nieuws

Leesfragment ‘De minzamen’ van Koen Peeters

0

In De minzamen werpt Koen Peeters vragen op over het mysterieuze, het menselijke en de alom aanwezige geschiedenis. Bovendien slaat Peeters op wonderlijke wijze een brug naar De mensengenezer, de betoverende roman waarmee hij de ECI Literatuurprijs won.

Lees hier de eerste pagina’s.
***

“In het Groot Begijnhof, in de Sint-Jan-de-Doperkerk, op de eenvoudige kist liggen de professorale toga’s van de universiteiten van Leuven en Kinshasa. De kist wordt naar voren gedragen en in het midden neergezet op de katafalk.
De priester begint.
Hoor, zo stel ik mij nu voor.
Hoor ’s hoe Remi stil in de kist naar ons ligt te luisteren, onder de hoge witte heiligenbeelden. Hoor hoe hij alle gefluister en muziek capteert, inclusief het voetengeschuifel, het kuchen en ademen. De fijne elektriciteit van onze gedachten tast hij af. Ook de blikken, zelfs het kleinste ogengeknipper van de kinderen zullen hem niet ontgaan. Eindelijk kan hij binnenkijken in de hoofden, via de ogen, de zielenspiegels waarin alles te lezen is. Het vrouwenkoor zingt z’n toonladders. Willem Vermandere weemoedig op de hobo.
Remi herkent al direct het geluid van de Westhoek. Het is mooi wat vooraan wordt verteld. In de kerk galmen de woorden nogal hol, maar in de kist is de akoestiek perfect. Eindelijk droomt hij weer. Godzijdank, Remi, je droomt weer. In de laatste droom wordt niets meer vermomd. Geen ingewikkelde symbolen of metaforen. Er is alleen dat beeld van de volle kerk, met het genereuze, gouden zonlicht dat op de koppen van de kerkgangers valt. Remi’s ziel zindert. Zijn pijn is weg.
Eindelijk rust.
Remi herkent de mensen.
Die. En die, en die. En tiens, is die hier ook? Maar dat is lang geleden.
De familie, de proffen en de mensen van het dorp, de vrienden en collega’s, opvallend veel oud-studenten ook.
Enfin, dit is het dan, denkt hij. Hij ligt daar rustig, hoeft niets meer te noteren.
Dat het is wat het is, dat zal het zijn.
Is er iets hierna? Wie zal het zeggen? Er zijn daaromtrent veel beloftes, mededelingen van hogerhand, maar zijn dat niet vooral manieren om nog liefdevol over een overledene te kunnen spreken? De geliefden terugzien? Welja, hier zitten ze. Anna zit tussen haar kinderen, schoonkinderen en kleinkinderen. Remi in de kist geniet volop van de roze strik in Mina’s haar en bont gestreepte kousjes, Astrid met haar heldere blonde blik, en Louis’ verwonderde trieste ogen. Zijn jonge jongensblik doet Remi denken aan zijn eigen jeugdfoto’s.
Onbezwaard zwevend is hij nu.
Het doet vreemd aan: Remi ziet alles vanuit een hoogte, en tegelijk is hij vlak voor ieders gezicht. Hij slikt als Stella snikt. Dit is mijn reis, denkt hij. Opnieuw hoort hij de klapperende wind rond de vliegtuigen die hij ooit nam, de auto’s waarmee hij reed, zijn fiets om naar de campus te rijden. Niets neemt hij mee, alles in het leven is slechts een licht omhulsel van de laatste gedachten en gevoelens. Ze bewegen rond de kist als water rond een boot. Dit is zijn leven: het liedje dat hij nu neuriet. Alles wat hij nog denkt, is wat hier en nu gebeurt.
Het is een goed ritueel, zou Remi als nuchter professor in de antropologie concluderen. Niet te formalistisch, mooi doorleefd, geen uitleg van een uitlegger. Na de afscheidsviering praten de mensen nog na op de kasseien van het Begijnhof. Definitie van een begrafenis: mensen zien elkaar weer, herkennen elkaar rond de kist.
‘Ja,’ roept Remi hun toe.
‘Ja, ik besta in deze wereld,’ roept Remi, als de kist de kerk wordt uit gedragen. In zijn laatste lucide droom vaart hij op de stroom, tussen het echte sterfelijke leven en de geschiedenis. Hij had gelijk: dromen zijn niet zomaar banale neurologische producten van het brein. Het was op een januariavond in Brussel, intussen vijf jaar geleden. Nog tijdens de redactievergadering van ons literair tijdschrift begint het hevig te sneeuwen, en ook daarna als wij samen eten bij Bonsoir Clara. Als steeds is de ontmoeting geanimeerd. Wij babbelen, babbelen en bevechten elkaar met onze meningen, verhalen, grappen en onze grote vriendschap. Wij eten, drinken en praten over wat een mens zoal kan en mag beweren. Filosofen durven graag doorbomen over zulke algemeenheden, terwijl schrijvers niet dubben, die schrijven maar raak.
Patricia vraagt mij welke mededelingen je kunt doen. Bijvoorbeeld over oorzakelijkheid, de causaliteit. Hoe vaak moeten, wetenschappelijk gezien, twee dingen als oorzaak en gevolg samen voorkomen om een causaal verband ertussen af te leiden?
Zij kijkt mij uitdagend aan.
Naïef en ongeschoold zeg ik dat het, in wetenschappelijke experimenten, altijd zo’n honderd procent moet zijn. Maar enkele keren is voor mij ook al voldoende. Patricia stelt heel formeel: ‘Eén keer volstaat.’ Ze citeert Paul Feyerabend: ‘Two would be nice, one is enough.’
Intussen sneeuwt het volop met rijke, dikke vlokken van uitvergrote sneeuwkristallen, steeds meer en harder. Als ons gezelschap het restaurant verlaat, barst de sneeuwstorm los. De stadse wereld gaat op in dikke witte pixels, feestelijk en gul.
Iedereen verstomt. De stilte van de sneeuw gooit prompt een witte deken over ons. Onverwachts blijkt iedereen braaf, wat laf zelfs, in de stad te blijven of ze gaan naar huis met de trein, terwijl ik tenminste dapper in mijn auto stap. Ik denk nog: kijk ’s aan hoe ik hier met mijn auto zal gaan sleeën.
Op de kleine Brusselse ring aan Sainctelette rij ik de tunnel in.
Als een vlinderslagzwemmer ga ik ondergronds, op en neer, onder de massieve buizen van nutsvoorzieningen en dan weer opwaarts over een of andere onzichtbare metrotunnel. Ik voel me veilig onder het Rogierplein. Als ik bovenkom, ter hoogte van de Kruidtuin, waait en slaat de sneeuw woest van alle kanten tegen mijn auto. De storm gaat beangstigend hard. Ik val stil.
Ondanks het zwiepen van mijn ruitenwissers zie ik geen hand meer voor mijn ogen. Ik raak lichtelijk in paniek. Twee auto’s voor mij raken de helling niet op en botsen. Natuurlijk, dit is slechts de doffe, alledaagse, de altijd banale blikschade, maar nu slipt mijn auto ook en schuift opzij. Ik heb
geen controle. Angst slaat mij om het hart. Met veel moeite raak ik toch nog de helling op. Ik wil vooral zo snel mogelijk van de weg af, en vlak bij Madou gaat mijn auto loepzuiver, slippend en schuivend met zot draaiende wielen, in een open plek langs de kant van de weg.
Ik stap uit.
Bevrijd, verlost sta ik naast mijn auto, midden in die werveling van verse, lichtgevende sneeuw. Ik staar naar de witte rotzooi rondom. Ik kreun en vloek.
Op dat moment komt daar een Volvo aanrijden. Hij toetert en zonder enige moeite stopt hij pal voor mij. Ik herken hem meteen: mijn oude professor antropologie. Remi, ik had hem de voorbije zomer nog gezien in de stad, ook in die zware Volvo. Hij discussieerde toen met een politieagent en speelde overtuigend de rol van de oudere, wat hulpeloze man.
Nu verschijnt hij als deus ex machina, hier in de sneeuw, ja haast goddelijk, alert en roekeloos, op winterbanden. Als een mechanische dandy, een kwajongen op een fiets, stopt hij vlak voor mij. Hij draait zijn raampje open. De sneeuw waait driftig bij hem binnen.
‘Wat doe jij hier op dit uur, Paul?’
Ik beken: ik durf niet meer verder rijden. Ik vrees vannacht niet thuis te raken. Misschien overnacht ik best in mijn auto. Het is toch al laat?
‘Jongen toch,’ zegt Remi. ‘Stap in.’
Ik zie schuim op zijn lippen. Of zijn dat de sneeuwvlokken?

Haasrode, een dorp vlak bij Leuven. Zijn vrouw Anna slaapt al. Remi geeft mij hete thee en wij gaan zitten in zijn studeerkamer.
‘Hier werk ik,’ zegt hij. ‘Urenlang, vooral ’s nachts. Hier brandt altijd licht. De buren vinden het rustgevend als ze mij zien zitten.’
Het is een kamer met een breed venster boven zijn bureau. Alle wanden zijn voorzien van boekenplanken. In dubbele rijen staan de boeken, alsof hij diep binnen in een boekenpiramide woont. Remi is professor aan twee of drie universiteiten, dat verklaart al snel de massale hoeveelheid vakliteratuur.
Ik bewonder die overvloed.
‘Ben je daar ook gevoelig voor, Paul?’
‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik. ‘Mag ik even…?’
‘Ja, jij mag.’ Het klinkt als een gunst die hij mij verstrekt.
Ik neem zomaar een boek uit het rek. Het is een stevig exemplaar, ingebonden en met linnen kaft, voorzien van een wikkel. Voorin staat een nummertje genoteerd, gen0549, Remi’s naamstempel op pagina 3, en voorts over de pagina’s verspreid, in fijn potlood, lijntjes en woorden, cijfers. Overal hierin zie ik Remi’s persoonlijke sporen, toevoegingen, bedenkingen.
Het boek in mijn handen is Tristes tropiques van de antropoloog Claude Lévi-Strauss. Het boek dat begint met die ene geweldige zin: ‘Ik heb een hekel aan reizen en aan ontdekkingsreizigers.’
‘Wat bijzonder dat je net dit eruit kiest,’ zegt hij.
In feite is dat helemaal niet bijzonder. Dit boek bevindt zich juist heel centraal, prominent op ooghoogte op het schap. Op de grafisch uitgewerkte kaft staat een menselijke figuur afgebeeld, met krulletjes, balkjes en hoekjes erop getatoeëerd in de vorm van een gezicht. Het hart van de figuur
is een kruik, ook al met gelijkaardige motiefjes erop.
‘Dit is het eerste, mijn allereerste antropologische boek dat ik ooit kocht,’ zegt Remi. Hij neemt het snel weer van mij over en opent het, liefkozend. Eerste druk, 1955, uitgeverij Plon in Parijs. Naast dit boek staan twee andere versies van hetzelfde boek, merk ik. Het zijn een Engelse en een
Nederlandse editie, beide net zo minutieus voorzien van zijn stempeltje, potloodtekens en notities.
Hij wijst mij de andere boeken aan van Lévi-Strauss. Wist ik trouwens dat Lévi-Strauss in Brussel geboren is, waar zijn ouders toen net toevallig op doorreis waren?
Wist ik niet. Nieuwsgierig wil ik nog een ander boek uithalen, maar Remi belet mij dat: ‘Straks raakt alles hier in de war.’
Hoe hij zijn boeken schikt, vraag ik.
‘Simpel is dat nooit. Ik heb geen tijd, vooral geen zin om alles alfabetisch te zetten. Nu staat alles juist naar mijn gevoel.’
Hij heeft wel enkele grotere onderverdelingen, maar eigenlijk is er geen methode. Hij verplaatst ze geregeld en bovenaan is het hachelijk, geeft hij toe. Daar staat een halve meter Stijn Streuvels, de enige fictie die hij bezit. Hij moet een laddertje zetten om erbij te kunnen.
Ik kijk hem aan. Remi is weer helemaal de intrigerende prof die ik ken van vroeger. Ik maakte bij hem ook mijn scriptie.
Hij vraagt me: ‘Zou het kunnen dat er iets tussen die boeken leeft? Dat er daar rode of zwarte sporen lopen, waarlangs transporten plaatsvinden om de denk- en voelwereld te voeden met inzichten en ze tegelijk te verstoren, om de opgeslagen reserves van chaos te onderhouden?’
Toen hij lesgaf, sprak hij ook al in zulke lange complexe zinnen. We konden hem amper volgen.
Remi gaat door: ‘Want door de taal van boeken raken we toch bij een of andere kwalijke kern. Sommige boeken hebben het gewicht van een voetnoot, andere bevatten genoeg dna om een stad te stichten of om een wereld te vernietigen.’

We gaan naar boven. Daar heeft hij nog een grote kamer vol boeken.
Hij doet het licht aan en wijst boeken aan van Barthes, Bataille en Bourdieu. Hij zoekt naar een klein zwart boekje van Kristeva, maar hij vindt het niet meteen. Dat boekje, weet hij, gaat over de affecten, de driften, het gif ervan. Het verwerpelijke dat zichzelf wil vernietigen. Het tomeloze en het bizarre. Wat je van je af gooit omdat het al het smerige, vuige in jezelf bovenhaalt en onbeschaamd toont. Afgesloten kelders, lastige familiegeschiedenissen…
Terwijl hij praat, gaat hij traag met zijn wijsvinger over een rij dierbare boeken. Er staat een Afrikaans beeldje tussen.
‘En tegelijk’ – Remi verplaatst zich naar een ander rek – ‘wijst dat verwerpelijke naar het meest sublieme wat een mens kan bedenken. Altijd begint het bij drift en agressie, ja ook het zot zijn, extase, secreties en perversies, de diefstal en het verbodene, de grenservaringen.’
Hij doceert net als vroeger. Ik herken mijn bevlogen professor, ook al ben ik moe en is het al lang na middernacht. Hij wijst nog wat verbanden aan in zijn boekenkast. Hij toont woorden in boeken als oeil/oog en oeuf/ei en testicules en oculaire. Zijn uitleg verwart me. Heeft hij het nu over voyeurs met een vuile blik? Over onschuldige vormen die zeer lichamelijke details oproepen?
‘Ook al staan deze boeken hier netjes rechtop, er heerst daarin een chaos, wetteloosheid. De mens heeft rituelen nodig om het pre-rationele, het voorwereldlijke op te roepen, om te komen tot herinneringen aan het oneindige, het mysterie.’
Eigenlijk bedoelt hij dit: deze boeken zijn banale dingen, maar tegelijk zijn het ook rozige levende wezens van vlees en bloed. Hij kan niet anders dan ze de hele tijd bekijken, openslaan en verplaatsen: om ze telkens weer met elkaar in andere verbanden te schakelen.
Hij zwijgt.
Wordt hij nu ook moe?
Hij staat nog steeds voor de boekenkast. Zwijgend overloopt hij de titels en wijst hier en daar een boek aan met zijn pink of wijsvinger, maar hij zegt niets meer.
‘Misschien, misschien moet jij ooit nog een groot project van mij aannemen,’ zegt hij. Het klinkt melancholiek, in de halfduistere boekenkamer. Wat bedoelt hij? Ik kan zijn vreemde, zeer persoonlijke verzuchting niet meteen plaatsen.
‘Maar nu nog niet,’ vult hij snel zichzelf aan, voor ik hem iets kan vragen of antwoorden. Hij verwisselt nog twee boeken van plaats.
‘Nog lang niet,’ weert hij af met zijn twee handpalmen vooruit. Alsof ik al zou hebben aangedrongen, alsof hij mij van zich af wil houden. Uit een gangkast haalt hij een lichte eenpersoonsmatras die hij uitrolt tussen de boekenkasten.
Hij wijst de plek aan waar ik vannacht mag slapen. Zijn vrouw Anna, die intussen wakker is geworden, brengt me ook een laken en een Schots geruite deken.
‘Paul, mag ik je nu met aandrang vragen?’ vraagt Remi met fronsend voorhoofd. ‘Wil je vannacht van mijn boeken afblijven?’
Ik knik. Ik ben doodmoe. Hij doet het licht uit.”

Benieuwd naar meer? Ontdek hoe je het boek in huis haalt!


Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief