leesfragment

[LEESFRAGMENT] ‘De jongen in het graf’ van Toni Coppers

In 2018 viert Toni Coppers tien jaar schrijverschap en in mei trakteerde hij ons alweer op een razend spannende thriller! In De jongen in het graf krijgen Liese Meerhout en Michel Masson te maken met één van de wreedste seriemoordenaars van de afgelopen decennia: Leo Meersman. Het team wordt gedwongen in het verleden te duiken op zoek naar antwoorden… en een graf.

Iets voor acht uur ’s ochtends maakte de nieuwsdienst bij de openbare omroep een lege indruk. Het was een grote ruimte en het gros van de stoelen en tafels was bestemd voor de medewerkers van televisie, die steevast laat werkten maar in de regel ook later begonnen. Er zat nauwelijks een tiental mannen en vrouwen. De meesten tuurden naar hun scherm of murmelden in hun telefoon.

Een radiojournaliste keek naar de grote klok aan de muur, stond op en zei gemaakt gewichtig: ‘Uit de weg, iedereen! Iris Blondeel brengt Vlaanderen het nieuws waar het naar smacht!’

Naast haar zat economiejournalist Peter Creuvels, een oude rot in het vak die leefde voor zijn baan en die de files zozeer haatte dat hij ’s ochtends altijd als een van de eersten op kantoor was.

Hij was niet onder de indruk.

‘Breng je op de terugweg een koffietje voor me mee, please? Beetje suiker, geen melk.’

Blondeel zuchtte, knikte dan.

‘Het gaat weer over hem’, zei ze terwijl ze naar de tekst op haar scherm wees. ‘Zowat de helft van mijn journaal is gevuld met nieuws over die klootzak.’ Ze nam een slok water, walste het enkele keren rond in haar mond voor ze doorslikte. ‘Ik was veertien toen ze hem te pakken kregen. Begin 2002 was dat, ik vergeet het nooit.’

Ik was veertien toen ze hem te pakken kregen. Begin 2002 was dat, ik vergeet het nooit.
‘Ik ook niet.’ Creuvels keek niet op van zijn scherm, dat vol stond met beursnoteringen. ‘De euro werd toen ingevoerd, in elf landen tegelijkertijd. Wat een interessant jaar was me dat.’

‘Denk jij heel af en toe nog aan iets anders dan aan banken en aandelenkoersen, Peter?’ Nu keek hij wel op. Een veelzeggende glimlach speelde om zijn mond.

‘Laat maar,’ zei Blondeel, ‘ik hoef het echt niet te weten.’ Ze stak de nieuwsredactie diagonaal over en liep de kleine studio in. Ze drukte op een toets onder een van de microfoons.

‘Ik ben er.’

‘Tien seconden’, antwoordde een blikken stem.

Iris Blondeel concentreerde zich op haar ademhaling en wachtte tot het rode lampje zou oplichten.

De donkerblauwe Citroën Berlingo van commissaris Liese Meerhout kroop als een natte schildpad over de Antwerpse kaaien. Dat had weinig met het karretje, maar alles met het ochtendverkeer te maken. De brede weg langs de Schelde was nog een van de weinige die niet openlag door wegwerkzaamheden, iets wat chauffeurs zoveel plezier deed dat er ’s ochtends en ’s avonds geen doorkomen aan was.

Het was de auto van Matthias, en Liese hield er niet zo van. Hij was oud en versleten, hij reed niet soepel en rammelde op elke hobbel. Ze gebruikte de auto veel minder dan vroeger. Tegenwoordig reed ze vaak met de fiets of ze nam de tram. Alleen bij hondenweer, zoals vanochtend, zocht ze haar toevlucht tot de gammele bestelwagen. De wind deed de regen striemen en alles om haar heen was grijs.

‘Begin april’, mompelde ze schamper, terwijl ze haar ogen opsloeg naar de sombere lucht. Op slag bekroop haar een schuldgevoel.

Het leek of het land al maanden onder een donkere stolp leefde.

Liese was niet iemand die zeurde over het weer, dat vond ze een zinloze bezigheid, maar ze betrapte zich erop dat ze het de laatste tijd wel vaker deed. Het leek of het land al maanden onder een donkere stolp leefde. De winter en de grijsheid bleven maar duren en ze had licht nodig, ze snak- te naar wat zon. Een heldere blauwe lucht zou ook al helpen. Vanochtend in de badkamer had ze haar telefoon gegrepen en de weersvoorspelling gecheckt, iets wat ze nog nooit eerder had gedaan. Dat was geen goed idee geweest, want vóór haar ochtendkoffie had Liese wel eens last van moordlustige neigingen, met of zonder slecht weer.

Ze had door de onlinekrant gescrold. Voorlopig nog geen lente, kopte een bericht.

‘Vertel mij verdomme wat!’ had ze chagrijnig geroepen.

Ze schuifelde met tien kilometer per uur in een lange sliert van auto’s over de kaaien en keek uit het raam aan de passagierszijde naar de Schelde. Er lag een enorm cruiseschip aangemeerd. Op het fietspad langs de kaaien reden de fietsers haar in glanzende natte poncho’s voorbij. Zelfs een oude jogger ging sneller vooruit.

Genoeg, Meerhout, dacht ze, zo kan ie wel weer.

Ze duwde op de knop van de radio. Een laatste flard reclame voor een of andere uitvaartverzekering, dan een jingle.

Acht uur, het nieuws met Iris Blondeel.’

Het verkeerslicht sprong tergend langzaam van oranje op rood en Liese stond opnieuw stil.

Het hoofdpunt in dit journaal: de naderende dood van Leo Meersman blijft de gemoederen beroeren. Gisteren maakte zijn advocaat Walter Jonckheere bekend dat hij een verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank en bij de minister van Justitie om de terminaal zieke Meersman toe te staan zijn laatste dagen bij zijn familie door te brengen. Maar eerst de rest van het nieuws.

Ze keek naar de zwiepende ruitenwissers en liet wat ze net gehoord had bezinken. Ze dacht terug aan de zaak die het land destijds getroffen had als een midscheepse torpedo. Was dat echt al zestien jaar geleden?

Ze had daarna al veel minder zin om volwassen te worden.
Iemand vertelde onlangs nog op een feestje dat er voor de meeste mensen een tijd vóór en een tijd ná Meersman was, en Liese had dat onmiddellijk bevestigd. Zo voelde het ook voor haar. ‘Het definitieve verlies van de onschuld’ had een journalist ooit geschreven, en ondanks de bombastische toon klopte het ergens wel, vond ze. Ze was pas afgestudeerd toen hij gearresteerd werd en iedereen de gruwelijke details vernam van wat er met de kinderen was gebeurd. Ze was ongeduldig en opgewonden geweest om eindelijk aan haar leven te beginnen, juist op een moment dat het hele land in een soort collectief trauma werd gestort. Ze had daarna al veel minder zin om volwassen te worden.

Daan, Sander en Jordy, Jelle, Raf en Ruben. Zoals iedereen, zou ze zich de namen blijven herinneren. Ze werden ook altijd in dezelfde volgorde opgesomd, als in een litanie.

Daan, Sander en Jordy, Jelle, Raf en Ruben.

 

Ontdek via de link hieronder meer over het boek en waar je het kan bestellen: 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief