nieuws

[Leesfragment] ‘Vonk’ van Anita Terpstra

Wanneer een wereldberoemd danspaar ernstig gewond raakt door een vreselijke brand, beschuldigen ze elkaar van brandstichting en poging tot moord. Maak kennis met Vonk, de nieuwste thriller van Anita Terpstra.

Proloog

DIT IS HOE HET BEGINT

Liefde en haat liggen dicht bij elkaar. Nog niet zo lang geleden was dat voor mij, net als voor de meeste mensen, gewoon een uitdrukking. Tot er iets gebeurt dat je hele wereld ineens, pats-boem, volledig op z’n kop zet.
Bij mij was dat het ongeluk.
Maar daarover later meer.
Haat komt nooit alleen, heb ik gemerkt. Die neemt zoveel andere negatieve emoties met zich mee. Afkeer. Woede. Zelfbeklag. Ze doen me denken aan die visjes die meezwemmen in het kielzog van haaien, walvissen of welk zoogdier het ook maar is, en zo hun graantje meepikken. Ze kunnen alleen bestaan dankzij dat andere, veel grotere dier.
Volgens mij ben ik high van de pijnstilling. Anders ben ik nooit zo.
Nog zo’n uitdrukking die ik inmiddels aan den lijve heb ondervonden: wat je niet doodt, maakt je sterker. Sterker, ja, maar niet per se beter. Want dat zeggen lui die dit soort onzin verkopen er altijd achteraan: ik ben blij dat het me is overkomen, want het heeft me een beter mens gemaakt.
Als mensen zoiets zeggen, word ik acuut misselijk. Dat zijn de mensen die niet willen accepteren dat er soms dingen gebeuren die totaal zinloos zijn. Wat moet een meisje van dertien leren van het verlies van een onderbeen? Wat moet een jonge vader leren van een herseninfarct dat hem in een rolstoel doet belanden?
Of neem mij. Slachtoffer van een brand. Vertel me eens hoe ik een beter mens word van een lichaam dat is aangevreten door de vlammen?
Ik heb een neus voor zulke mensen. Of tenminste, ik had een neus. Vergeef me. Galgenhumor. Volgens de plastisch chirurg kan hij me weer een nieuwe neus aanmeten. Misschien moet ik daar dan dankbaar voor zijn? Dat ik eindelijk een mooie neus krijg?
Soms ben ik bang dat ik gek word. Dat doet deze plek met je. Het komt door de stilte die er heerst op de momenten dat ik alleen ben. Ik dacht altijd dat ik alle soorten stiltes in mijn leven zo onderhand wel had meegemaakt – de ingehouden stilte tussen de laatste danspas op het podium en het applaus van het publiek, de verbijsterde stilte nadat ik mijn geliefde tot op het bot heb beledigd, of andersom –, maar inmiddels weet ik beter. Neem de stilte wanneer familie of vrienden me voor het eerst zien.
Of beter gezegd: wat er van me over is.

Mischa

‘Mevrouw De Kooning?’ Een vrouwenstem die ik niet herkende. Vriendelijk. Rustig. Zachtjes.
Ik had dit eerder meegemaakt. Een déjà vu. Water. De kinderen.
Ja?
‘Mevrouw De Kooning? Mischa?’
Ja, zeg ik toch? God, wat een irritant mens.
‘Ze reageert niet.’
Ik antwoord toch?
Waarom was het zo donker om me heen? Er klonk geruis en geschuifel. Mijn ooglid werd opgetild en iemand scheen met een lampje in mijn ogen.
‘Ah, mooi, haar pupil reageert. Ze is wakker.’
Ik wilde dat de vrouw mijn ooglid nog eens opendeed. Ik probeerde het uit alle macht zelf, maar het lukte niet. Ik meende een glimp te hebben opgevangen van iets groens. Ik kon de kleur alleen niet thuisbrengen.
Een hand kneep in mijn rechterschouder. Dat deed venijnig pijn.
‘Ze reageert op pijnprikkels.’
Goh, echt? Zal ik jou eens pijn doen?
‘Probeer je ogen eens te openen, Mischa. Je ligt in het brandwondencentrum.’
Geen water. Vuur dit keer.
‘Mijn naam is Jantien, ik ben een van de verpleegkundigen hier.’
Er viel een korte stilte. Ik wilde dat Jantien verderging. Ze schraapte haar keel. ‘Er was brand in je huis. Je bent gewond geraakt. Maar maak je geen zorgen, je bent hier in goede handen.’ De woorden waren geruststellend bedoeld, als een aai over je bol, maar ze veroorzaakten een prikkend gevoel in mijn nek. Brand, ja, dat herinnerde ik me. De rook die zich als een wurgslang om me heen wikkelde, het bulderend geraas van vlammen die jacht op me maakten.
Zo anders dan water en toch hetzelfde. Koud versus heet, maar allebei dodelijk. Noodzakelijk om te kunnen leven, maar in grote hoeveelheden overleefde je ze niet, was dat niet wrang? En wreed. Ja, wrang en wreed. Zonder enige aarzeling pakte het alles van je af. Niet omdat het kon of moest, maar gewoon omdat het voortkwam uit wat het was. Vuur of water heeft geen geweten. Ergens in mijn achterhoofd knipperde als een haperende tl-buis het besef dat iemand me had blootgesteld aan de vernietigende kracht ervan.
De stem riep me terug naar het nu, weg van het formuleren van een naam. Ik probeerde mijn mond te openen, maar dat lukte net zomin als mijn ogen. Ik probeerde mijn lijf te voelen. Normaal gesproken had ik altijd ergens pijn. Er ging geen dag voorbij dat ik tijdens de oefeningen aan de barre de pijn niet verbeet. Stijfheid. Vooral in mijn onderrug. Blauwe plekken. Om nog maar te zwijgen over het eelt, likdoorns, sneetjes, wondjes of ontbrekende teennagels.
Nu voelde ik niets. En daar schrok ik van. Geen pijn klopte niet.

Nikolaj

‘Meneer Ivanov?’
Ik draaide mijn hoofd naar de glazen schuifdeur die toegang gaf tot de sluis, zoals de aangrenzende kamer werd genoemd. Een verpleegkundige, klein, mollig en jong, van top tot teen gehuld in groene beschermende kleding, inclusief handschoenen, mondkapje en mutsje, keek me vragend aan.
Ik lag op de intensive care, in een speciale kamer die voorzien was van een luchtbevochtigingssysteem. Het zorgde ervoor dat de lucht werd gezuiverd. Het apparaat aan het plafond loeide behoorlijk en hing recht boven mijn bed. Een arts – ik wist bij god niet meer welke; er was de afgelopen dagen een hele batterij aan me voorbijgetrokken, de een om dit te bekijken, de ander weer dat, en ik had het opgegeven om bij te houden waar ze precies voor kwamen – had me uitgelegd dat je huid je tegen infecties beschermt en de lichaamstemperatuur en het vocht in je lichaam regelt. Door de brandwonden had mijn huid die beschermende functies verloren. Vandaar dat ik in deze kamer lag. Om de kans op infecties te verkleinen droeg het personeel deze uitmonstering. Het deed me denken aan films waar levensbedreigende virussen waren uitgebroken. Ik wist dat het was om me te beschermen, maar het maakte dat ik me vies voelde. Ik had nooit de drang gekend om me te verstoppen, integendeel zelfs, maar nu wel. Ik stond om alle verkeerde redenen in het middelpunt van de belangstelling, en dat kwam door Mischa. Als ik mijn handen nog kon gebruiken, zou ik ze rond haar tere nek leggen en met genoegen al het leven uit haar persen. Ze had dood moeten zijn. Met haar dood zouden al mijn problemen opgelost zijn.
Het enige wat ik wist over haar toestand was dat ze vanwege inhalatieletsel aan de beademing lag en in slaap werd gehouden. Door de hitte waren de longen verbrand, waardoor er een zwelling was ontstaan.
‘Wanneer ga je me Nikolaj noemen?’ zei ik tegen de verpleegkundige.
‘De politie is hier… Nikolaj. Ene rechercheur Hans Waanders. Hij wil u graag enkele vragen stellen in verband met de brand. De dokter heeft hem toestemming gegeven.’
Ik knikte. Ik had gehoord dat de rechercheur al eerder was geweest, maar dat hij nul op rekest had gekregen van de artsen.
‘Dan ga ik hem halen. Het kan even duren. Hij moet alle veiligheidsprocedures doorlopen.’ Met veel geruis vertrok ze.
Ik keek naar mijn verbonden handen die voor me op tafel lagen. In bed blijven liggen was er niet bij. Ik moest zo veel mogelijk overeind zitten, bewegen, was me verteld; dat vergrootte de overlevingskansen. Het was goed voor mijn longen, spieren en gewrichten.
Achter me was het een wirwar aan apparaten en draden, waarvan sommige aan mijn lijf verbonden waren. Alles om me heen piepte, pompte en zuchtte.
Zal ik weer kunnen dansen?
Dat was de eerste vraag die ik de arts had gesteld, nadat die had uitgelegd wat er met me aan de hand was. Derdegraads verbrandingen op mijn rug, rechterschouder, beide handen en rechterbovenbeen en hier en daar tweedegraads over de rest van mijn lichaam. De derdegraads moesten geopereerd worden omdat deze niet vanzelf zouden genezen. Van de tweedegraads herstelde een deel meestal vanzelf. Wat niet binnen twee weken genas, werd alsnog geopereerd. En dat opereren hield in dat de chirurg de verbrande huid wegschraapte, totdat er weer gezond weefsel zichtbaar was. Omdat de huid dan ging bloeden, konden er steeds maar kleine oppervlaktes tegelijk geopereerd worden, ongeveer tien procent per operatie. Er waren waarschijnlijk meerdere operaties nodig om me op te lappen. Op de plekken waar de huid verwijderd was, bracht de chirurg een huidtransplantaat aan, afkomstig van intacte delen van mijn bovenbenen.
Omdat getransplanteerde huid de neiging heeft om te krimpen en niet meegroeit, ontstonden er vaak problemen. De huid kan zo straktrekken dat bewegen niet goed mogelijk is, onder andere bij de gewrichten. Om nog maar te zwijgen van de littekens.
‘Mijn lichaam is mijn instrument,’ had ik uitgebracht. Met mijn handen en armen moest ik mijn partner optillen, met mijn benen en voeten moest ik bewegingen kunnen maken zoals een pirouette, een arabesque, een grand allegro.
‘U zult uw handen in ieder geval kunnen gebruiken om de normale functies mee uit te voeren.’
Normale functies? Bedoelde ze aankleden, scheren, tandenpoetsen, boodschappen halen en meer van dat soort geestdodende dingen? Dat interesseerde me werkelijk geen ene reet. Dat zei ik dan ook en mijn woede-uitbarsting leverde me de opgetrokken wenkbrauwen van de arts op.
‘Ik wil weer kunnen dansen en als jullie dat hier niet voor elkaar kunnen krijgen, dan zorgen jullie er maar voor dat ik naar een brandwondencentrum kan waar dat wel het geval is. Of dat nu hier is of in het buitenland!’
‘Die zullen hetzelfde zeggen als ik,’ had ze gezegd. Haar ogen stonden ernstig, haar voorhoofd in tweeën gedeeld door een diepe frons.
‘Dat zullen we dan nog wel eens zien.’ Dit mens begreep er duidelijk niets van. ‘Stel dat ik tegen u zou zeggen dat u nooit meer zou kunnen opereren – nou?’
‘Natuurlijk zou ik dat heel erg vinden,’ sprak ze sussend. ‘Maar ik zou andere dingen vinden die ik zou kunnen gaan doen. Onderzoek, of lesgeven…’
Ik liet haar niet uitpraten. ‘Niet kunnen dansen is niet leven.’
‘We lopen op de zaken vooruit,’ zei ze rustig, beslist. ‘We moeten…’
De rest van haar woorden ging verloren in het gepiep van verschillende apparaten. De arts keek even en was kennelijk gerustgesteld door wat ze zag, want ze legde een hand op mijn schouder.
‘Het spijt me. Ik maak u overstuur, dat is niet mijn bedoeling. Dit gesprek komt veel te vroeg en horen we nu eigenlijk nog helemaal niet te voeren. Ik moet u dringend verzoeken zich rustig te houden. Zoveel opwinding is niet goed voor de conditie waarin u zich bevindt.’
Ik had haar willen tegenspreken, maar de waarheid was dat ik me inderdaad flink beroerd voelde. Ik was het gewend om drie uur achter elkaar te dansen, pure topsport, maar de uitputting die mijn lijf nu teisterde was nieuw voor me. En zeer onaangenaam. Ik was bekaf. Een verpleegkundige had me verteld dat mijn herstel te vergelijken was met 24/7 een marathon rennen. Ik kreeg sondevoeding, vierduizend calorieën per dag. De brandwonden zorgden voor een verhoogde stofwisseling die, mits ik niet genoeg calorieën kreeg, mijn spierweefsel ging aanspreken omdat mijn lichaam nu eenmaal brandstof nodig had.
‘Ik begrijp dat u zich zorgen maakt, maar het is echt nog te vroeg om ook maar iets zinnigs over uw herstel te kunnen zeggen,’ ging ze verder. ‘U heeft net een vreselijke, traumatische brand meegemaakt. We laten het hier eerst bij. Probeer een beetje te slapen. Rust zal u goeddoen.’
‘Kan ik Mischa zien?’
‘We kunnen u noch haar vervoeren. Vanwege het infectiegevaar,’ zei de arts.
‘Mag ik bezoek ontvangen?’
‘Het liefst zo weinig mogelijk, maar u kunt wel gewoon bellen. Of skypen wellicht? Ik heb begrepen dat u een zoon heeft. Uw gezicht is ongeschonden, dus skypen is geen probleem.’
Een verpleegkundige had voorzichtig geïnformeerd naar familie. Of ze iemand voor me kon bellen? Ze had duidelijk medelijden met me gehad toen ik zei dat dat niet nodig was. Mijn schoonmoeder Dorothée had gevraagd of ze me mocht bezoeken, maar ik had geen toestemming gegeven.
Vrienden dan, had ze geprobeerd, maar ik had niet geweten wie ik dan zou moeten bellen. Ik had genoeg vrienden bij het ballet, maar geen boezemvrienden. Een paar uur later was de verpleegkundige komen aanzetten met kleding die in het ziekenhuis was achtergelaten. ‘Je wilt vast niet de hele dag in een ziekenhuishemd rondlopen.’ Ik had een drempel moeten overwinnen om de kleding aan te trekken, maar de drempel om een van de dansers te bellen en te vragen of hij onderbroeken voor me wilde kopen, was nog hoger. Zodra ik van de ic af was, kon ik dat wellicht zelf gaan doen. Al had ik niet eens geld tot mijn beschikking. Ik had zelfs geen mobiele telefoon meer.
Ik kon bellen met de vaste lijn, maar ik had Gregory nog niet gebeld. Wat moest ik in godsnaam tegen de jongen zeggen?
Ik keek naar buiten. Niet dat er veel te zien was. Een muur, ramen, met daarachter kamers vol zieke mensen. Ik was überhaupt niet in staat iets in me op te nemen. Het was een grote waas in mijn hoofd en dat irriteerde me. Ik moest volkomen helder zijn voor wat onvermijdelijk komen ging.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief