nieuws

Leesfragment. De Scheldeprijs. ‘De Val’

Dit jaar heeft De Scheldeprijs een bijzondere betekenis: Tom Boonen rijdt er zijn laatste kilometers op Belgische bodem. In 2011 komt Wouter Weylandt ten val in de sprint, na een aanraking met Tyler Farrar. Dat akelige moment, die val, wordt door Matthias Declercq beschreven. Een beklijvend leesfragment.

Renners kennen dat gevoel. Dat korte, minieme besef is een shot adrenaline, recht in het hart: de Val.

De Scheldeprijs in Antwerpen heeft veel weg van een Tourrit. Het peloton laat een paar renners ontsnappen, het publiek gaat nootjes en een pils halen, en met de finish in zicht organiseren de sprintersploegen zich en worden de vluchters gegrepen. Op weg naar de finish in Schoten is het wriemelen voor de beste plek en stijgt de nervositeit. Er wordt gevloekt, gespuugd, geduwd en getrokken, als bij de ingang van een concerthal.

Denk aan niets, stuur niet tegen, val op je hele lijf, steek je handen niet uit, bid en prevel zacht.

In 2011 is het pad geplaveid voor een koninklijke spurt. De snelste renners van de wereld rijden vooraan. Met de boog in zicht zit Wouter wat ingesloten. Het turquoise shirt van Leopard Trek is maar een klein vlekje in de brede, kleurrijke muur aan renners die op de streep afstormt. En het loopt fout. Wouter komt bij het losbarsten van de sprint in aanraking met Tyler Farrar, een Amerikaanse Gentenaar, een vriend ook van Wouter. Op volle snelheid is Farrar een onbehouwen figuur, hij zwiept zijn fiets gulzig van links naar rechts en gooit de ellebogen telkens breed uit, als een varkensboer aan de keukentafel. Tyler wijkt voor niemand. Een ticket voor het podium wordt zo een enkeltje richting ziekenhuis. Farrar en Weylandt hinderen elkaar en in een halve seconde beseft Wouter de consequenties van het gehannes. Renners kennen dat gevoel. Dat korte, minieme besef is een shot adrenaline, recht in het hart: de Val.

Denk aan niets, stuur niet tegen, val op je hele lijf, steek je handen niet uit, bid en prevel zacht. Wouter slaat weerloos tegen de grond en sleurt Farrar mee. Hij schuurt over het asfalt. Farrar schuift naar de overkant. De val is hard. Wouter schuurt over het oppervlak, méters ver, en rijt zijn linkerflank open. Het truitje scheurt. Als kauwgom plakt het afgestroopt vel aan het beton. Wouter blijft liggen met de benen gestrekt. Een renner van Sky rijdt vol op hem in. De man vliegt de lucht in en breekt zijn val tegen de reclamepanelen die aan de schuine dranghekken zijn vastgemaakt. Schroot, gedeukte renners. Een andere coureur buigt zich over Wouter. Wat rest is bloedrood vlees, een brancard en applaus voor getoonde moed. Eigenhandig stapt Wouter de ambulance in. Gaat het dan nooit eens meezitten?

Na de Scheldeprijs zegt Wouter: ‘Het doet pijn, maar dit hoort erbij.’

Eerst is er de menselijke shock, daarna komt de typische reactie van een renner: hij tast naar de schouder. Het sleutelbeen is intact. Tast aan de pols: geen breuk. Voelt aan de heup. En overschouwt dan het slagveld. Het bloed op zijn benen sijpelt langzaam naar beneden. Geen breuken, maar er is niks zo pijnlijk, ondraaglijk en moeilijk te ontvluchten als schaaf- en brandwonden. Er zit zweet in, grind, stof, insecten, soms paardenstront, fijn glas, modder of ijzer. Op de massagetafel wordt dat een spons, zuurstofwater, zalf, olie en een kompres. En tanden om op te bijten. ’s Nachts brandt je hele flank. Een toorts van warm vlees. Dat weet een renner. Hij valt en denkt aan de nacht. Misschien is dat juist de kracht die ons aanspreekt: na een harde val staat een renner op en vraagt niet om een gele kaart.

Na de Scheldeprijs zegt Wouter: ‘Het doet pijn, maar dit hoort erbij.’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief