nieuws

[LEESFRAGMENT] Silent Witness en CSI in het echt: ‘De doden praten’

Prof. dr. Werner Jacobs is 20 jaar aan het werk als forensisch patholoog. We hoeven je niet te vertellen dat hij heel wat gezien heeft in die tijd. Echte verhalen, over moord en misdaad, en confrontaties met de donkerste en meest angstaanjagende aspecten van het menselijk gedrag. Hij bundelde een deel van zijn ervaringen in De doden praten. Lees hier alvast een eerste fragment!

Grenslijk

Dat er een verschil in aanpak is tussen Nederland en België op het vlak van forensisch onderzoek, is een understatement. Dat bewijst mijn avontuur uit 2008 met het zogenaamde ‘grenslijk’ in Baarle-Hertog/Baarle-Nassau.

In die gemeente staat een villa die bij fraudeurs bekendstaat als ‘de witwasvilla’. Toen de euro nog niet bestond en er nog staatsgrenzen waren, konden mensen met zwart geld er terecht om hun geld wit te wassen en daarbovenop nog wat profijt te slaan uit wisselkoersfraude. Je ging door de deur aan Belgische kant de villa binnen met een portefeuille vol zwart geld en minuten later stapte je aan Nederlandse zijde de deur uit met wit geld. Je ging ter plaatse nog een glas of twee drinken en je had een leuke en vooral winstgevende dag gehad. Het zal weinigen  verbazen dat er destijds veel volk naar de villa kwam.

In februari 2008 gaat het er minder leuk aan toe.

In februari 2008 gaat het er minder leuk aan toe. In de villa wordt een zeer verdachte houten kist gevonden, vermoedelijk met een lijk erin. De onderzoeksrechter van Turnhout zegt me aan de telefoon dat er aanwijzingen zijn van moord. ‘Het lab van de gerechtelijke politie is er al, maar kunt u ook zo vlug mogelijk ter plaatse gaan?’ vraagt de magistraat.

Ik heb echter een probleem: zware file op de ring rond Antwerpen. Ik schat dat ik zeker anderhalf uur zal doen over de afstand Antwerpen-Baarle-Hertog. Terwijl ik mijn spullen bij elkaar aan het rapen ben, komt toevallig spoedarts Luc Beaucourt mijn bureau binnen. Nieuwsgierig als hij is, vraagt hij: ‘Moet je ergens dringend naartoe? Wat is er aan de hand?’ Ik leg uit dat ik naar de Nederlandse grens moet, waar een lijk is gevonden in een houten doos. Ik vraag hem, bijna voor de grap, of de MUG-interventieauto toevallig vrij is. ‘Nee, maar het commandovoertuig van het rampenplan wel’, antwoordt Beaucourt.

De commandowagen is een prioritair voertuig met blauw zwaailicht en sirenes dat hooguit één keer om de twee jaar nuttig is als het provinciaal rampenplan wordt afgekondigd. ‘Maar’, voegt de spoedarts eraan toe, ‘ik kan je met die auto wel met bekwame spoed naar de grens brengen. Ik haal de sleutels.’ Enkel Beaucourt kan zoiets uit zijn mouw toveren.

Enkel Beaucourt kan zoiets uit zijn mouw toveren.

Een halfuur later sta ik in Baarle. Van files heb ik nauwelijks iets gemerkt. Er staat erg veel volk rond de villa. Allemaal leden van politiediensten: tactische rechercheurs en technische rechercheurs. Wat opvalt, is dat aan Nederlandse kant een veelvoud van manschappen ontplooid is van de Belgische ‘troepen’. Wat is dat allemaal?

Ik vraag uitleg aan een Belgische politieman. ‘Ach, er doet zich hier een grensprobleem voor’, zegt hij terwijl hij met zijn ogen rolt. ‘De staatsgrens tussen België en Nederland loopt blijkbaar door deze villa. Het is bijna niet te geloven, maar ik zal je nog meer zeggen: de staatsgrens loopt door de woonkamer van de villa. En om het compleet te maken: de staatsgrens loopt vermoedelijk ook door de kist waarin een lijk ligt. De vraag die zich opdringt, is of dit onderzoek nu door het Belgische dan wel het Nederlandse gerecht gevoerd moet worden. Er is intussen een landmeter onderweg om officieel de staatsgrens vast te stellen, zodat we kunnen beslissen welk land bevoegd is.’

Absurder moet het niet worden, denk ik bij mezelf.

Absurder moet het niet worden, denk ik bij mezelf. We staan hier nu mooi te wachten op godbetert een landmeter. Aan de Belgische kant denken de politiemensen hardop: ‘We hadden hier al een uur bezig kunnen zijn. We hadden de kist al opengemaakt en het lijk eruit gehaald.’ Wishful thinking.

Ik merk dat aan de Nederlandse zijde door een half leger specialisten driftig aan een plan wordt gewerkt om in actie te treden zodra de staatsgrens is vastgesteld. De Nederlanders hebben een commandowagen ter plaatse, van waaruit alles tot in de puntjes wordt gecoördineerd. Er wordt beslist dat forensisch expert Henk van de forensische opsporing eerst vingerafdrukken zal nemen op de kist. Vervolgens komt specialist Kees om te zien of er DNA-sporen op de houten doos zitten. Daarna is het de beurt aan technisch rechercheur Cor, die via een geijkte procedure de kist moet openmaken. Ten slotte  zal het team van Tuur de kist meenemen. In het beste geval, want het zou ook kunnen dat politiebaas Hans beslist daar nog even mee te wachten.

Ik moet een beetje blazen als ik het allemaal aanschouw. Wat een megalomaan gedoe, wat een verschil in manier van werken met België. De landmeter is ter plaatse en we staan met zijn allen te wachten op zijn verdict, maar dat kunnen we helaas niet direct uit zijn mond horen. Officiële instanties moeten het bevestigen.

Ik moet een beetje blazen als ik het allemaal aanschouw.

Korte tijd later hangt de onderzoeksrechter uit Turnhout aan de lijn. ‘De landmeter heeft zijn werk gedaan. Hij heeft vastgesteld dat de verdachte doos grotendeels op Nederlands grondgebied staat. Het gerechtelijk onderzoek zal dus door onze noorderburen gevoerd worden. Het spijt me, maar wat mij betreft mag je terugkeren naar Antwerpen.’

Hoe dikwijls komt het voor dat de staatsgrens me parten speelt? Twee keer in heel mijn carrière. Een andere keer werd het onderzoek van een lijk dat in België gevonden werd overgedragen aan de Franse justitie omdat het misdrijf waar het een gevolg van was in Frankrijk had plaatsgevonden. De man was enkele meters van de staatsgrens aan Franse kant neergeschoten. Hij strompelde nog over de grens om aan Belgische kant dood te vallen.

Alvorens weer naar Antwerpen te vertrekken vraag ik de Nederlanders of ik nog nuttig kan zijn, nu ik nog ter plaatse ben. ‘We hebben je hulp niet nodig’, zeggen ze. Waarvan akte. Ik heb hier dus een halve dag voor niets gestaan. Sometimes you win, sometimes you lose.

Drie dagen later belt de onderzoeksrechter me weer. ‘Ze zullen in Nederland een autopsie op dat lijk uitvoeren. Kun jij daarbij zijn als observator? Ik geef je de opdracht omdat het nuttig kan zijn om hier mijn dossier officieel af te sluiten. Ik heb daarvoor jouw informatie nodig. Anders moet ik de conclusies van de Nederlandse patholoog opvragen via een omslachtig internationaal verzoek om rechtshulp. Dat kan een jaar duren. Als jij de autopsie bijwoont, zal ik veel vlugger over de nodige info beschikken om mijn dossier af te ronden.’

Ik zeg de onderzoeksrechter dat het me verbaast dat ze nu pas tot een autopsie overgaan.

Ik zeg de onderzoeksrechter dat het me toch verbaast dat ze in Nederland nu pas, ruim drie dagen na de vondst van het lijk, tot een autopsie overgaan. Zijn antwoord: ‘In Nederland zijn ze blijkbaar drie dagen bezig geweest om dat lijk uit de doos te halen.’ In België had dat misschien twee uur geduurd. Het plan van Henk, Hans, Cor en Tuur mag dan perfect lijken op papier, efficiënt is het niet echt.

Ik rijd dus naar het Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag voor de autopsie. Echt van harte welkom ben ik niet. Eerst vindt een briefing plaats tussen de recherche en de patholoog van dienst. Dat noemen we een zogenaamde intake. In België krijg ik als wetsarts altijd summiere informatie over de omstandigheden van het misdrijf, het slachtoffer en eventuele verdachten en wat die laatsten te vertellen hebben, of niet. Deze contextuele informatie is cruciaal om mijn forensisch onderzoek te oriënteren en gericht te kunnen zoeken tijdens de autopsie.

De briefing in Nederland verloopt anders. Helemaal anders. De rechercheur ter plekke vertelt de pathologe dat ze ‘de context niet hoeft te kennen, want die maakt deel uit van geclassificeerde informatie’. Doordat de Nederlandse pathologe niet ter plaatse is geweest in de villa – Nederlandse pathologen gaan zelden of nooit op het terrein – begint ze eigenlijk aan een blind onderzoek.

Politiemensen die vinden dat ze me niets hoeven te vertellen over de context van een misdrijf gooi ik de autopsiezaal uit.

Zo zou dat bij ons niet in zijn werk gaan. Ik heb ooit een rechercheur in ons mortuarium gehad die me niets wilde vertellen over het misdrijf en toen heb ik gezegd: ‘Hier is een scalpel en hier is een pincet. Meer heb je niet nodig om een autopsie te doen. Zoek het zelf maar uit, ga je gang.’ Politiemensen die vinden dat ze me niets hoeven te vertellen over de context van een misdrijf gooi ik de autopsiezaal uit. Ze moeten goed beseffen dat ik mijn werk ook naar behoren moet kunnen doen. Ik ben bovendien net als zij gebonden aan het beroepsgeheim, en zal het onderzoekgeheim van het gerecht dus niet schenden. Ik wens een volwaardige rol te spelen in het forensisch onderzoek. Ik ben geen puppet on a string. Maar in Nederland gaat het er duidelijk anders aan toe.

De autopsie van het grenslijk wordt uitgevoerd door een wat norse vrouw die het zichtbaar niet op prijs stelt dat ik haar op de vingers sta te kijken. Het zij zo. Op de autopsietafel ligt het lijk van een vrouw in vergevorderde staat van ontbinding. Na onderzoek wordt er slechts één letsel gevonden: een gaatje in de huid van het bovenbeen. Ik vertel de pathologe dat het gaatje erop kan wijzen dat het slachtoffer neergestoken werd. Het kan moeilijk anders dan dat het gaatje een steekwond is.

‘Nou,’ oppert mijn Nederlandse collega, ‘dat zou ik zo niet durven te formuleren. We kunnen ons nergens over uitspreken.’ Dit slachtoffer was maandenlang vermist en werd dan teruggevonden in een houten doos die opgevuld werd met zelfstollend piepschuim en afgeplakt met tape om de lijkgeur te onderdrukken. Is het dan niet logisch dat we mogen denken aan crimineel opzet en dat het gaatje in haar been een steekwond is? Dat heeft het slachtoffer toch niet zelf gedaan, of wel? Maar soit, in Nederland worden in dit stadium nog geen conclusies getrokken.

Met mijn gezond boerenverstand kan ik heel veel oplossen.

Zo heb ik het ooit meegemaakt dat we samen met Nederlanders een schedel onderzochten. Er zaten een ingangsgat en uitgangsgat van een kogel in. Mijn conclusie: de man werd in het hoofd geschoten met een vuurwapen. Dat vonden de Nederlanders te voorbarig, want ze hadden de hersenen niet en konden bijgevolg niet onderzoeken of er een kogelbaan in zat. Als ik dergelijke onzin hoor, denk ik: gebruik toch eens jullie gezond verstand. Je kunt als wetsarts zodanig theoretiseren en het ver gaan zoeken dat je nooit tot een oplossing komt. Daar is niemand bij gebaat. Ik ben niet de slimste mens ter wereld, maar met mijn gezond boerenverstand kan ik heel veel oplossen.

Bij dit slachtoffer concludeer ik dus: het gat in haar been is een steekwond, afkomstig van een scherp voorwerp of een mes. Ze is meer dan waarschijnlijk doodgebloed en dan in een doos gestopt. Er bestaat geen twijfel over dat hier tussenkomst van een derde was.

 

Benieuwd wat de uiteindelijke doodsoorzaak was en of er inderdaad sprake was van kwaad opzet? Je leest het volledige hoofdstuk in De doden praten :

 

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief