tien euro uit mijn portefeuille. Hij mompelde een bedankje, vouwde het geld op en stopte het in zijn kous. Misschien is meneer op zoek naar iets? vroeg hij. De vraag ver- baasde me, hij keek alsof hij iets wist over mij. Ik ken wel ie- mand, zei hij. Het duurt niet lang, vijf minuten. Ik ga het voor je halen. Toen ik doorliep, zei hij, meneer, meneer. Ik draaide me half om, klaar om te rennen. Je weet me te vinden, zei hij. Als je iets nodig hebt. Oké? Hij wierp snel een blik links en rechts, en hoewel er niemand in de straat was zei hij fluisterend, ik ben hier.

In de parkeergarage vergiste ik me van verdieping. Ik zocht een tijdje op -1, liep uiteindelijk terug naar de trappen. Ik kon me niet herinneren me ooit te hebben vergist. In een hoek van de garage hoorde ik vrouwenstemmen. Er werd gelachen, een handtas viel op de grond en er klonk een vloek. Ik herken- de de vrijwilliger onmiddellijk. Hij stond bij het achterportier, klaar om in te stappen, hij had een tas om zijn schouder. Hij lachte minzaam. De twee vrouwen waren moeilijker te herkennen, ze droegen andere kleren en hun haar was los. Toch wist ik zeker dat de vrouw met de handtas haar hoofd in de oven had gestopt.

Slenterend naar de deur bleef ik kijken. Ik bedacht dat het niets hoefde te betekenen. De vrijwilliger had de actrices leren kennen, ze hadden samen nog een paar glazen gedronken en nagepraat over zijn avontuur. Ze hadden de man uit het publiek gehaald, hij had een ticket gekocht zoals iedereen. Hij was een architect, had een galerie, was docent kunstgeschiedenis. Hij was geen acteur. Toevallig zat hij dicht bij het trapje naar het podium. De man was onverstoorbaar geweest, moedig, hij had indruk gemaakt op de actrices. Ik had met mijn eigen ogen hun verbazing gezien, die hadden ze niet kunnen verbergen, niet voor wie goed keek. Op een onnadrukkelijke manier had hij hun respect afgedwongen en hun eenzijdige blik finaal veranderd. Dankbaar boden ze hem een lift aan.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief