nieuws

LEESFRAGMENT: ‘Om wie wij waren’ van Gerda Van Erkel

0

Gevierd jeugdauteur Gerda Van Erkel keert terug naar  volwassenenliteratuur met Om wie wij waren, een onderhuidse roman over kantelmomenten in een stad, een tijd, vijf levens.

Gerda van Erkel is een doorgewinterd auteur die in haar schrijverscarrière al regelmatig gelauwerd werd met bekroningen op haar werk.

Vanuit haar werk als psychotherapeute voelt deze Vlaamse Elena Ferrante haarfijn aan wat er in mensen omgaat; het maakt haar personages levensecht en ontroerend. Dat geldt ook voor Om wie wij waren.

Lees hier alvast de eerste pagina’s van dit meeslepend en hartverscheurend verhaal over vriendschap, rivaliteit en vertrouwen.

 

Paulien

Antwerpen, donderdag 13 september 2018, 2.00 uur

 

‘Zuig het gif eruit! En spugen, wil je ook dood misschien?’

Ze had de mouw van haar rode truitje tot boven haar elleboog opgestroopt. De onderkant van haar arm was melkwit, dooraderd met dunne lijnen, die me nu aan marmer doen denken, een voorafspiegeling van haar koude, dode huid, die in een luttele seconde vaal werd, verwelkte.

Alsof er tussen toen en drie uur geleden slechts minuten liggen en elke minuut vele levens duurde en het toch maar het verschil van één adem uitmaakte om daar voorgoed een eind aan te maken en haarzelf te veranderen in iemand die we ons alleen nog kunnen herinneren.

Haar stem sloeg over, je kon niet anders dan haar geloven. In paniek speurde ik naar sporen van de slangenbeet. We stonden op de speelplaats, in de hoek onder de lindeboom. Mila, Ishtar, die zowel mijn buurmeisje als mijn vriendinnetje was, en ik. Mila was nieuw.

In plaats van zich wat verlegen op de achtergrond te houden had ze die ochtend na de paasvakantie eigengereid haar plaats in onze klas ingenomen. Ze droeg gouden schoenen en het eerste wat ze zei was dat ze al kon lezen en dat het hier hopelijk niet zo stom zou zijn als op haar vorige school.

Ze bedoelde dat anders dan mijn moeder. Stom zoals in niet jezelf, zoals de holle klank van de echo. Zoals één tint grijs. Zo bedoelde Mila het. Mijn moeder noemde me stom maar bedoelde dom.

Als iemand kwaad op me was, mijn moeder, viel ik in losse onderdelen uit elkaar, schroefjes, veren, batterijen, botjes, hart.

Ik had nog nooit iemand met zulke groene ogen gezien, behalve de heksen in mijn prentenboeken en hun blazende zwarte katten die ongeluk brachten. Ze had de klas rondgekeken, een lege stoel gegrepen en zich vastbesloten tussen Ish en mij gewrongen. We lieten het gebeuren, zelfs Ishtar.  Mila vulde de klas zoals lucht je longen.

Hoewel ik wist dat er niet echt een slang was, keek ik schielijk omhoog om me ervan te vergewissen dat ze zich niet in de lindeboom verscholen had, een nauwelijks zichtbare kronkel in het sissende gebladerte. Daarna keek ik naar Ishtar. Ze was een halve kop kleiner dan ik, maar een haantje-de-voorste en een mondje-brutaal, terwijl ik elk woord wikte en woog omdat ik geen ruzie wilde. Als iemand kwaad op me was, mijn moeder, viel ik in losse onderdelen uit elkaar, schroefjes, veren, batterijen, botjes, hart.

‘Als er hier iemand doodgaat, is het de slang’, zei Ishtar.

Ze pakte Mila’s arm, zette er zonder verdere omhaal haar mond op en begon te zuigen, waarbij ze haar wangen zo hol maakte dat ze tegen elkaar plakten. Toen spuugde ze een straal speeksel samen met het gif vlak voor Mila’s voeten op de grond.

‘Opgelost!’ Ze veegde haar lippen af met de rug van haar hand.

Toen was het mijn beurt. Ik was bang, van gif kon je doodgaan, en hoewel ik nog zes moest worden, paste het woord nee al niet meer in mijn mond. Het lag als een uitgestompte en ingeslikte tand op mijn maag.

Ze vroeg het opnieuw. ‘Je wilt toch niet dat ik doodga, toch?’

‘Nee’, zei ik. ‘Nee, natuurlijk niet.’

Dus deed ik precies zoals Ish, met ‘Opgelost!’ aan het eind, maar het was pas het begin.

 

Drie uur geleden, om negen voor elf, heb ik haar ogen gesloten, ik zag het op het horloge om haar smalle pols. Het zat te ruim, alsof de menselijke tijd haar al lang geleden had losgelaten. Niemand anders was erbij. De stilte was er en onze herinneringen, de hare wegrollend als golven bij eb.

Tot nog toe heb ik het onderwerp gemeden, maar nu Mila’s dood de fundamenten van onze levens blootlegt, kan ik er niet langer onderuit.

En nu zit ik aan mijn tafel in mijn eigen appartement, ik kijk uit over het donkere water van de Schelde, het regent onafgebroken, en ik schrijf, met te veel onrust in mijn lijf voor de slaap, en stel het uit om de anderen te bellen. Volgende week begint de herfst.

Dode bladeren en paddenstoelen, die ondergronds door de jaren heen met een netwerk van wortels met elkaar verbonden blijven. En nevel die al opdoemt in mijn ogen.

 

Onze school lag aan de verkeersslagader tussen Antwerpen en Borgerhout, dat een migrantengetto begon te worden, maar men negeerde of onderschatte de tekens. De verhoopte integratie is mislukt en de vroeger frisse straten roepen het beeld op van een oud en lelijk geworden krijsende vrouw met doorligwonden. Tot nog toe heb ik het onderwerp gemeden, maar nu Mila’s dood de fundamenten van onze levens blootlegt, kan ik er niet langer onderuit.

Het jaagt me angst aan. Ik zie Rachids mond voor me, alsof hij altijd een mes klaar heeft tussen de tanden. Ik hoor verontrustende dingen over hem. Onze klas lag in een ingepalmde vleugel van het voormalige klooster, op de hoek van het gebouw. Eén zijde paalde aan een rotstuintje met een grot, in de nis een bleek, teleurgesteld Mariabeeld. Een van de armpjes van het kindje Jezus was afgebroken.

Met de andere hoekzijde grensde ze aan de speelplaats met de lindeboom en de halve ramen van het souterrain, waar de refter lag. Ishtar en ik aten ’s middags thuis, Mila bracht boterhammen mee, maar na een week of twee zei ze dat ze met mij mee wilde. In de refter werd ze gek. Al die stemmen kropen in haar hoofd.

‘Begrijp je dat, Pia?’ vroeg ze.

Sinds Ishtars jongere zusje Farida mijn naam op die manier verhaspeld had, had bijna iedereen hem overgenomen. Alleen mijn moeder niet. Ze vond een naam inkorten zoiets als vrijwillig een van je vingers in de snijmachine van de rookworst steken.

Ik knikte, maar wist niet hoe ik het thuis zou moeten vragen. Mijn moeder werkte zo hard dat ze erbij kon neervallen. Die woorden, keer op keer uitgesproken als een kraan die blijft druppen, hielden me uit mijn slaap.

Een broertje of een zusje, om me minder eenzaam te voelen, de verwachtingen te verdelen, niet langer alleen van alles de schuld te zijn.

Amper had ze me ingestopt en hoorde ik geen voetstappen meer op de trap, of ik sloop terug naar beneden om bij de glazen deur naar de woonkamer te waken, dicht tegen de muur aan gedrukt om uit de lichtkegel van de tv te blijven. Ik kon tot in de keuken kijken. Mijn moeder waste af, streek de winkelschorten en roerde af en toe in de kookpannen, haar andere hand tegen haar onderrug, die ze zo hol maakte dat het leek of ze zwanger was. Dat had ik graag gewild. Een broertje of een zusje, om me minder eenzaam te voelen, de verwachtingen te verdelen, niet langer alleen van alles de schuld te zijn.

Pas als ze na uren het licht uitknipte om ook naar bed te gaan, glipte ik opgelucht weer naar boven. Weer een dag waarop ze niet was doodgevallen. Mijn vader hielp of zat aan tafel over de boeken gebogen, te cijferen en door zijn ogen te wrijven. Met één oog keek hij naar de tv. Soms riep hij iets naar mijn moeder, die, haar handen afvegend aan een theedoek, kwam kijken en haar hoofd schudde. Waar hij om kon lachen… het was om te huilen. Hij lachte steeds minder en zij huilde niet, ze werd boos.

In de winter verkleumde ik tot een klomp ijs en in de drukste periodes sliep ik zo weinig dat ik me op school met moeite wakker kon houden. Een lerares sprak mijn moeder erover aan. De ene bezorgd, de andere zuchtend. Dat ik zoveel slaap nodig had, had ik niet van haar, maar van hem. Alle slechte dingen kwamen van mijn vader.

Tot mijn verbazing maakte ze geen bezwaar dat Mila ’s middags met me meekwam. Ze noemde haar een net meisje van keurige ouders. We woonden in een zijstraat aan de overkant van de grote baan, op vijf minuten lopen van school. ’s Ochtends bracht mijn vader me, om terug te komen gedoogde mijn moeder, voor wie mijn veiligheid boven haar afkeer voor vreemdelingen ging, het dat ik met Ishtar meekwam.

Zij en haar broer Rachid, die een jaar jonger was dan wij, werden opgehaald door hun tante Nadiya, die zelf een zoontje in de eerste kleuterklas had. Als vanzelfsprekend ging Mila ook op straat tussen Ish en mij in lopen. Meestal voerde zij het hoogste woord, af en toe onderbroken door Ishtar, die het thuis gewend was om haar plek op te eisen, ook al haalde het niets uit. Mijn rol beperkte zich tot luisteren.

Hoewel Ish en ik van oudsher hartsvriendinnen waren en maar twee huizen van elkaar woonden, waren we nog nooit bij elkaar over de vloer geweest. Van Vanessa mocht het, maar mijn moeder vond altijd een reden om het uit te stellen.

Maar nu had Mila de kaarten herschud en werden winst en verlies niet langer gedeeld, maar verdeeld.

‘Trek het je niet aan’, zei Ish.

We hadden mijn of haar huis niet nodig, we hadden elkaar. En als we oud genoeg waren, zouden we onze rugzak pakken en hadden we de wereld. Maar nu had Mila de kaarten herschud en werden winst en verlies niet langer gedeeld, maar verdeeld. Bij onze huisdeur viel Ish uit de boot, ik op straat.

De enige die altijd won was Mila, maar aan het eind zou ik de overloper zijn, al hing ik dat hele eind tussen de school en ons huis dus achter hen aan als een uitgerafelde draad omdat ik elke keer een stap achteruit moest zetten als iemand ons kruiste. Rachid greep die momenten aan om aan zijn kleverige neefje te ontkomen.

Ik was zijn paard en mijn vlechten waren de teugels. Hij trok hard. Op hulp van zijn tante hoefde ik niet te rekenen. Ze zei niets, hooguit ‘Wacht tot ik je te pakken krijg!’, met een hand op haar hoogzwangere buik.

Het was Ish die zich op een goeie dag naar hem omdraaide en hem zonder meer een klap in het gezicht gaf. Het klonk zo hard dat alles om ons heen leek te verstommen en vertraagde. Haar broer legde zijn hand tegen het brandmerk op zijn wang en de vernedering kroop in zijn hand, en de hand maakte een vuist. Toen zette hij het op een krijsen. Zijn tante trok hem tegen haar rokken.

Later heb ik vaak gedacht dat het daar begonnen is, omdat mensen nu eenmaal geneigd zijn om oorzaken te zoeken. Wie begrijpt, heeft een illusie van grip op de dingen. Nu denk ik dat het evengoed iets of iemand anders had kunnen zijn. Wie een stok wil om te slaan, vindt er een of breekt een poot van een stoel. Rachid vergeeft niemand, en zeker geen vrouw.

Ik ben bang van hem, voor wat hij gaat doen als hij dit leest. En dat zal hij, omdat ik het ben. Hij zal zeggen dat ik lieg. Hij zal me vinden.

 

Die avond. We waren klaar met het dessert en zouden niet lang meer aan tafel zitten. De winkel sloot weliswaar om zes uur, maar dat betekende niet dat daarmee het werk gedaan was.

Lange tijd begreep ik niet wat het betekende, ik hoorde alleen dat het klonk zoals een strootje dat op breken stond.

We hadden een kaashoeve/traiteur. ‘In de lekkerbek’ stond in groene letters op de etalageruit. Mijn vader had geopperd dat rood meer in het oog sprong, maar groen verwees naar de natuur, en dat was de nieuwe trend. Bij discussies had mijn moeder altijd het laatste woord, desnoods haalde ze uit dat er in haar familie nooit een faillissement was geweest, dat snoerde hem de mond.

Zijn ouders hadden hun drukkerij moeten sluiten. Slechte tijden, verkeerde investeringen. Oma Marie werkte nu als schoonmaakster in het ziekenhuis, opa Louis reed met de tram.

Mijn vader telde het geld uit de kassa. Meestal keken hij en mijn moeder daar zorgelijk bij of ze zeiden iets over  de nachtwinkels, die overal als onkruid opschoten, en de vreemdelingen die hen doodconcurreerden en de stad kapotmaakten. Een enkele keer zeiden ze dat olie blijft bovendrijven. Lange tijd begreep ik niet wat het betekende, ik hoorde alleen dat het klonk zoals een strootje dat op breken stond.

Die dag hadden ze goed verkocht en het weekend, dat altijd drukker was dan doordeweeks, stond voor de deur. Als er één moment gunstig was om het te vragen was het dan.

‘Mag Ishtar ’s middags ook bij ons eten?’

Aan de overkant van de tafel zei mijn moeder geen ja en geen nee. Ze zei het met haar gebruikelijke wreedheid die mij ervan beschuldigde dom en tactloos te zijn, zodat ik me uit mezelf herinnerde dat mijn geboorte zeventien hele, helse uren had geduurd. Hoe ze geleden had was voor haar de maat van haar liefde, voor mij de mateloosheid van wat ik haar in ruil en zolang ze leefde schatplichtig was. Terwijl ze sprak, nam ze haar mes weer op, als een extra lange kijfvinger.

‘Ze is van die bruin mannen die ons werk afpakken. Als we straks geen geld meer hebben, komen ze onze meubels buitenhalen en moeten we op straat slapen. Is dat dan wat je wilt, Paulien?’

‘Ishtars mama is niet bruin, ze heet Vanessa.’

‘Dat zijn de ergsten. Je eigen mensen die je in de rug steken.’

‘En ze heeft haar eigen werk, in de supermarkt.’

Ik bleef bij mijn moeder aan tafel zitten. De stilte kraste in mijn keel.

‘Zie je wel? Daar verkopen ze ook kaas.’

Mijn vader rolde een stuk keukenpapier, dat we als servet gebruikten, op en wond het rond zijn vinger. Op de radio begon het nieuws met de aanslag op de paus. De dader was een Turk. Mijn moeder stak een zegevierende vinger in de lucht.

‘Misschien voor één keer…’ mompelde mijn vader.

‘Als ze het zien, kunnen we er klanten door verliezen.’

Hij wikkelde het keukenpapier weer van zijn vinger en stond op om de winkel te dweilen. Even steunde zijn hand op mijn schouder. Ik bleef bij mijn moeder aan tafel zitten. De stilte kraste in mijn keel.

‘Waag het niet om te huilen’, zei ze.

Ik huilde niet, ik was boos, en omdat ze dat niet mocht zien, maakte ik me uit de voeten naar mijn kamer, waar ik op mijn bed ging liggen, dat ze straks misschien kwamen weghalen. Waar moest ik dan slapen? Ik dacht aan de daklozen in hun slaapzakken in het station die ik een keer had gezien. Mij kon straks hetzelfde lot treffen, en ik plaste letterlijk in mijn broek van angst.

Toen mijn vader kwam om me in bad te zetten, was hij niet kwaad maar juist heel lief, zoals altijd als hij zich schuldig voelde. De behoefte om hem te troosten overviel me, en ik sloeg mijn armen om zijn hals, die een beetje zurig naar zweet rook. Terwijl ik nog wat bleef spelen, haalde hij mijn bed af, stopte de natte kleren en lakens in de wasmachine en legde nieuwe op het bed. Later stopte hij me in en las voor uit een van mijn prentenboeken.

‘Komt mama nog?’ vroeg ik, weifelend of ik dat nu wel of niet wilde.

Als ze boos was, voelde ik me zoals puzzelstukjes die uit de doos gevallen waren, ergens tussen de kussens van de bank, waar niemand ze zou zoeken.

‘Ik zal het haar vragen.’

Op 6 juni. Zes zes zes. Het klonk als een magische dag.

Toen ze boven kwam, ging ze op de rand van mijn bed zitten, ze zuchtte.

‘Je moet dat niet meer vragen, Paulien. Sommige dingen kunnen nu eenmaal niet. En je hebt in bed geplast.’

Ik zei dat het me speet, het zou niet meer gebeuren.

‘Je moet daaraan denken, Paulien. Je bent bijna zes.’

Op 6 juni. Zes zes zes. Het klonk als een magische dag. Toen ik er iets over wilde zeggen, stond ze alweer op. Ze deed het licht uit op de overloop.

‘Dat moet je onderhand ook maar eens leren’, zei ze.

Als het licht brandde, scheen het door de ruit van mijn kamerdeur. Er zat reliëfglas in, waarin ik figuren probeerde te herkennen. Dat konden goede feeën zijn, vaker waren het angstaanjagende monsters en moest ik ijlings tovenaars vinden om ze te verslaan. Zonder dat licht kon ik mijn moed niet langer oefenen. Dan werd mijn angst zo groot als het donker zelf. Het omsingelde me.

Ish moest weten dat het niet mijn schuld was, maar hoe vertelde ik het haar zonder haar te kwetsen? En zonder dat ik mijn moeder verraadde en me tegelijk diep voor haar schaamde? Dagen schoof ik het gesprek voor me uit. En toen beviel haar tante Nadiya van een dochtertje, Jamal bracht ze een tijdje bij haar ouders.

Aan de schoolpoort had ze voorlopig niets meer te zoeken en omdat niemand anders ons kon komen halen, moesten Ish, Mila en ik voortaan alle drie in de refter eten. Om halfvier kwam mijn vader. De tijd had het probleem opgelost, maar nu maakte ik me zorgen over de stemmen in Mila’s hoofd.

Misschien had ze die maar verzonnen, net zoals de slang. Ze lachte en praatte en leek een miljoen keer gelukkiger dan ik.

 

Meer lezen?

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief