leesfragment

‘Lieg met mij’ van Philippe Besson

De internationale bestseller van Philippe Besson is nu eindelijk verkrijgbaar in Nederlandse vertaling. Lieg met mij is een invoelende en belangwekkende roman voor de liefhebbers van Call Me By Your Name. Lees hier alvast de eerste pagina’s.

Lieg met mij

Net buiten een hotel in Bordeaux ziet Philippe een jonge man die als twee druppels water lijkt op zijn eerste liefde. Wat volgt is een aangrijpende terugblik op de tienerjaren van Philippe, en het bepalende moment in zijn leven toen op een winterse ochtend in 1984 twee zeventienjarige jongens elkaar voor het eerst in het geheim ontmoetten. Het is het begin van een verborgen en tragische liefdesrelatie tussen Philippe en zijn schoolgenoot Thomas, die de richting van hun beider levens voor altijd heeft bepaald.

Leesfragment

Op een dag, ik kan precies zeggen wanneer, ik weet exact welke datum, op een dag zit ik in de lobby van een hotel in een provinciestad, een lobby die ook dienstdoet als bar, ik zit in een makkelijke stoel, ik praat met een journaliste, tussen ons in een lage, ronde tafel, de journaliste interviewt me over mijn roman Verzoening, die net verschenen is, ze stelt me vragen over scheiden, over brieven schrijven, over het land verlaten en de al dan niet helende werking daarvan, en ik antwoord, ik ken de antwoorden op die vragen, ik antwoord bijna zonder op te letten, de woorden komen zo makkelijk en vanzelf dat ik mijn blik laat dwalen over de mensen die de lobby door lopen, het komen en gaan, de aankomsten en de vertrekken, ik verzin levens bij die mensen die weggaan, die binnenkomen, ik probeer me voor te stellen waar ze vandaan komen, waar ze heen gaan, ik heb het altijd leuk gevonden om dat te doen, om levens te verzinnen bij onbekenden die ik nauwelijks heb ontmoet, om me te interesseren voor mensen die ik niet ken, het is bijna een tic, ik geloof dat het al in mijn jeugd is begonnen, ja, het was er al toen ik nog heel jong was, nu weet ik het weer, het verontrustte mijn moeder, ze zei: hou op met je leugens, ze zei leugens in plaats van praatjes, dat is me bijgebleven, dus jaren later doe ik het nog steeds, ik vorm hypotheses terwijl ik de vragen beantwoord, terwijl ik praat over het verdriet van verlaten vrouwen, het zijn twee dingen die ik uit elkaar kan houden en op hetzelfde moment kan doen, wanneer ik een man van achteren zie die een rolkoffer achter zich aan trekt, een jongeman die op weg is het hotel te verlaten, zijn houding en zijn manieren stralen jeugdigheid uit, en ik ben onmiddellijk met stomheid geslagen door dat beeld, want het is een onmogelijk beeld, een beeld dat niet kan bestaan, ik kan me natuurlijk vergissen, per slot van rekening zie ik zijn gezicht niet, op de plek waar ik zit ben ik niet in staat dat te zien, maar het lijkt alsof ik

Ik zeg het nogmaals: het is onmogelijk, letterlijk onmogelijk, en toch roep ik een naam, Thomas
zeker ben van dat gezicht, alsof ik weet hoe de man eruitziet, en ik zeg het nogmaals: het is onmogelijk, letterlijk onmogelijk, en toch roep ik een naam, Thomas, ik schreeuw hem bijna, Thomas, en de journaliste tegenover me schrikt ervan, ze zat over haar opschrijfboekje gebogen, was aantekeningen aan het maken, mijn woorden aan het noteren, en nu kijkt ze op, ze trekt haar schouders omhoog alsof ik tegen haar heb geschreeuwd, ik zou me ervoor moeten verontschuldigen maar doe het niet, gegrepen door dat beeld in beweging en wachtend tot het roepen van de naam zijn effect zal hebben, maar de man draait zich niet om, hij loopt door, daar zou ik uit moeten opmaken dat ik me vergist heb, ditmaal echt, dat het allemaal maar zinsbedrog was, dat het komen en gaan dat zinsbedrog, die illusie heeft veroorzaakt, maar nee, ik kom met een sprong overeind, ik ga achter de weglopende man aan, niet omdat ik wil kijken of het klopt, want op dat moment ben ik er nog van overtuigd dat ik gelijk heb, dat ik gelijk heb tegen alle rede in, tegen beter weten in, ik haal de man in op het trottoir, ik leg mijn hand op zijn schouder, hij draait zich om en…

 

Hoofdstuk 1 – 1984

Het schoolplein van een lyceum, een geasfalteerd plein, omringd door oude gebouwen van grijs natuursteen, met grote, hoge ramen.

Tieners, met hun rugzak of hun schooltas bij hun voeten, staan in groepjes te praten, de meisjes bij de meisjes, de jongens bij de jongens. Als je goed kijkt zul je een surveillant ontdekken, die nauwelijks ouder is.

Het is winter.

Dat zie je aan de kale takken van een boom die daar, in het midden, staat en die wel dood lijkt, aan het ijs op de ramen, aan de damp die uit de monden komt, aan de handen die gewreven worden om weer warm te worden.

Het is halverwege de jaren tachtig.

Dat valt op te maken uit de kleding, superstrakke, met bleekwater behandelde spijkerbroeken vol lichte vlekken en met een hoge taille, en truien met motieven; sommige meisjes dragen gekleurde wollen beenwarmers, die op hun enkels zakken.

 

Ik weet niet dat ik nooit meer zeventien zal zijn, ik weet niet dat de jeugd niet blijvend is.
Ik ben zeventien.

Ik weet niet dat ik nooit meer zeventien zal zijn, ik weet niet dat de jeugd niet blijvend is, dat hij maar een ogenblik duurt en dan verdwijnt, en als je je dat realiseert is het te laat, is het voorbij, dan is hij vervlogen en ben je hem kwijt, toch voelen sommige mensen om me heen het aankomen en zeggen het, de volwassenen herhalen het, maar ik luister niet naar ze, hun woorden glijden langs me heen, blijven niet hangen, als water langs de veren van een eend, ik ben een sukkel, een zorgeloze sukkel.

 

Ik zit in de C-eindexamenklas op het Élie-Vinetlyceum in Barbezieux.

Dat bestaat niet, Barbezieux.

Laten we het anders formuleren. Niemand kan zeggen: ik ken die plaats, ik kan hem aanwijzen op een kaart van Frankrijk. Behalve misschien de lezers, en dat zijn er steeds minder, van Jacques Chardonne, die in de stad is geboren en het onwaarschijnlijke ‘geluk’ ervan heeft geroemd. Of degenen, dat zijn er meer, maar herinneren ze het zich nog, die vroeger rijksweg 10 namen om begin augustus op vakantie te gaan naar Spanje of Les Landes, en stelselmatig vast kwamen te zitten in files, precies daar, vanwege een slecht doordachte reeks stoplichten en een wegversmalling.

Het ligt in Charente. Dertig kilometer ten zuiden van Angoulème. Bijna het einde van het departement, bijna Charente- Maritime, bijna de Dordogne. Kalkgrond, geschikt voor de wijnbouw; niet zoals de grond die naar de Limousin lonkt, kleiig en koud. Een zeeklimaat; de winters zijn zacht en nat, er is niet altijd een zomer. Zolang ik me herinner, overheerst het grijs; het vocht. Gallo-Romeinse resten, kerken, kastelen; het onze lijkt op een burcht, maar wat viel er dan te verdedigen? Rondom: heuvels; ze zeggen dat het landschap glooiend is. En dat is het wel zo’n beetje.

Ik ben daar geboren. Destijds hadden ze nog een kraamkliniek. Die is jaren geleden gesloten. In Barbezieux wordt niemand meer geboren, de stad is gedoemd te verdwijnen.

En wie kent Élie Vinet? Ze zeggen dat hij de leraar was van Montaigne, ook al is dat nooit officieel aangetoond. Laten we zeggen dat hij een humanist was uit de zestiende eeuw, vertaler van Catullus en hoofd van het Collège de Guyenne in Bordeaux. En dat het toeval wilde dat hij geboren werd in Saint-Médard, een enclave van Barbezieux. Ze hebben het lyceum zijn naam gegeven. Beter dan hij konden ze niet vinden.

En dan, wie herinnert zich de C-eindexamenklassen? Tegenwoordig zeggen ze S, geloof ik. Al dekt die letter niet dezelfde lading. Het waren wiskundeklassen, waarvan gezegd werd dat ze de meest selectieve, de meest prestigieuze waren, de klassen die de deur openden naar het voorbereidende jaar dat naar de hogescholen kon leiden, terwijl de andere alleen toegang gaven tot de universiteit of een tweejarige vakopleiding; of daar stopten, zoals in een doodlopende straat.

Ik kom dus uit een tijd die voorbij is, uit een stad die op sterven na dood is, uit een roemloos verleden.
Ik kom dus uit een tijd die voorbij is, uit een stad die op sterven na dood is, uit een roemloos verleden. Begrijp me goed: ik vind het niet erg. Het is niet anders. Ik heb nergens voor gekozen. Net als iedereen. Ik doe het ermee.

Hoe dan ook ben ik me op mijn zeventiende niet zo duidelijk bewust van de situatie. Op mijn zeventiende verlang ik niet naar moderniteit, naar andere streken, andere luchten. Ik neem wat ze me geven. Ik koester geen ambities, word niet door afschuw gedreven, weet niet eens wat verveling is.

Ik ben een voorbeeldige leerling, die nooit een les mist, bijna altijd de hoogste cijfers haalt en de trots van zijn leraren is. Tegenwoordig zou ik die jongen van zeventien een mep geven, niet vanwege zijn goede resultaten, maar omdat hij alleen maar probeert zijn beoordelaars te behagen.

 

Ik sta met de anderen op het schoolplein. Het is pauze. Ik heb net twee uur filosofie achter de rug (‘Kunnen we aannemen dat de mens vrij is en tegelijkertijd stellen dat het onbewuste bestaat?’ Er werd ons verzekerd dat dit typisch het soort onderwerp is dat we op het eindexamen kunnen krijgen). Straks heb ik biologie. De kou prikt in mijn wangen. Ik draag een jacquardtrui waarin het blauw overheerst. Een vormeloze trui die ik te vaak aanheb en die pluist. Een spijkerbroek, witte sneakers. En een bril. Dat is nieuw. Mijn ogen zijn het jaar daarvoor plotseling achteruitgegaan, in een paar weken tijd werd ik bijziend zonder dat duidelijk was waardoor, er werd gezegd dat ik een bril moest, ik gehoorzaamde, kon niet anders. Ik heb fijn, krullend haar en ogen die naar groen zwemen. Ik ben niet knap, maar ik trek wel aandacht; dat weet ik. Niet door mijn uiterlijk, nee, maar door mijn resultaten, er wordt gemompeld: hij is briljant, veel beter dan de anderen, hij zal het ver schoppen, net als zijn broer, het zijn knappe koppen in dat gezin, we zijn op een plaats, in een tijd dat veel jongeren nergens heen gaan, dat bezorgt me evenveel sympathie als antipathie.

Die jongen ben ik, in de winter in Barbezieux.

 

Degenen die bij me staan heten Nadine A., Geneviève C. en Xavier C. Hun gezichten staan in mijn geheugen gegrift, terwijl zoveel andere, van recenter datum, eruit zijn verdwenen.

Maar in hen ben ik niet geïnteresseerd.

En ik zie alleen maar hem, de lange, afstandelijke jongen, die niet praat,
Wel in een jongen verderop, die geflankeerd door twee leeftijdgenoten met zijn rug tegen een muur staat. Een jongen met warrig haar, een beginnend baardje en een sombere blik. Een jongen uit een andere klas. Uit de D-examenklas. Een andere wereld. Tussen ons een niet te passeren grens. Misschien minachting. Minstens laatdunkendheid.

En ik zie alleen maar hem, de lange, afstandelijke jongen, die niet praat, die alleen maar luistert naar de twee anderen, zonder ze bij te vallen en zelfs zonder te glimlachen.

Ik weet hoe hij heet. Thomas Andrieu.

Op de hoogte

Ontvang het laatste nieuws via onze nieuwsbrief