leesfragment

[Leesfragment] Ronja De Roversdochter

Binnen exact een week komt de herdruk van Astrid Lindgrens bekende verhaal Ronja De Roversdochter uit! Kan je niet wachten? Hieronder vind je alvast een voorsmaakje!

In Ronja’s geboortenacht woedde er een onweer boven de bergen. Het was zo’n verschrikkelijk onweer dat alle nachtgeesten die in de burcht van Mattis huisden, ang­stig in hun holen en spleten kropen. Alleen de vogelhek­sen voelden zich in hun element en vlogen krijsend om de roversburcht op de berg van Mattis heen.
Ze stoorden Lovis, die daarbinnen een kind aan het krijgen was, en zij zei tegen Mattis: ‘Jaag die vogelheksen weg, zodat het hier stil wordt. Anders hoor ik niet wat ik zing!’
Lovis zong namelijk bij het baren. Dan ging het ge­makkelijker, beweerde ze, en het kind zou er alleen maar vrolijker van kunnen worden.
Mattis pakte zijn boog en schoot een paar pijlen door een schietgat naar buiten. ‘Scheer je weg, vogelheksen!’ schreeuwde hij. ‘Ik krijg vannacht een kind en daar kun­nen we geen onruststooksters bij gebruiken!’
‘Ha ha, hij krijgt vannacht een kind!’ krijsten de hek­sen. ‘Een onweerskind, een onooglijk onderkruipseltje, ha ha!’
Toen schoot Mattis een pijl recht op de fladderende menigte af. Maar de heksen lachten hem uit en vlogen onder luid gekrijs weg.
Terwijl Lovis al zingend aan het bevallen was en Mattis de heksen wegjoeg, zaten zijn rovers beneden bij het vuur in de grote stenen zaal onder luid gekrakeel te eten en te drinken. Iets moesten ze immers doen tijdens het wach­ten. En ze wachtten alle twaalf op wat daarboven in de torenkamer zou gebeuren. Want in hun hele roversleven was er in de burcht van Mattis nog nooit een kind gebo­ren.
Het meest van allen wachtte Kale Per.
‘Komt dat roverskind nu nog niet?’ vroeg hij. ‘Ik ben oud en versleten en mijn roversleven zal weldra zijn afge­lopen. Ik zou graag een nieuwe roverhoofdman willen zien voordat ik mijn laatste adem uitblaas.’
Hij was nog niet uitgepraat of de deur ging open en Mattis kwam buiten zichzelf van opwinding binnenstor­men. En terwijl hij de gekste bokkensprongen maakte, riep hij met bulderende stem: ‘Ik heb een kind! Horen jullie wat ik zeg! Ik heb een kind!’
‘Jongen of meisje?’ riep Kale Per vanuit zijn hoek.
‘Een roversdochter, wat een vreugde, wat een feest!’ schreeuwde Mattis. ‘Een roversdochter, hier komt ze.’
Op dat ogenblik stapte Lovis met het kind in haar ar­men over de hoge drempel en alle rovers verstomden. Je kon een speld horen vallen in de zaal.
‘Drinken jullie daar straks maar een biertje op,’ zei Mattis. Hij nam het kind over van Lovis en liep ermee rond tussen de rovers terwijl hij keer op keer herhaalde: Hier zie je het mooiste kind dat ooit in een roversburcht is geboren!’

In hun hele roversleven was er in de burcht van Mattis nog nooit een kind geboren.

Het meisje in zijn armen keek hem met levendige oog­jes aan.
‘Dit kind heeft heel wat in haar mars, dat straalt van haar af,’ zei Mattis.
‘Hoe gaat ze heten?’ vroeg Kale Per.
‘Ronja,’ zei Lovis. ‘Dat heb ik al lang geleden besloten.’
‘Maar als het een jongen was geworden?’ vroeg Kale Per.
Lovis keek hem kalm en streng aan. ‘Als ik heb besloten dat mijn kind Ronja zal heten, dan wordt het Ronja!’
Toen zei ze tegen Mattis: ‘Zal ik haar nu van je overnemen?’
Maar Mattis wilde zijn dochter nog niet afstaan. Hij keek naar haar heldere oogjes, haar kleine mondje, haar zwarte spriethaartjes en haar hulpeloze handjes, en hij smolt van vertedering.
‘Als jij eens wist, kind, dat ik mijn rovershart nu al in jouw handjes heb gelegd!’ zei hij. ‘Ik begrijp zelf niet hoe het kan, maar toch is het zo.’
‘Mag ik haar ook even vasthouden?’ vroeg Kale Per.
Mattis legde Ronja in zijn armen alsof ze een gouden ei was.
‘Hier heb je de nieuwe roverhoofdman naar wie je al zo lang hebt uitgekeken. Maar laat haar niet uit je handen vallen, want dan heeft je laatste uur geslagen.’
Kale Per liet Ronja niet vallen. Hij lachte haar alleen maar toe met zijn tandeloze mond.
‘Als een veertje zo licht,’ zei hij verbaasd en hij tilde haar een paar maal op en neer.
Toen werd Mattis boos en pakte het kind van hem af.
‘Wat had je dan gedacht, schaapskop! Dat ik met een dikke, vette roverhoofdman aan was komen zetten? Zo een met een bolle buik en een puntbaard?’
Toen begrepen alle rovers dat er op dit kind geen kri­tiek geleverd mocht worden als ze het humeur van Mat­tis niet wilden bederven. En omdat ze dat voor geen goud wilden, begonnen ze zijn dochter onmiddellijk te prijzen en te roemen. Ook dronken ze flink wat bier ter ere van haar geboorte en dat stemde Mattis alleen maar gunstig. Hij ging op zijn erestoel tussen hen in zitten en liet zijn prachtige kind aan iedereen zien.
‘Dit wordt een harde noot voor Borka,’ zei Mattis. ‘Ik zie hem al in zijn ellendige rovershol zitten tandenknar­sen van afgunst, ja, dat wordt me een tandengeknars waar alle vogelheksen en aardmannen in het bos van Borka hun vingers van in de oren moeten steken.’
Kale Per knikte tevreden en zei grinnikend: ‘Ja, dit wordt een harde noot voor Borka. Want nu leeft het ge­slacht van Mattis voort, maar dat van Borka gaat naar de bliksem.’
‘Ja,’ zei Mattis. ‘Naar de bliksem, dat staat vast. Want voor zover ik weet is Borka nog nooit in staat geweest een kind te verwekken!’
Op dat ogenblik klonk er een donderslag die alle vroe­gere donderslagen in het bos van Mattis overtrof. De ro­vers trokken er bleek van weg, en Kale Per zakte in elkaar omdat hij toch al zo zwak was. Ronja liet onverwachts een paar zachte huilgeluidjes horen en die brachten Mat­tis erger van streek dan de donderslag.
‘Mijn kind huilt,’ zei hij. ‘Wat doe je daaraan? Wat doe je daaraan?’
Maar Lovis bleef kalm. Ze nam het kind van hem over en legde het aan haar borst. Toen huilde het niet meer.
‘Dat was me een knal,’ zei Kale Per zodra ook hij wat tot rust was gekomen. ‘Ik durf te wedden dat de bliksem ergens is ingeslagen.’
De bliksem was inderdaad ingeslagen. Dat was de vol­gende morgen dubbel en dwars te zien. Want de oeroude burcht van Mattis op de bergtop was in tweeën gesple­ten. Van de nok van het dak tot in de diepste keldergewelven was de burcht in twee helften verdeeld met een kloof ertussenin.
‘Ronja, jouw kinderleven begint op grootse wijze,’ zei Lovis toen ze met het kind in haar armen naast het brok­kelige stuk muur stond en de afgrond inkeek.

Hij keek naar haar heldere oogjes, haar kleine mondje, haar zwarte spriethaartjes en haar hulpeloze handjes, en hij smolt van vertedering.

Mattis ging als een wild dier tekeer. Hoe was het moge­lijk dat de oude burcht van zijn voorouders door zoiets getroffen kon zijn? Maar Mattis kon zich nooit lang over één ding opwinden, en vond altijd wel iets waarmee hij zich kon troosten. ‘Nu hebben we tenminste niet zo’n doolhof van onderaardse gangen meer die we in het oog moeten houden. En nu hoeft er waarschijnlijk nooit meer iemand in mijn burcht te verdwalen. Jullie weten vast nog wel hoe Kale Per eens de weg kwijtraakte en pas na vier dagen weer boven water kwam!’
Kale Per wilde daar niet graag aan herinnerd worden. Hij kon er toch zeker niets aan doen dat het hem zo was vergaan. Hij had er alleen maar achter willen komen hoe kolossaal die burcht eigenlijk wel was. Tja, daar was hij inderdaad achter gekomen, maar hij was wel meer dood dan levend geweest toen hij ten slotte de grote zaal weer had teruggevonden. En dat laatste had hij alleen te danken aan het kabaal van de rovers dat tot in de onderaardse gangen was doorgedrongen.
‘Gelukkig hebben we onze burcht nog nooit in zijn ge­heel in gebruik hoeven nemen,’ zei Mattis. ‘En wij blij­ven gewoon in de zalen en vertrekken en torenkamers waar we altijd al gewoond hebben.’
Het leven in de burcht van Mattis verliep weldra weer net als vroeger. Behalve dat er nu een kind was. Een kind dat volgens Lovis algauw kans zag Mattis en alle andere rovers het hoofd op hol te brengen. Het kon op zichzelf geen kwaad dat zij wat minder hardhandig werden en wat zachtmoediger in hun optreden, maar dit ging toch iets te ver, vond Lovis.
Want het was wel eigenaardig om twaalf rovers en een roverhoofdman te horen juichen omdat een klein kind net had leren kruipen, alsof dit het grootste wonder was dat op deze aarde kon gebeuren. Weliswaar kroop Ronja pijlsnel door de zaal heen omdat ze zich op een heel spe­ciale manier met haar linkervoet wist af te zetten, maar daar hoefden die rovers toch niet zo’n drukte over te ma­ken, vond Lovis. Alle kinderen leren immers vroeg of laat kruipen. Ook zonder dat hun vader erbij staat te juichen en vergeet dat er nog zoiets als werk bestaat.
‘Is het soms de bedoeling dat Borka zijn rooftochten ook op jouw terrein zal gaan houden?’ vroeg ze bits, toen de rovers met Mattis aan het hoofd veel vroeger dan an­ders naar huis kwamen stormen om Ronja haar pap te zien eten.
Naar zulk geklets luisterde Mattis niet.
‘Mijn Ronja, mijn duifje!’ riep hij, toen Ronja hem in vliegende vaart tegemoet kwam kruipen. Daarna nam hij haar op schoot en voerde Ronja haar pap. Het bord stond een eindje van hem af op de schoorsteenmantel en Mattis was verre van handig met zijn grove roversknuisten. Hij morste dan ook heel wat op de grond en bovendien duw­de Ronja af en toe tegen de lepel zodat de pap naar alle kanten vloog en er zelfs kloddertjes in de wenkbrauwen van Mattis terechtkwamen. Toen dat voor het eerst ge­beurde, lieten de rovers zo’n bulderend gelach horen dat Ronja van angst in huilen uitbarstte. Maar algauw had ze door dat ze iets leuks had verzonnen en daarom herhaalde ze haar grapje nog vaak. Tot groot vermaak van de rovers, maar tot haar vaders ergernis. Verder had Mattis alleen maar bewondering voor Ronja en voor alles wat ze onder­nam.
Zelfs Lovis moest lachen toen ze Mattis zag zitten met zijn kind op schoot en papkloddertjes in zijn wenkbrau­wen.
‘O Mattis, wie zou zich nu voor kunnen stellen dat jij de machtigste roverhoofdman bent uit alle bossen en bergen in de omtrek! Als Borka je nu zag, zou hij je zeker uitlachen!’
‘Dat zou ik hem wel gauw afleren,’ zei Mattis kalm.
Borka was zijn aartsvijand. Net als de vader en grootvader van Borka aartsvijanden waren geweest van Mattis’ vader en grootvader. Ja, de geslachten van Borka en Mat­tis hadden elkaar sinds mensenheugenis in de haren ge­zeten. Rovers waren ze altijd al geweest en een bron van ellende en verschrikking voor fatsoenlijke mensen die met hun paarden en wagenvrachten door de diepe bos­sen heen moesten waarin zij huisden.
‘God helpe degene die langs het Roverspad moet,’ zei­den de mensen vaak, en daarmee bedoelden ze de nauwe bergpas tussen het bos van Borka en dat van Mattis. Daar lagen altijd rovers op de loer, en of het er een van Borka of Mattis was, maakte voor het slachto^er niets uit. Maar voor Mattis en Borka maakte het heel veel uit. Die sloe­gen elkaar kort en klein als er iets te roven viel en ze deinsden er niet voor terug ook elkaar te bestelen als er niet voldoende wagenvrachten langs het Roverspad kwa­men.
Van al deze dingen wist Ronja niets, daar was ze nog te klein voor. Ze kon ook nog niet weten dat haar vader een gevreesde roverhoofdman was. Voor haar was hij niets anders dan een lieve vader met een baard, die kon lachen en zingen en die haar pap te eten gaf. En van die Mattis hield ze veel.

'Wat moet ik doen als ik verdwaal in het bos?' vroeg Ronja. 'Het goede pad weer opzoeken,' zei Mattis.

Ronja groeide snel en begon weldra de we­reld om zich heen te onderzoeken. Een tijdlang dacht ze dat de grote zaal de hele wereld was. Daar had ze het naar de zin, daar speelde ze onder de lange tafel met dennen­appels en steentjes die Mattis voor haar mee naar huis nam. Er viel heel wat leuks te beleven en heel wat te le­ren. Ronja vond het fijn als de rovers ’s avonds voor het vuur zaten te zingen. Dan zat ze stil onder de tafel te luis­teren, totdat ze alle roversliederen uit haar hoofd kende. Het duurde dan ook niet lang of ze begon met haar hel­dere stemmetje mee te zingen, en het verbaasde Mattis dat zijn geliefde kind dat zo mooi kon.
Ze leerde ook dansen. Want als de rovers goed op dreef waren, dansten en sprongen ze als gekken in het rond, en Ronja zag algauw hoe ze dat deden. Dan maakte ze tot Mattis’ grote vreugde de gekste roverssprongen. En als de rovers na afloop met een kroes bier aan de lange tafel op adem zaten te komen, raakte hij niet uitgepraat over zijn dochter.
‘Ze lijkt wel een bosnimf,’ zei hij, ‘waar of niet! Ze heeft net zulke donkere ogen, net zulke zwarte haren en net zo’n lenig lichaam. Geven jullie maar rustig toe dat je nog nooit zo’n mooi kind hebt gezien!’
De rovers knikten instemmend. Maar Ronja zat stil onder de tafel met haar dennenappels en haar steentjes, en als ze al die roversvoeten daar zag in hun sokken van ruige vachten, deed ze net of dat haar onhandelbare gei­ten waren. Die had ze in de geitenstal gezien waar Lovis haar mee naartoe nam als ze moest melken.
Meer had Ronja nog niet gezien in haar korte leventje.
Ze wist niet hoe het er buiten de burcht van Mattis uit­zag. En op een dag begreep Mattis zelf – hoe naar hij het ook vond – dat de tijd rijp was om zijn dochter wat meer van de wereld te laten zien.
‘Lovis,’ zei hij tegen zijn vrouw. ‘Ons kind moet nu kennismaken met het leven in het bos. Laat haar maar gaan.’
‘Hè, hè, ben jij daar eindelijk ook achter!’ zei Lovis. ‘Als ik het voor het zeggen had, was dit al lang geleden gebeurd.’
Vanaf dat ogenblik mocht Ronja net zoveel rondzwer­ven als ze zelf wilde. Maar eerst vertelde Mattis haar een paar dingen.
‘Pas op voor vogelheksen en aardmannen en Borkarovers,’ zei hij.
‘Hoe kan ik weten wie vogelheksen en aardmannen en Borkarovers zijn?’ vroeg Ronja.
‘Dat merk je wel,’ zei Mattis.
‘O,’ zei Ronja.
‘En je past op dat je niet verdwaalt in het bos,’ zei Mat­tis.
‘Wat moet ik doen als ik wel verdwaal in het bos?’ vroeg Ronja.
‘Het goede pad weer opzoeken,’ zei Mattis.
‘O,’ zei Ronja.
‘En je past ook op dat je niet in de rivier valt,’ zei Mat­tis.
‘Wat moet ik doen als ik wel in de rivier val?’ vroeg Ronja.
‘Zwemmen,’ zei Mattis.
‘O,’ zei Ronja.
‘En je past op dat je niet in de Hellepoel valt,’ zei Mat­tis. Daarmee bedoelde hij de afgrond tussen de twee helf­ten van zijn burcht.
‘Wat moet ik doen als ik wel in de Hellepoel val?’ vroeg Ronja.
‘Dan doe je niets meer,’ zei Mattis, en toen liet hij zo’n gebrul horen dat het wel leek of alle ellende van de we­reld zich in zijn borstkas had verzameld.
‘O,’ zei Ronja, toen Mattis was uitgebruld. ‘Dan val ik niet in de Hellepoel. Is er nog meer?’
‘Ja,’ zei Mattis. ‘Maar dat merk je later nog wel. Ga nu maar!’

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief