nieuws

Leesfragment ‘Ik kan u niet uitleggen wat de oorlog is’

0

In Ik kan u niet uitleggen wat de oorlog is reconstrueert Mies Haage het leven van een jongen in de loopgraven aan de hand van de brieven die hij naar huis stuurde in de Eerste Wereldoorlog.

In september 1914, een maand na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, trekt César Vincent, een twintigjarige boerenjongen, naar de garnizoensstad Briançon om opgeleid te worden tot soldaat. Met het leger reist hij vervolgens een groot deel van het front af, van de Somme tot Verdun, en leert hij de oorlog kennen in zijn gruwelijkste, onmenselijkste gedaante. Zijn enige houvast is de troost dat het leven in zijn geboortedorp intussen gewoon doorgaat, en de brieven die hij vrijwel dagelijks naar huis schrijft. Een eeuw lang liggen de brieven van César in een oude kist in een schuur op de boerderij van zijn familie. Dan vraagt een achterneef, Lionel Vincent, zijn Nederlandse buurvrouw Mies Haage of zij er misschien interesse in heeft. Het resultaat is een ijzingwekkend verslag van een oorlog aan de hand van een ooggetuige.

Lees hier al een eerste fragment.

Brieven die niemand mag lezen

Lionel Vincent heeft altijd geweten van het bestaan van de brieven. Maar hij heeft ze nooit gezien. Niemand mag ze lezen. Ze zijn het laatste wat rest van het grote drama van zijn familie: zijn oudoom César, die ze als Frans soldaat in de Eerste Wereldoorlog naar zijn familie stuurde, is in 1917 gesneuveld. Of het uit respect, verdriet of schuldgevoel is weet niemand meer, maar zijn grootouders en ouders hebben de brieven nooit aangeraakt. Ze willen ook niet dat iemand anders dat doet.

Lionel ziet de brieven voor het eerst als hij al volwassen is en hij het dak van een van de schuren van de familieboerderij aan het vervangen is. Daar op de zolder staat een grote blauwe hutkoffer. Ernaast ligt een oude soldatenhelm. Als hij de koffer opendoet ziet hij dat die vol brieven zit. Oude brieven. Daar zijn ze dus. Hij doet de kist weer dicht.

Lionel is geboren op de boerderij Les Granges in Crupies, een dorpje met negentig inwoners in het Franse departement Drôme, dat omarmd ligt door de uitlopers van de Couspeau, een uitgestrekte berg die het uitzicht domineert. De Pays de Bourdeaux, zoals de streek waarin Crupies ligt heet, wordt gekenmerkt door zijn rotsige bergwanden, afgewisseld met bossen, weiden en de grillige loop van de rivier de Roubion. De huizen zijn uit natuursteen opgetrokken en hebben azuurblauwe of lichtgroene luiken. In de winter is het landschap kaal en ruig, stenig en stekelig. In de zomer is het lieflijk, met het niet-aflatende gezang van de krekels, de geur van lavendel, van tijm en van de naaldbossen. Verder naar het zuiden van de Drôme komt er meer zon, die wijnvelden en olijfboomgaarden kan voeden. Niet in de Pays de Bourdeaux. De kalkrijke bodem is goed voor de lavendelverbouw. Toerisme heeft de streek extra inkomsten en meer bevolking gegeven, maar niet overgenomen.

Lionels ouders, Serge en Denise Vincent, scharrelen een bestaan bijeen op verspreide velden rondom het dorp, hier een stukje tegen een berg, daar een rotsig veldje aan de oever van de Roubion. Ze hebben altijd een paar mensen in huis die niet zelfstandig kunnen wonen, ook voor extra inkomsten. Ze leven min of meer hetzelfde leven als dat van Albert en Emma, de ouders van Serge. En van Serges grootmoeder, Eugenie, de moeder van Albert en diens broer, César.

Als César was blijven leven zou hun hele leven anders zijn verlopen. Dan had de familie haar rechtmatige hoofd niet verloren. Dan had Albert de boerderij niet geërfd, maar had hij het een of andere ambacht moeten leren en was hij misschien niet in Crupies blijven wonen. Dan was Serge ergens anders opgegroeid en was Lionel iemand anders geweest. Een kind in een van de omringende stadjes of in een grote stad, waar zoveel van zijn streekgenoten terecht zijn gekomen.

Maar nu is Lionel, net als zijn vader, een geboren scharrelaar, met misschien iets meer talent. Hij weet dat hij ooit de boerderij van zijn vader zal erven met de akkers en veldjes, en tot die tijd verzint hij zelf manieren om rond te komen. Zeker op het moment dat hij trouwt en een gezin wil stichten heeft hij geld nodig. Hij heeft een baantje bij de plaatselijke supermarkt en hij verbouwt wat lavendel op een paar velden waarmee zijn vader weinig doet. Maar wat hij het liefste doet is bricoler, het Franse woord voor ‘prutsen’, wat alle activiteiten omvat van een schroef indraaien tot een huis bouwen. Lionel maakt ze zich allemaal eigen. Op een ander veldje, boven op een heuvel, begint hij aan een huis voor zichzelf en zijn vrouw. Zoals iedereen dat doet, met de stenen die je her en der en vooral langs de Roubion kunt vinden.

Onder aan die heuvel ligt een ander huis. Of liever, een schuur, waarvan een rare Italiaan al tientallen jaren muurtje voor muurtje en raampje voor raampje een huis probeert te maken. Niemand krijgt hoogte van hem. Niemand heeft veel vertrouwen in zijn bouwactiviteiten. Maar Lionel zal toch iets met hem moeten regelen, want de elektriciteit voor zijn eigen huis moet lopen via het terrein van de Italiaan, en daarvoor heeft hij toestemming nodig.

Nog voor Lionel die toestemming kan vragen ontstaat er ineens bedrijvigheid onder aan de heuvel. Er wordt nu in hoog tempo verbouwd, met allerlei mensen en met aanmerkelijk meer middelen. In het dorp hoort Lionel dat de Italiaan zijn huis heeft verkocht aan Nederlanders die er een tweede huis van willen maken. Er zijn de laatste jaren wel meer buitenlanders die in de streek een oud, vervallen huis opkopen en verbouwen. Het levert reuring en geld op, en zolang het maar geen Parijzenaren zijn vindt de bevolking het best. De supermarkt waar Lionel werkt vaart wel bij de Nederlanders. Een van Lionels collega’s wijst hem een man aan: die man wordt zijn buurman.

Als Lionel de Nederlander een paar dagen later voor zijn kassa krijgt, spreekt hij hem aan. De man beheerst het Frans gebrekkig en heeft moeite om hem te volgen, maar nodigt hem hartelijk uit om eens langs te komen en de zaken te regelen.

Dat doet Lionel. Het krot van die Italiaan blijkt een heel bewoonbaar huis te zijn geworden. Het is met respect voor de architectuur van de streek opgeknapt. Die Nederlanders zijn bovendien aardige mensen en de vrouw spreekt een stuk beter Frans dan de man. Ze zijn allebei halverwege de vijftig. Ze komen al vele jaren in de streek en hebben nu het geld om er een huis te kopen. De papieren voor de elektriciteitsleiding zijn snel getekend. Maar Mies en Nort hebben ook een vraag. Ze zoeken nog iemand die, als het huis soms leegstaat, wat klein onderhoud kan verrichten en de boel een beetje in de gaten kan houden. Zo krijgt Lionel er weer een klusje bij om voort te kunnen scharrelen. Hij maakt intussen zijn eigen huis af en gaat er wonen met zijn vrouw Nadine.

De kist van zolder

Lionel Vincent, Mies Haage en Nort Liebrand leren elkaar door de jaren heen kennen. Ze verschillen van land, van taal, van leeftijd, van opleiding. Mies Haage heeft in het onderwijs gezeten en doet allerlei vertaal- en redactiewerk, ze kent Frans, Duits, Engels en Portugees. Nort Liebrand is werktuigbouwkundige die carrière heeft gemaakt in het bedrijfsleven. Hij is inmiddels hoogleraar. Lionel kan het uitstekend met hen vinden. Ze respecteren elkaar, zijn in elkaar geïnteresseerd en kunnen een goed glas met elkaar drinken.

Op een avond begin 2008 vertellen Mies en Nort aan Lionel over wat ze dit keer op hun tocht naar Crupies hebben gedaan. Ze hebben de slagvelden ten noorden van Verdun bezocht, waar de strijd is uitgevochten die beslissend zou zijn voor de Eerste Wereldoorlog. Lionel laat vallen dat daar een oudoom van hem begraven ligt. ‘We hebben zelfs nog brieven van hem,’ zegt hij. Mies zit meteen recht in haar stoel. Wat is er met die oom gebeurd? Wat zijn het voor brieven? Lionel zou het niet weten. ‘Mag ik eens kijken?’ vraagt Mies schuchter.

Taboes slijten met de jaren. Als Lionel zijn ouders vraagt of hij Mies Haage een paar van de brieven kan laten inzien, geven ze toestemming. Ze kennen haar inmiddels ook, ze vertrouwen haar wel. Lionel loopt naar de zolder en raakt voor het eerst de brieven aan. Een paar. Die er het netst uitzien. Bij een volgend bezoek draagt hij ze aan Mies over.

De enveloppen, beschreven in een sierlijk handschrift en gericht aan de ‘weduwe Vincent’, zitten onder het stof. Het papier is oud en dor. Heel voorzichtig vouwt Mies de brieven open. Ze stoft ze af en begint te lezen. Het handschrift is duidelijk. De spelling is goed te volgen. De zinsbouw rammelt wat, maar deze oudoom van Lionel, deze jonge soldaat, kan zich goed uitdrukken, dat is meteen duidelijk.

De volgende keer dat ze Lionel spreekt vertelt ze hem van haar bevindingen. Dit zijn belangrijke brieven, zegt ze. Zijn oudoom is een ooggetuige van de Eerste Wereldoorlog die aan verschillende fronten heeft gevochten en die helder over zijn ervaringen kan vertellen. Hier moeten meer mensen in geïnteresseerd zijn. Zijn er eigenlijk nog meer brieven?

Voor Lionel is het reden familieberaad te houden. De brieven hebben daar nu bijna een eeuw gelegen zonder dat iemand er iets mee heeft gedaan. Als ze daar nog langer blijven, vallen ze van ouderdom uit elkaar. Hun ouders kunnen wel gezegd hebben dat niemand aan die brieven mocht komen, maar dat kan toch niet hun bedoeling zijn geweest. En nu is er iemand die er oprecht in geïnteresseerd is, die er iets mee wil doen.

De volgende keer dat Lionel Mies en Nort spreekt, vraagt hij hun mee te komen naar de schuur van zijn ouders. Met een laddertje klimmen ze naar de zolder. Onder het stof ligt daar die oude Franse soldatenhelm, met een gat erin. Ernaast staat de oude hutkoffer. Als Lionel hem opent, begrijpen Mies en Nort eindelijk om hoeveel brieven het gaat. Honderden. En nog eens honderden.

De kist wordt van zolder getild en naar het huis van Mies en Nort verplaatst. Mies begint er enveloppen uit te halen. Alles zit onder het dikke, droge stof. Hier is een brief uit 1916. Daar is een dikke envelop uit 1915, vol met brieven in allerlei handschriften. Daar een ansichtkaart uit 1914. En daar wat losse velletjes, zonder datum. En dan nog wat achttiende-eeuwse perkamenten uit het erfgoed van de familie Vincent.

Mies wordt overweldigd door de omvang en waarde van wat ze in huis hebben. Waar moet ze beginnen? Hoe moet ze dit aanpakken? De volgende ochtend belt ze haar zus Ine. ‘Ine, we hebben een schat gevonden! Je moet me helpen. We komen hier om in de stofnesten en de chaos.’

Het weekeinde erop gaat de eerste lading brieven mee naar Nederland, naar Leende, een landelijk dorp ten zuiden van Eindhoven waar Mies en Nort wonen. De brieven liggen netjes opgestapeld in een paar schoenendozen. De dag daarna gaan Ine en Mies samen aan het werk. Een deel van de enveloppen is zelfs nooit geopend geweest, merken ze. De brieven van César vormen een belangrijk deel, maar er zitten ook veel andere brieven bij. Want, zo ontdekken ze bij het lezen, César stuurt alle brieven die hij ontvangt naar huis, waar ze beter bewaard kunnen worden dan in zijn ransel, in de loopgraven. En omdat hij weet dat elke dag zijn laatste kan zijn. Mies en Ine ordenen alle brieven op jaar, op maand. Mies neemt contact op met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag om te vragen hoe je dit soort documenten het best kunt conserveren. Op aanraden daarvan koopt ze zuurvrije mapjes voor de brieven, en bewaart ze die in een daarvoor aangeschafte archiefkast met laden voor elk jaar. In totaal gaat het om bijna 1300 brieven, waarvan ruim 500 van César.

Het is niet zo dat Mies of Ine Haage op zoek is naar een dagbesteding. Mies is achter in de zestig en heeft het werkzame leven achter zich gelaten. Ine, iets jonger, is ook met pensioen. Maar al snel groeit het idee dat deze brieven ontsloten moeten worden. Ze bevatten niet alleen kennis over de Eerste Wereldoorlog en hoe die door de gewone soldaat werd ervaren, maar bovenal bevatten ze een verhaal, van een jongen en zijn familie en hoe die uit elkaar zijn gerukt door de geschiedenis. Ze voelen met hen mee.

Het dorpje Crupies aan het begin van de twintigste eeuw. Ansichtkaart gestuurd door Marie aan haar broer César Vincent

De afgebroken jeugd van César Vincent

Het Crupies waarin César Vincent ruim een eeuw daarvoor wordt geboren is een heel ander dorp dan dat waarin Mies Haage en Nort Liebrand hun tweede huis kopen. De bergen zonderen de Drôme van de rest van de wereld af en maken het gebied eigenzinnig. Het hoort eeuwenlang niet eens bij Frankrijk, maar bij Bourgondië of het Heilige Roomse Rijk, en is opgedeeld in kleine heerschappen die vaak op voet van oorlog met elkaar leven.

Het protestantisme dat in de rest van Frankrijk succesvol wordt bestreden kan hier dieper wortel schieten. Lodewijk van Nassau, de broer van Willem de Zwijger, vecht er nog aan de zijde van de hugenoten. Als Lodewijk xiv in 1685 het Edict van Nantes, dat de protestanten relatieve vrijheid bood, herroept, is er opstand in de Drôme, die bloedig wordt neergeslagen. Veel hugenoten vluchten naar Zwitser- land of naar de Nederlandse Republiek.

Maar langzaam vestigt de Franse staat zijn bewind. Burchten worden afgebroken, belastingkantoren en rechtbanken worden opgericht.

Het protestantisme blijft een grote rol spelen, met zijn kenmerkende ‘temples’, kleine, sobere kerkjes, en zijn privékerkhofjes op eigen erf. Naast de landbouw ontwikkelt zich in de Drôme nijverheid in linnen, zijde en keramiek.

In de tweede helft van de negentiende eeuw wordt de Drôme door de ene na de andere ramp getroffen: de druifluis maakt de wijnstokken in het zuiden kapot en de zijderupsen gaan ten onder aan pebrine. Vanaf 1850 krijgt het Roubiondal met de uitvinding van het dynamiet weer een nieuwe slag te verwerken. De smalle bergpaden die een moeizame uitweg boden naar andere dalen en steden, worden nu met donderend geweld verbreed. Een flink deel van de bevolking volgt de roep van grote steden en hogere inkomsten. Het dal stroomt leeg. De velden worden niet meer bewerkt, de huizen storten langzaam in. Als de grond niet meer wordt onderhouden, slaat erosie toe. Pas tegen 1965 zou het dal weer het bevolkingsniveau halen van 1850.

Tegen de tijd dat César wordt geboren, in 1894, is de Drôme een arme streek. Zeker op plekken zoals het Roubiondal leeft men feitelijk nog als in de achttiende eeuw, zij het met een sterk uitgedunde bevolking. Het is hard werken om op de dorre, kalkachtige bodem een bestaan bijeen te sprokkelen. Op de schaarse stukjes vlakke grond staan boomgaarden en af en toe een veld met gewassen, in de weiden lopen geiten die melk en kaas leveren. Die laatste neemt de vorm aan van de picodon, een klein, rond, plat kaasje dat men laat indrogen tot het steenhard is, zodat het in geraspte vorm de dagelijkse soep van aardappels en groenten enige smaak kan verlenen. ’s Winters wordt het met luzerne en afval gevoede varken geslacht, en eet men een paar dagen geweldig veel. Van wat over is worden worsten gedraaid. Verder vult men het dieet aan met wat men vangt op de jacht, een activiteit die in de streek tot op de huidige dag met de nodige hartstocht wordt bedreven. Zoals Lionel graag mag zeggen: ‘De jacht is hier nog erger dan de godsdienst.’

Het schoolgebouw in Crupies, nu Gemeentehuis. Ansichtkaart gestuurd door E. Liautard aan César Vincent (26 juni 1916)

César Vincent wordt geboren op de boerderij Les Granges, waar hij ook zal opgroeien, als zoon van Eugenie Vincent, geboren Aunet, net dertig, en Frédéric Vincent, ruim veertig. Hij is hun vierde kind, maar al snel het enige. Eén zus is gestorven voor zijn geboorte, twee anderen sterven in 1894 aan difterie. Zijn ouders moeten blij zijn geweest dat César levensvatbaar blijkt. Daarna worden Marie, Albert, Eva en Léa geboren. Eugenie en Frédéric hebben alsnog een kinderrijk gezin. César blijkt een slimme jongen die het goed doet op school. In 1907 behaalt hij het certificaat voor het lager onderwijs, dat hij in een stevige lijst aan de wand hangt. Een verdere opleiding zit er voor hem niet in: hij moet meehelpen op de boerderij. Twee jaar later, als de kleine Léa een paar maanden oud is, komt de dood weer op bezoek bij het gezin Vincent: vader Frédéric en César zelf krijgen tyfus en Frédéric overleeft het niet. Eugenie, de ‘weduwe Vincent’, zoals ze zich vanaf dan noemt, krijgt de verantwoordelijkheid voor de boerderij. Daarin neemt César al snel een belangrijke rol op zich. Zo regelt hij de inkoop en verkoop van het vee. Al in 1911, hij is dan nog niet volwassen, schrijft hij zich bij de gemeente in als ‘landbouwer’. Daarnaast hebben ze hulp van een knecht, Jean Trachet, die voor César een vaderfiguur wordt.

Niet alleen het lot en de natuur vormen een bedreiging voor het ge- zin. Zodra Frédéric is overleden eist zijn stiefmoeder een deel van de erfenis op. Dan is er, zoals zo vaak op het platteland, een conflict over het water, dat nog niet van de waterleiding maar rechtstreeks uit de bergen komt en een kostbaar goed is. Hun buren, Dufour en Achard, klagen dat het water op de plaats waar de weduwe Vincent het aftapt schoner en helderder is dan waar zij het zelf halen. De weduwe moet zich voor de vredesrechter tegen hen verdedigen. Slager Rochas beschuldigt de weduwe ervan dat ze hem een tuberculeuze koe heeft verkocht. In al dit soort conflicten zoekt ze de hulp van deurwaarder Joubert uit Dieulefit, een stadje op vijftien kilometer, en advocaat Puissant uit Montélimar, een wat grotere stad waar de Roubion uitkomt in de Rhône. Dankzij de bijstand van deze notabelen krijgt het gezin Vincent bemiddelaars tussen henzelf en de voor hen onbereikbare lagen van de maatschappij waar de beslissingen vallen. In de brieven zullen ze regelmatig een rol spelen. Samuel Dufour, een van de buren die de weduwe van haar water wil beroven, wordt burgemeester van Crupies. In die hoedanigheid wordt hij de schrik van het gezin Vincent en maakt hij de toegang tot alles wat de overheid betreft moeilijker.

Intussen ontwikkelt César zich tot een levenslustige, ondernemende jongen. Hij werkt hard op de boerderij. Daarnaast lijken zijn voornaamste interesses meisjes en de jacht te zijn. Hij volgt zijn moeder in de godsdienst, maar is niet erg religieus gedreven. Hij heeft sterke vriendschappen met jongens uit het dorp. Henry Achard, twee jaar jonger, is zijn beste vriend. Met hem gaat hij vaak op jacht. Samen bekijken ze brochures voor geweren om te zien wat voor hun doeleinden het geschiktst is. Elysée Augier, een andere vriend, is vier jaar ouder en werkt als herder. Hij gaat al in 1913, een jaar voordat de oorlog uitbreekt, het leger in en wordt gelegerd in Grenoble. Emile Mège is even oud als César. Ook hij verlaat in 1913 het dorp om bij verschillende wijnboeren te gaan werken. Als ze elkaar treffen in het dorp, gaan de vrienden de markten in de buurt af, op zoek naar meisjes en vertier.

In april 1914, niemand kan nog vermoeden dat de Eerste Wereldoorlog binnen enkele maanden zal uitbreken, wordt César, twintig jaar, opgeroepen voor de dienstkeuring. Dat is traditioneel aanleiding voor een groot feest waarbij flink gedronken wordt. Omdat hij kostwinnaar is wil César zijn dienstplicht graag vervullen vanuit huis. Hij is net met een advocaat de mogelijkheden daartoe aan het verkennen als de mobilisatie wordt afgekondigd voor mannen van eenentwintig tot achtenveertig jaar. Het gezin volgt de ontwikkelingen nauwlettend. De affiches bij het gemeentehuis worden overgeschreven en gespeld. Wat betekent dit voor hen en vooral voor César? Hij is nog geen eenentwintig en hoeft nog niet naar de kazerne. Maar in de eerste weken en maanden van de oorlog vallen er zoveel slachtoffers dat al snel de volgende lichting wordt opgeroepen, de lichting 1914, waartoe César behoort. In Frankrijk worden de mannen van dit jaar wel de ‘opgeofferde’ generatie genoemd: 52 procent van deze lichting sterft voor het vijfentwintigste levensjaar. Een flink deel is al eerder slachtoffer van gewone kinderziektes, maar een kwart sterft in de oorlog, veel meer dan van andere lichtingen.

Dit komt gedeeltelijk door een gebrekkige militaire opleiding, die César mag ondergaan in de kazerne van Briançon. Vanaf dat moment beginnen bij de boerderij Les Granges de brieven aan te komen. Aanvankelijk zijn het alleen de brieven van César zelf, meestal één per dag.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief